Skip to main content

Full text of "Abrahami Heidani Consideratien, over eenige saecken onlanghs voorgevallen in de Universiteyt binnen Leyden"

See other formats


Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by coortesy of Koninklijke Bibliorfieek, Den Haag. 

445 C 19 11] 




Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag 

445 C 19 [1] 




Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 [1] 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19(1] 



i 




Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuesf LLC. 

Images reproduced by ccxjrtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Hoog, 

445 C 19 [1] 




Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuesf LLC. 

Images reproduced by ccxjrtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Hoog, 

445 C 19 [1] 



ABRAHAMI HEIDANI 

CONSIDERATIEN, 



over 



Eenige faecken onknghs 
voorgevallen in de 

UNI VERSITE YT 

binnen 

L E Y D E N- 

Den tweeden Druch^ verbetert. 




TOT L E r I> E Ny 

By AernoutDoude, 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest LLC. 
Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Der 
445 C 19 [1] 




Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuesf LLC. 

Images reproduced by ccxjrtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Hoog, 

445 C 19 [1] 



DEN 



D R U C K E R 

A E N D E N 

CHRISTELYKEN 
L E S E R. 

3 aar fijn nauwelijks tien dagen verlopen 
zedert dat defe Confideratien aan de 
Werelt fijn medegedccit geweeft, ofF 
daar is gebrek van Exemplaren bevonden , niet 
tegenftaande datter een merkelijke quantiteyt der 
felve fijn gedrukt geworden. Ditheefcons doen 
vermoeden , dat het veelen is aangenaam geweeft. 
Tc meer wanneer wy van verfcheydene Steden foo 
in Holland als andere Provintien verfochtfijn, dat 
baar een groot getal der gefeyde Confideratien op 
nieuws mogte toegefonden worden. VVy heb- 
ben dan gerefolvcert de felve voor de tweede 
maale onder de Perflè te brengen , om alzoo de 
begeerte van foo veel eerlijcke lieden te vol- 
doen. Maar nademaal wy van verfcheydene 
van ter zyden gewaarfchouwc fyn geworden, en 
aangemaant, dat het tot gemak en genoegen van 

* 2 den 



Den Dmker aen den Leefer, 

clcn Lefer foude dienen, indien het ExtraA van 
I ' de £. F-leeren Curateuren der Leydfen Academie, 

micfaaders de nodige aanwyfingcn der Auteuren, 
waar de Stellingen daar in vermeit van woord tot 
woord,nac haar voorgeven fouden worden gevon- 
den , gelyk het foo te faamen tot Haarlem is ge- 
druckt, loo hebben wy defe raad willen plaatfe 
geven , en de felve hier achter aanvoegen, op dat 
den Lefer alzoo alles by een mogte hebben , en 
als met een opflagh voor hem fien. Vaart wel 



U E: Dienaer 

A(^um in Leydeti den 
a 7. April 1676. 



A. DOUDE. 



Vefe weyttige drukfouten fyn noch ingekropen, 

pi? 1. 34. metaphycam. 1. metaphyficam. p. 59.I. i(J./ö^^Mtf- 
Vemhejt.\.gepitheyt. p. 65. 1. tf. meenigc. 1. mceningh. 
p 70 1. pen woort. 1. wort. p. 9^. 1. i. met alleen. 1. dit alleen, 
p i iö i.2<5.aendiegccne. 1. aendesCartesofaendicgeene. 



Con. 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 [1] 



ABRAHAMI HEIDANI 

CONSIDERATIEN 

over 

De Refolutic vande Ed. Achtbaerc 

Heeren Curateuren der Univerfiteyt binnen 
Leydcn, en Borgerttieeftercn der felver Ste- 
de , &c. 

^^lÊT niTecft de Ed. Achtb. Hecrcn Curateuren over de 
t B J Univerfiteyt, cnBorgerrneefteren der Stadt Ley- 
I H den, den itf.January defes loopenden Jaers, den 
^ j H ^Senaet vande Academie, daarfy in vollen getale, 
alleenlik een Borgermeefter abfent zijnde, ver- 
fchenen zijn, gelieft bekent te maken, en foo mondelingh door 
een fcrieufe aenfprake vande eerfte Heer Curateur te infinue- 
ren, en daar na door hare E. Secretaris doen oplefen fekereRe* 
fokitie , by hare Ed: A chtb: genomen over eemge ftellingen , die foê 
inde Theologie als inde Philofophie, eenige jaren henvaerts ende fulcx 
van tyt tot iyt in defe Academie fouden geventileert zijn : met expres 
verbot van die in^'t toekomende gcenfints te doceren. Metby* 
vocginge vaneen fcherpe ftrafFc tegen die gene die daer tegen 
foude komen t' overtreden. Dit quam allen den Leden des Se- 
nacts fcer vreemt , onverwacht , en als een donderflagh voor , de- 
wyle niets en was voorgegaan , waar uy t men het mmfl-e vermoe- 
den van fulcx yet konde fcheppen. Ditwiert niet verder opge- 
nomen als een Notificatie, daar een yeder (Ijn bedencken over 
foudc nemen* Maar alfmen ^s anderen daeghs defe Refolutie fagh 
door den druck gcmeyn gemacckt, cnaendc deure vande Aca- 
demie , en door de gantfche Stadt , felfs aende poorten der Stede, 
foo ons bericht is, aengeplackt: konde een yeder wel oordcc- 
len, datmen defe Refolutic vooreen condemnatoire fcntentic 
w ildc gehouden hebben. Hier by is niet gebleven , maer is dit 

A Ex^ 



% Abrahami Heidani 

ExtraÖ als een vy cr overgevlogen tot de naburige Steden en Pro- 
vinciën , en in groote menichte naergedruckt , en over al gediffe- 
mineert , tot groot nadeel van de Academie en de Profejforen inde 
felve. 

Want hoewel niemant der Profefforen met name inde voorfz^ 
Refolutie wert uitgedruckt, foovas^t evenwel onmogelijckce- 
nige andere onder de felve te verdenckcn, als die vande Theolo- 
giiche enPhilofophifche ordre zijn ; en v^ie onder die gemeint 
kierden, kon niemant onbewuft zijn: 

\{7y dit met de hoogfte verwonderingegelien engchoortheb- 
bende , achteden het onfe fchuldige plicht te zijn, de H. H. Cura- 
teuren daar over fchriftelijck aen te fprekeni en onfe onfchult en 
onnoofelhcidt in alle modeftie voor te dragen : gevende een van 
hare Ed. Achtb. te dien einde in handen eenigc van onfe Bedeno 
kingcn, die wy over dit werck hadden, mctverfoeck dat het in 
Collegio D.D. Curatorum mochtegeproduccert, en in achtingc 
genomen ^jrerdcn. Maar buiten alle vermoeden en vcrwachtinge 
is ons oock dat geweigert, en door fcker perfoon ons Requeft 
weder ter handen geftelt , fondcr eens gelefen en in achtinge ge- 
nomen te zijn. Daar nochtans hare Ed. Achtb. ons genoechfaam 
te kennen hadden gegeven , haren wille te zijn , dat wy daar over 
onfe Confideratien foudcn nemen . 

OndertufTchen vernemen wy van alle kanten, hoe dat door het 
drucken van ditExtradl, doorhet gantfche lant, oock buiten dc 
Provincie , onfen goeden naam wiert gctraduceert , onfe Ortho- 
doxie in twyfFelgctrockcn,en wy met namen aen alle defe enorme 
pofitien, als overwonnene Ketters, fchuldigh gcoordeelt , en van 
alle reputatie berooft. Soo een Leeraar ergens over fich moet ge- 
voclich toonen , ""t is dan » wanneer hem fijne rechtfinnigheidt en 
gcfontheit in de leere wert bedilputeert. In criminehdrefeos nemir- 
nem oportet ejfe patientem^ fegc JHieronymns. En voorwaar beneemt 
een Leeraar (ijn rechtfinnigheidt, ghy beneemt hem fijn cere en 
faam , wclcke hem liever moet fijn alsrijckdom, ja fijn leven. 

Dus van alle kanten benepen fijnde, was by ons goeden raet 
dier, want op een nieu ons te addreficren aen hare Ed. Achtb. 
fagen wy dat wy wederom varen fouden , als die hare klachten 
doen by een Rechter, na ge wefen Vonnis. De fake hoogcr tc 

brcn- 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 [1] 



Consideratie N. ^ 

brengen, was een werck vangrootc bedenckingc en moeytc^ 
Evcnw el t' cenemaal te fwygen , ftreed tegen onfe genereusheyt^ 
cn^tfchcenonstoe, dat dit niet anders foude noch kondc opge- 
nomen worden , als een confefïic van fchult , ofte een onvcrant- 
voordelijcke bloodigheyt en ontydelijckc vreefe. Daarom wy 
dan ook te rade fijn geworden , door een publycque verantwóor- 
dingc, onfe Orthodoxie en onfchult in defen aen alle de werelt tc 
vertoonen ; op dat niemant, dan die moetwillich en met opfct wil 
^ualick van ons oordeclcn , ons vcrdcncke die te zijn , die wy niet 
cnzijn, nochtcwefcn willen. Enals wy alfoo onfe Confcicntien 
fuUen voldaan hebben , fullen wy tc gcrufter fijn tegen de Calum- 
nie, die doch nimmermeer kan voldaan werdea. 

Wy vinden ons dan t' eenemaal geruft , van eenigc de minftc 
oorfakc ofoccafic gegeven tc hebben tot dicdrocfheyt en groot 
mifnoegen, dat hare Ed, Achtb. feggcn eenigen tyt herwaarts 
gefchept te hebben over de ventilatie van die fameufc flcllingcn 
in defc Academie. "Want die ftellingcn^ foo alflc daar leggen, en 
in dien fin daar toe fy mifduyt worden , en fijn niet van ons ge- 
was ofte plantinge , van onsnoytgedoceert, noyt gevcntileert, 
dan om tc wederleggen. Ja als wy fagen , hoe dit vyer der on- 
cenigheyt wicrtontüekcn ; enhoemen ons door veelvuldige ter- 
gingen fochte in 't fpel tc brengen , om tc mogen feggcn , dat onfe 
Academie in vycr ende vlamïtont , hebben wy ons nu over de 
2. Jaren een ftilfwygen opgeleyt, om niet van defc qu^eftieufc 
poincten tc leeren ofte te difputeren , en alfoo allen aenftoot uyt 
de wech tc nemen : foo oock dat by velen is gcoordcelt , dat wy tc 
weynich deden voorde goede fake, en onfe partyen daar mede 
ftout macckten , cn fpel ten declc gewonnen gaven. Daarom 
hadden wywel gewenfcht, dat hare Ed. Achtb. tc voren , eerfy 
dit Decreet hebben laten emaneren, ons hadden belieft bekent te 
maken ^t gene fy van anderen vernomen hadden aengaande defc 
Pofiticnr niet twijfFclendc , of wy fouden hare Ed. Achtb. daar 
over volle contentement gegeven hebben. 

Wel is waar, dat over anderhalf jaer de Hceren Curateuren 
cn Borgcrrnecfteren dc Theologifche en Philofophifchc Facul- 
tcyten hebben op ''tStadthuys ontboden, cnJc hacr te verftaan 
gegeven hare bekommeringen over de fwcvendc gefchillcn in dc 

A z Kerckc, 



4 Abrahami Heidani 

Kcrcke, als oock over cenigc onluften inde Academie door de 
ongebondentheyt eeniger Studenten veroorfaeckt , waerfchou* 
wende de ProfefToren, dat fy haervel wilden wachten, omme 
geen oorfakc van ongelcgenthcyt te geven : maer doe ilTer van 
geenc particuliere fententien gewach gemaeckt, over de welcke 
hare Ed: Achtb: cenigc onluft fouden gefchept hebben. En op 
fulcken generalen voorftel konden wy niet als een generale ant- 
woord geven: 

Het Decreet feght voort , dat in de Vniverjiteyt gtventileert ftjn 
fleUingen en pojitien , ontrent de tiytlegginge en verklaringe van Godts 

H. lf^oort Crc, Dat yet gerentilccrt wort is niet quact, als het 
tot een goet eynde gefchiet. Want fulcken ventilatie gefchiet en 
over quade alfoo wel als orer het goede , om dat te rerwcrpcn, 
dit te behouden. En is anders niet als yet examineren en beproc- 
ven en onder(oecken , om het fy het goede het fyquade datter in 
is, uyt te halen. Eveneens gelijck het gout en filvcr door den 
yyere beproeft wert. En dit gefchiet volgens den regel Pault 

I. Thcff. 5. vers ii* beproeft alle dingen , behout het goede. Soo en 
ift dan oock niet ongerymt , dat felfs dcfegcdoemde pofitien in dc 
Academie fouden gcventileertgewceft zijn, ja êit jithetfmw ^ en 
de SocinianifmM felve, om die dies te beter te wederleggen. Dacr 
is groot onderfcheit tuflchen yet te ventileren , ofte yet te doceren; 
of dogmatiz^eren. Men mach oock de kettcryen inde Scholen vrel 
rentileren , maer niet doceren. 

Maer hier wert met recht ge vracght, eermen voortgaet, of dcfc 
pofitien, die inde Academie lijn gcventilcert, dc felve fijn die dacr 
na tot 20. in getale werden opgetelt, of datter boven dien noch 
andere fijn, onder dit getal niet begrepen. Syn ^t cene en de felfdc 
pofitien, fo iffer goede raet,om de vreefe,die 't doceren van de fel- 
ve vcroorfaken loude , wech tc nemen. Want foo als fy dacr leg- 
gen cn in dien fin, dacr men fich rechtveerdigh over mochte be- 
droeven, en fijn fy in defc Academie noitgcleert; en vcrfckercn 
wy de Heeren, dat noyt van ons en fullen gelecrt worden. Syn 
't oock andere , als die hier gcventilcert zijn» w aerom ve rfw ijght- 
mcn dc voorgaende, endeen teltmcnfe niet onder dcfe, dicloo 
fcherp verboden werden ? fijnfc dan of van beter of van erger al- 
loy als de lactüc : ofte fijn dit alleen ecnige chimerjche pofitien, 

die 



CONSIDRRATIEN. 5. 

die niemant aengaen , of die alleen gcbruickt worden als een val- 
ftrick om y emant in 't net te krygen , of als een ftockdiemen on- 
der de honden werpt : hy rake die hy raeckt. 

Voorts bekennen wy niet wel te bcgrypen de redenen , op de 
welcke de verwerpinge vandc pofitien gefundeert is : namelijck 
«erft, om datfe inde Formulieren van Eenightyt ^ Confe^ie, Catc 
chifmus y en Canones Sjmdi Dêrdracend , alfoo (NB. alloo) niet tt 
vinden fijn. Wat dan? fijn dan de Formulieren het eenige richt- 
fnoer ende den Canon , inden wekken alles begrepen is, en in- 
der daatxs, vat in defe Academie en voorhenen, en nu tegcn- 
woordich , en in 't toekomende mach geventileert en gedoceert 
werden, en na 't welcke alles moet waer of valfch goet of quaat 
gekeurt en geoordeelt worden? Indien 'tfoois, foo moetmcn 
ftellen , dat alle waarheyt van alle dingen , diemen inde Acade- 
miën ventileert en onderfoeckt , volkomenlik in de Formulieren 
begrepen is, dat alle dwalingen uyt de felvekonnen wederleyt 
werden , alle verklaringen en uytleggingen van Godts >3roordt, 
oock der prophetien, konncn en moeten getoetft werden : en foo 
foudemen moeten feggen, dat de Formulieren van de felfde 
breette en wytte waren met Gods woort, en dat haar de felfdc 
lof toequam , die de Heylige en van God ingegevenc fchrifien al» 
leen toekomt, dxt Jy ons konnen wjs maken ter zjtligheyt, <yc. 
2. Tim. 3.15. 

Maar inde Formulieren van Eenigheyt, fijndegemeynlik korte 
en bondige fchriften, en is niet alles begrepen wat, van tyt tot tyt 
inden Scholen kan geventileert en ondcrfocht worden , en is niet 
mogelick dat ,fulcx in fulcken korten fchriften foude konncn ge- 
fcieden. Want ly fijningeftelt na degelegcntheidt vande tydcn, 
inde welcke fy gcmaacktfijn, en mecft tegen de dwalingen die 
doe in fwangh gingen , en daerdcKercke in die tyt meelt mede 
te ftryden , en van te lijden had. De Confejfie meeft tegen 't Paus- 
dom : de Catechifmtn tegen de Papiltcn, en tegen de Ubiqiiitaire 
Luihcrfchen, als oock tegen de Wedcrdoopers : de Dortlchc 
Canones ecnlick tegen de Remonftranten , en vryc wil Dryvers. 
Nugelijck, als doe de Qusftien over de Przdeftinatic ende vi ven 
wille noch niet foo fcer bekent waren, endeKcrcke geen intc- 
rell daer by leed, het by de Confeffie en de Catechijmiu haddc 

A J _ koi>- 



6 Abrahami Heidani 

konnen verblijven : alfoo wanneer de Remonftranten die heb* 
ben op de bane gebracht , endoordefelve de ruftc der Kercken 
getroubleert , is noodich en ractfaem gevonden over de felvc 
decifietedoen in een Nationale Synode, en alfoo dit derde For- 
mulier te voegen by detweeeerfte. Onfe Formulieren dan fijn 
Formulieren vande Gereformeerde Kercken in Vereenichdc 
Nedcrlant , alleen de Leden derfelvcr, voornamclick deDie- 
naeren des Woorts , en Leeracrs inde Hooge Scholen tot onder- 
houdinge derfelver verbindende. Dieoock nicmant gehouden 
is te onderteyckenen , als diefe bevonden hebbende den H. 
"Woorde Gods conform te fijn , en lich acngcport en bequaem 
vindende om die Kercken dienftte doen, lich daer mede ver- 
plicht om niet te leeren, dat tegen dclecre van die Formulieren 
ftrijdichis. Maar daer is groot onderfcheyt daer in, dat yet niet 
gevonden wert inde Formulieren , of dat het met de fclve ftrijt. 
Want om dat fy niet alles begrijpen,kan gebeuren, dat yet inde 
felve niet gevonden wort, en evenwel niet ftrijdich tegen dc 
felve zy. Maar met de H.Schriftuire heeft ''et een ander gelcgent- 
heyt. Al wat inde Schriftuire niet gevonden wort , moet niet als 
een Thcologifche wacrheyt , veel min als een geloots poind aan- 
genomen, maar verworpen worden , om dat fy in allen deelen 
volmaeckt is, die niet alleen den eenvoudigen maer oock dc 
gelcerfte Theologanten kan tot Difcipulen maken, Macr'tlelvc 
ran den Formulieren te feggen , ware de felve al te hooch ftellen, 
ende den woordc Godes ten naeften by gelijck maeckcn , tegen 
't gene onfe Confejjle , artic. 7. ons daer van bericht. 

Hier mede wert den Prc/rj/ir^w, jacoock d^n Predikante» cc^ 
nen nieuwen arbeyt geborenen gcvergt: die tot noch toe gc- 
meint hebben te konnen volftaen, wanneer fy fullendc haere LeC» 
fen en Predikatiën doen , haar verfekeren konden , dat harcf ge- 
dachten cn produdien des Gecfts of inde Schriftuere gevonden 
vvierden,of met dc felve niet flrijdig waren, {onder dat fy mcnich- 
maal aen de Formulieren gcdagt hadden. Nu fchijntmen te willcr, 
datmen oock reflexicfal nemen op de Formulieren , om nae dc 
fefve fijne gedachten in 't lefen en fchrijven te richten. 

't \^elck hoewel het gefchicdcn mach , en oock in fekere voor- 
vallen dienÜigh is dat het gefchiede , lbo ift ten meerendcclc niet 

noo- 



CONSIDRRATIEN. 7 

noodigh , maarfelfsovcrtolHch. Want fclfs daar mede dat vet 
ovcr-ecn-komt met Gods H, Woort, wcrt geprsefupponecrt, dat 
het oock over-een-komt met de Formulieren. Want dcNj^ijle die 
van ons aangenomen fijn als conform den woorde Gods , mogen 
wy vaflelijckbefluyten, dat onfe gedachten overeen-komende in 
eenderde, ^t wtlckis Gods Woort, oock ovrer-een-komen met 
malkanderen, dat is, onfe gedachten met de Formulieren j ver- 
ftaat in ''t gene wy inde felve vinden. Anderfïïnts wat falmen ma- 
ken met al de fyjicmata TheologU , die van foo vele geleerde Theth- 
loganttn gefchreven zijn , inde welcke vcrfchcydene faken gelecrt 
worden, die inde Formulieren van Eenighcyt alfoo niette vin- 
den zijn? waar over nochtans in allen fonder eenigh 
tegen - fprcken Collegia gehouden werden , en die dc Studenten 
moeten weten, fullenfe van den Claffcn bequaam geoordeeldt 
worden , om Gods Woort voor dc Gemeintc uyt te leggen , en 
tot den Kercken-dienft gevoordert te \s?^orden. Wat foude dit 
cenen korten en compendieufen wegh zijn, om fonder veel moei- 
te en arbeit , een jonge Student tot een volmaackt Theologant in 
een korten floot van tyt tebequamen, indien hy anders niet en 
behoeft te weten (immers daar mede volftaan kan) als 't gene in- 
de Formulieren van Eenigheyt te vinden is? » 

Maar daar fchijnt wat te fchuylen in ''t>K^oordeken dat 
daar by gedaan wort. Even eens als oft wel yet inde Formulieren 
konde gevonden worden, doch niet Alfoo , of op fulcken wijfe, 
als fommige willen , dat daar in moet gevonden worden. Wat 
mach dit zijn ? w illen fy dat alle Theologifche waarheidt met foo 
. veel vf^oorden inde felvc moet gevonden worden? maar dat is 
onmogelick, en impradlicabel. Maarwatdan, als een fake niet 
foo feer na dc woorden , als na den fin ergens in gevonden w^ort, 
of door een nootfakelickgevolgh daar uyt gchaalt wort, kanmen 
dan in dien gevalle niet Teggen^ dat de fake daar in gevonden 
wert ? of foude dit (Alfoo) w el die mevninge hebben, dac niet en 
moeüe gcleert worden, ofte ""t moeftc na het oordeel en den fin, 
die Eenige voor hebben,en die fy gccrne als een nieuwe Traditive- 
inde Kcrcken fouden invoeren, inde Formulieren gevonden wer- 
den? Doch wat dit voor een fchepfcl is, of wat gedaante en for- 
me het felve metter tyt foude konncn krygen> kannen wy noch 

53 iet 



8 Abrahami Heidani 

niet wel giffen , cii daarom oock niet van oordeclcn. 

Wat de twedc reden zcngiet ymm: dat de voorfz.- imjitate Jtellm^ 
gen en Exprejfien niet Jijn van dat gewichtey dat doordefelve meer als 
vo9rhenen de leereder faligheyt gevoordert foude worden: daar op 
hebben wy, allccnlick dit in 't korte aan te mercken. Voor cerlt; 
dat het gene hier gefcgt wert van inujitate jieüingenen Exprejfien^ 
niet wel en kan op de principaelftc vcrfchillcn die tuflchcn de 
Broeders gecontrovcrteert werden, gepaft werden. Want die 
meeft met de ey gen woorden vandc Schrifture gcconcipicert fijn. 
Als by exempel, die bekende woorden, die (elfs inden mont van- 
den gemeynenman verftorvcn zijn, ce^sw^enTroftiTT^, cn daerde 
cerfte en voornaemfte Quaeftic medegefignaleertis, fijninimcrs 
de eygenc woorden vande Schrifture : oi foude welde Schrifturc 
felfs ons inufitaet geworden zijn ? En dewyle het voornamelick 
aenkomtop de uyclegginge van eenigcSchriftuur-pIaatfen , foo 
cn konnendaer de ujitatt Exprejfien inde Scholen gebruyckelick, 
niet wel plaatfc hebben. Dat de Hellingen met fulcke ongcwoonc 
cxprcffien te voorfchijn komen, is de fchult van die gene die het 
belieft heeft die aHoo te vertoonen. 
^xi^ tju^^ Daar wert gefegt, dat fy niet meer als veorhenen de leere derfalig-^ 
hejt voorderen fouden. Soo dat niet gcloochent wert,dat fy de leere 
der faligheyt fouden eeniger maten voorderlick zijn , maerniet 
meer als voorhenen. Maar of fy fijn conform den woorde Gods, 
of niet. Soo niet , foo cn zijn fy de leere der faligheyt niet voor- 
dcrlick, maer hinderlick- Soo jaeen konnenfyde leere der fa- 
ligheyt niet als voorderlick zijn. 

Want de leere der faligheyt wort bevoordert door aPtgeen 
datmenuyt de Schrifture leert: want die tot dien eyndc gegeven 
\s datfe ons wjsmake tot faligheyt. 2. Tim. ^ 15. En loo is dan niet 
te twijftelen , of al het gene wat daer in geleert wert , is dienftigh 
tot dc faligheyt der menfchen. Ja dacr is niet foo geringh , dat 
de H. Geelt verweeright heeft ons inde H. Schrift mede te dey- 
len, of 'tis de pijnc weert, datmen met fijn gantfch verftant, 
daar op valle , om 't wel te vaten cn begrypcn. Daar isdickwils 
een emphafts cn kracht in cenwoort, daar wy te vooren niet op 
gelet en hadden, en daar is hier cn daar een reden , ftaandéals in 
een verborgen hoeckgen, daar een groot gewichte in ftecckt: 



CONSIDERATIES. 9 

de keerne daar uyt te halen , en den verborgen fin des Geefts daar 
uyt te voorfchyn doen komen , is voorvvaer de leere derfaliglieyt 
niet allen feer bevorderen. 

En wie weet, of niet Godt naa fijne verborgene wysheyt defe 
diffenfien tuflchen de Broederen gehcnght, en voor een tijdt laat 
toenemen , op dat veler gedachten openbaar werden, en die oprecht onder . 
ons :^^>i, bcksnt worden : en dat alfoo de kennijfe toeneme en vermentch-- 
vuldtcht werde^ Dan. 12: ^. 

En of wel de verworpene pofitien, fooalsfy hier werden ter 
neder geftelt , als voornamelijck de vijfeerftc genomen in dien lin, 
diede accufatcurs haar opdichten , niet dienftich en zijn om de 
leere der faligheyt te voorderen ; als zijnde rechte Socintaenfcke 
gronden y t'eenemaal van de fuyverheyt der Chriftelijcke Religie 
afwyckende : foo fal nochtans bevonden werden , dat het geene 
gelcert werdt van een meerder en overvloediger genade en toedie- 
ninge van krachtiger middelen tot de fclve door her Evangelium, 
en van de felve de gewenfchte effcden en vruchten afvloeycnde, 
die den gelovigen onder het Nieuwe Teftament, boven de Vade- 
ren in het Oude Teftament fijn gegunten gefchoncken , wel dege- 
lijck bevonden werden dienftich te zijn tot de bevorderinge van de 
Leere der faligheyt en Godtfaligheyt. Want wat kan een Gelovige 
des N. Tertamcnts, verftaande wat een ^roör^p/z^kj'f hem door 
Jefam Chriftum is toegebracht , en dat hem boven den Vaderen 
des Ouden TQ^}:m^Qnts gegeven is te verjiaan de verhorgenthedenvan 
het Rijoke der HemeUn , meer bewegen tot onderfoeck der Schriften 
der Prophcten en A poftelen, meer aan porren tot ware danckbaar- 
heyt, blydcfchapinGodtï en tot eenen Geeftelijcken roem aan- 
moedigenden beter aanprickelen tot een nederige gehoorfaemhey t, 
en meer helpen tot opv/eckinge van geloof, hoopc en liefde, en alle 
goeie wercken, als even dit, dat hy fijn voorrecht vérftaat,en meer 
ontfingcn heeft, als voorlienen de Joden ? Waarom oock de Apo- 
ftelen hier van dickwils een argument nemen , om de Chriftencn 
tot haren plicht te vermanen. Siet Rom. 6: 15 , 16. enijiji. en 
15:4. eni6:25>25. 1 Corinth. t: 25, 24. en 5 -.7, 8. 2 Coriiuh. 



7:8,i8. en 4:0. en 5: 17. en6:i>2. Galat. 4: 4, 5, 5, 7. en j: 
1. 18. enótió. Ephef. i: i8j 19 , 20. cniwi.i^. en 5:9. Col. 
cn 2; io> 1 ii 2 Timoth. 4: 10. Heb. 2, j. 1 Pcc.i: 5. 

B eu 



1:27. 



Eorly European Books, Copyright © 201 1 ProQuesf LLC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, 

445 C 19 [1] 



,o ABRAHAMI HEIDANI 

cn4:i,2. ChriftusfclvcMatth. 15: i5, 17. Ltic. 10: 25. 't Sel- 

ve füude men oock in dc andere ftucken konnen vcrtoonc n, indien 
vvy ons niet de kortheyt moiften bevlytigen. Alleen ditn^.oetcn 
wy noch daar by vocgen> dat oock felfs dekenrifle, die vvy halen 
uyt het licht der Natuyre> van Godt , van de natuyre der ziele ende 
dvs lichaems , Cccr dienftich is tot bevoordLringe van de lecre der 
faligheyt. Gelijck de Theologanten door dagelijckfche onder- 
vindint^egewaer worden in vcifcheydene Qutftien tegen de So- 
cinianen , Papiften , Lutheranen , en andere, 't Wclcke vvy in het 
bre^ide foudcn a nivvyfcn , indien het hier plaetfe gaf, en niet elders 
^efchiet ware. 

Nu volght haere Ed. Aclitb. Sententie en uytfprake die 't haar • 
r^elicftheeltt te doen over de volgende tvvintigh poiitien, als oock. 
ovcrde Metaphjficam vand'Heer desCartesy verbiedende welex- 
prefl'. lijck, dat dcfelve in d: Acadmieyt [y publice V f)' pnvattm , ofte tn 
eenige nuniere , directelijckoftndirecteUjckgeleert jgedifputecrt ^gejchre- 
ven en verhandelt fulUn uwrden. Op pene-, dat die ficb Iner tegens juUen ko- 
men te vergrepen , 't fy tn 't public kof te Shder de handt , fuilen als weder- 
hoonde, en fcbadclijcke Ledenen Leeraers van de Vmverfteyty vanbaerf, 
ampten en bedieningen iverdengedeporteert. 

Hier werdén die tvvintigh politien , a!s khadelijcke nieuwighe- 
den en leeringen , en die geene diefe eenigermatcn in de Academie 
fou Jen voortbrengen en verhandelen , als wederhoorige , en fcha- 
delijcke Leeraars verklacrt , ende als fodanigemetdreyginge van 
deportement geftraft. 

Ongetwijffelt fteunt dit oordeel op die twee gronden , die vvy 
nu even hebben ter proeve gcftelt. Of nu den H. ri. Curateuren 
fulcken authoriteyt en macht toekomt , oni fulcken decifie over 
Theologifche pofitien , en die foo wel Kerckelijcke Perfonen , als 
Leden van de Academie raecken, en beyderzijdts geventileert ea 
gedifputeert werden , en willen wy tegenwoordigh niet onderne- 
men te onderfoccken. Haere Ed. Achtb. fullen felfs beft weten , 
wat charader fy in defen hebben , en van wien ontRingen. Alleen, 
onfes wetens , is fulcx voor defen van de voorgaande H. H. Cura- 
teuren in diergelijcken voorvallen noyt ondernomen nochtege- 
praólifeert. 

Dit weten wy, dat in den Jaere 1614. van de Edele Grootr 

Mo- 



CONSIDERATIES ri 

Mogen Jc Heeren S:atcn van Hollanten Well-Frieflant een 1?^- 
foluttetot den vrede der Kercken is uitgegeven , ter occafie vun 
die veele tiviji^n en oneemgbeden inde Kcrclien defer Landen veroor^ 
fueckt over die verfcheyden uytleggingen van eemge plaecfen der H. 
Sclmftuun , Jprekende van Godts eeun-ige prddejhnatie. in de u^vlckje 
{y , gelijck iy fpreken , gebrujck^nde die aictoïiteyt , diehaeruls 
wettelijili; Hooge Overighep nae Godcs H. IFoorl , en het exempd 
van de Koningen , Vrlncen en Repiiblicquen , ü competeerende , ordon^ 
neren , hoe en op ivat wyje fy u^iUen , dal die voorfz». iiytUggingen 
hijderfijis van allen Pndikanten [uilen gedaen worden. Voorfchry- 
vende beyde partijen fekere exprellijn , nae de welcke fy haar lau- 
den inoecen confjrmeren. 

Soo hebben doe ter tijt de H. Staten , in de quaUteyt a!s 
zijnde de Hooge Overigheit des Lan:s , over dat gewichtige ver- 
fchil , doe ter tijdt tulTchen den Renionftranten en CoiUra- 
Remonrtranten iiKt groote hevighcyt g.'dreven , (te weten , of de 
genade of 's menfchen vryen wiile , in 't wercken der faligheyt , <]e 
voortocht mojfle hebben , gene den wille , defe de genade den 
uytflach toefchrijven Je ) geheven te oordeelen , en Je meer in fa- 
veur van dVene als d'andcr fijde , de lürfprake te doen. 

Enfeker , indien falcken macht, ontrent Kerckelickc verfchll- 
lenen Religions faken , uit de politie oorfpronckelick heikoiut , 
kan niet ontkent worden > of dit Regad , alleen de Hooge 

Overigheic co npeterende. Oock en hebbende Remonftranren 
die doe ter tijt i door den weereltlijcken arm, die fy aen harelijde 
hadden , hare fake meinden te boven te komen , defe macht en 
auv5loriteit iii niemant aniers erkent , als in de Souveraine Hooge 
Overigheit. Hoe dit werck nu doe ter tijt van den Kercken , ende 
Dienaeren der Kercken en ProfeiForen der Hooge Scholen , is 
aangemerckt en opgenomen worden ; en hoe dat alle Rechtlin- 
nige lich met alle kracht en yver tegen de(e Refolucie , cn de 
macht die fich de üverig'ieit yi de felve aan.iiatigde , om van den 
fin en uytlegginge der H. I^cnrifcuere peremtoirlijck te oordeelen, 
cn haar goet vinden den Dienaren derKeicke voor te fchryven, 
is we.ek-kandigii ^ en ko men de Scnriiten beydcrfijts , pro & 
(ontra daar over vervviilelt > overvloedigh gctuigenille geven. 
Dit was wederom ccnen nieuwen en fjrgelijckea '1 wilt- appel 

B i inde 



11 ABRAHAMI HEIDANI 

in Je Kerckc gcfmeten , en die als den feilen Remonftrantfchen ar* 
tyckel , komende tot die fameufe vijf artyckelen , is opgeromen en 
oehouden crevvorden. En het ware wel te wenfchen, dat dcfe occa- 
fie niet en ware voor gevallen, om defe Qua^ftie , die foo ketclach- 
tichis,en vanfommigequaetwilligegeeften foo gratich werdt op- 
genomen, om eenige Politiquen daar mede te troetelen,en de Kc re- 
ken by den fclven verdacht tc maecken^ weder te vernieuvven,cn te 
berde te brengen. 

Soo veele ons daar van bekendt is , is dat de Kercke , of Kercke- 
lijcke pcrfoonen noyt bcdifputeert geworden , dac haar niet en fou- 
dc toekomen te oordeelen wat de Leeere der Kercke is, en wat 
Leere met de Formalieren der Kercken over- een- komt , of met de 
felveftrydichis : dewyie nicmant dit beter weten kan, en geen an- 
dere daar toe bevoecht zijn, als ditfe met rypen rade endc Synodale 
refülutie hebben ingeftelt en aangenomen. Gelijck hetdanoock 
voornamelijck de Hooge Overigheden toekomt te oordeelen, 
welcke daar fy de Religie van ftaat , die fy aangenomen en geaudo- 
rifeert hebben, en willen dat piiblicquelijck in hare Landen , Kerc- 
ken en Schooien geleert , en gepredickt, (alle andere Religiën en 
Seólcn en Leeringen daar buy ten geflooten ) fal worden. Gerefol- 
veert die te hanthaven,en als Voetfters der Kercke op te queecken, 
en forge tc dragen , dat die in hare fuyverheyt mach werden be- 
waert, en dat tot publicque oeffeninge der felver bequameperfo- 
nen om die teleeren , werden aengefockt en onderhouden , en be- 
quame plaatfen en tijden werden ingeruymt en beraemt , op dat al- 
les met goede ordre en ftichtingc toegae. Als dan Qua^ftie voor- 
valt over eenige ftellingen en pofitien, of die met de Formulieren 
derKercken over-een-komen, of tegen de felve ftrydich zijn,fchynt 
het vry wat vreemts , dat , fonder datmcn hier over met den Kerc- 
ken- Dienaren en Profeflbren in eenich gefpreck gekomen is > ofte 
haar oordeel gevraecht is,en eenige raats- pleginge met de felve ge- 
houden, de Heeren Politicquen , affonderlijck van den Ecclefiafti- 
quen, haar dit oordeel aanmatigen, en gaan determineren , dat fulc- 
keen fuicke (tellingen, ( eermen feeckerlijck weet , of fy in natuyre. 
en wefen zijn , engetrouwelijckof niet geallcgeert} cnuytleggin- 
fren der Schrifture, in de Formulieren niet gevonden, niet voci der- 
Uick tot de leere der falighey t zijn. 

Dit 



Early European Books, Copyright© 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by coortesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 [1] 



CONSIDERATIE N. jj 

Dit vertrouwen wy dat alle vrome en vredelievende herten wel 
wenfchten, dat foo gefchiet ware en voorgegaan , op dat een yeder 
in fijn refpcót hadde mogen bewaart zijn , en niemandts recht ver- 
kort: en Mofes en Aaronin goede eenparigheyt en vrede, elck be- 
houdens 't fyne, gemainteneert. 

Nukeeren wy ons tot het onderfoeck van die twintich pofitien, 
die hier foo fcherp verboden werden, 't Welcke wy voor 't tegen- 
woordige alleen in genere doenfullen, dewyle wy de byfondere 
toetfe van een yeder der fclver, affonderlijck van defe Confidera- 
tien te geven, raatfamer geacht hebben. 

Voor eerft dan, achten wy 't voor een periculeufe en bedriege- 
lijckc maniere van doen> als het niet in oprechtigheyt gefchiet , uyr 
andere Lieden fchriften Extraden te maecken, en 't geene men uy t 
de felve tot nadeel van yemant, die men verdacht focckt te maec- 
ken. even oftfyneygen gevoelen was 5 eenlijck te excerperen, en 
'tfelve dien op te dichten. Want wy en meynen niet gehouden te 
zijn, om al't geene d'een of ander Orthodox Leeraars , hyfydan 
wie hy wil, LHtljeruSyCalvinu$^Bez.ay Coccejm^ Sec. oyt en oyt gefchre- 
ven hebben, 't onfe te moeten maecken of verdedigen : wy fyn vrye 
Lieden, die waerheyt en vryheyt bentinnen, vrienden van Calvinus 
en Coccejus, maar noch meer van de waarheyt , die wy Waar wy-fe 
oock vinden, geerne tot ons nemen, en herbergen ; als die profeflic 
maecken van in defen niet anders te kennen als het Woordt Godts, 
aen 't welcke alleen wy ons in allen geerne onderwerpen, 

Bchalven dat in defe illiberale maniere van handelen, voorna- 
melijckals dairprejudicien en paffien onder loopen, gelijckme- 
nichmael gefchicdt, men veel tijdts niet den Authcur felve, maer de 
partye hoort fpreccken. Gelijck wanneer de woorden of niet 
trouvvelijck worden geciteert , in al haar verbandt en ki-acht , maar 
verminckt en verkreupelt, of van het gecnc voor gaat of volght, af- 
gefncden , oock meenichmaal de plaatfe niet aangevvefen waar 
yette vinden is , en andere plaatfcn , daar ly netter en met meer 
omftandigheden van de felve faccke fprecckcn,voor by gegaan. En 
fo ilt met defe twintich politien gelegen , die of noyt van yemandt, 
onfes wetens, in de Academie alhier geleert zijn , of niet in dien fm, 
inde welcke onfe tegen-paitycn , door welcke fy in handen van 
de Heercn Curatcuren en Borgemeefteren gekomen zijn , de felve 

B 3 ttemen 



14 ^ ABRAK AMI HEID ANI 

nemen en uitleggen. Opfulcken voet hecftnien onfe Zalichmaec- 
ker Chriftus fdvc voor den Gceftelicken raet bcfchuldight , dat hy 
gefei^ht foude hebben : Ichkj^iden Tempel Gödts aj-breecken , en 
Ui dne dagen weder op timmeren : daar Chnilus met dit fcggcn j niet 
€nfprack van den Steenen Tempel te Jerufalem , n.aarvanden 
Tempel fijns Lichaems. Joh. 2: 19. 21. Soo foudcn occk de fnoot- 
fte dwalingen uyt de ri. Schrift konnen beveltight worden , gelijck 
eertijts van Cé'/jjfi , Vorpbpmsen lulumts gefchictis , en noch he- 
dcnsdaegs van ketteren gepleeght werdt , die cm dat Chriflus 
feght , de Hejltge Gee^i wA'S noch met , terwjl Chrijlus nochnitt was 
verbeerlickj ]ohan 7: 39. befluyten, dat voor de Hemelyaart Chri- 
fti geen Heylige Geelt gtvvceft ware j of altoos de geloo\ ige des^ 
O. Teft. geen Geeft altoos gehad hadden. Ofte om dat hy ^ght^ 
de Vader is meerder djLH JfiE;^ Johan. i^: ib. by dan defclfde Godtheit 
niet en hadde met den Vader. 

Dit is het rcghte ambagt van de.hedcnsdaegfche JcfuitePjvan de 
welcke men wondere dingen fouden konnen verhalen , aangaande 
de ontrouvvigheit van hare extraótcn. Een fal genoegh fijn voor 
honderden. Hebben niet Suarez^en Moltria de fei.tentieen eygen 
woorden van ?eUgtm derven uy tgeven,als ofte het de eigene vt^oor- 
den van Augttflnm felfs waren ? foo foudemen Augnflinum alfoo Pe- 
lagiaens konnen vertoonen als Pdugium felve ! Wat abfurditeiten , 
dwalingen enketteryen en fijn dien grooten Erafmo , dat heldere 
licht der Gelecrtheit,inde vorige eeuwe vande Soi bonne tot Parysj 
en de Univerfiteit tot Loven , en voorts van allerlcy gedrocht van 
Monicken niet au-jgcftredenen telaftegcleyt , en door ontrouwe 
Extraélen uyt fijne wercken aangeverchtr" Die hy met fijne geleer- 
de penne > aló een roox:k voor de windt , en als een was voor *t vyer 
heett doen verdwynen en verfmehen. 

Dien grooten Luthertu , dat gefegent Tnflrument van Refor- 
matie , heeft hy niet al 't ftlve mo. ten uitltaan ? en wie van onfc 
eerftc Helden is hier van vry geweeft ? 

Doch wy moeten noch een eenigh Exempel hierby voegen f 
omdat het foo wel op *t tegenwoordige Avijmt , dat een hy het 
ander niet gelijcker wefen kan. Dcfe isonfen loh-Calvinus , die 
Coïom vandc Reformatie , en die haar de uyterfte glans cnluyi; 

ftcr 



CONSIDERATIE N. ,5 
fter heeft gegeven j is hem niet al't fclvc van't Paufdom weder- 
varen ? Daar wy ons foo feer niet over verwonderen , als dat 
cock de Lutherfche, en ondc^r de fclve feeckeren Hunmus^ het fcl- 
ve hebben bcrtaen : u) tgevende tegen hem een lafterhjck Boeck, 
met den Titul Calviutu ïucIuIjlaus : In 't vVclckc , niet tegen- 
ftaande hy in fijne IniHtutien , en doorgans in alle fijne and-re 
Schriften foo duydelijckcn krachtighhet xMyfterie der H. Dry- 
cenigheit, ende dece^vige Godtheic Jefu Chrifti heeft verklaart, 
gedenionftrecrt en ontwickJt , als oyt eenigh Leeraar geJaan 
heeft : Sy nochtans (ijn perfoon , van wegen die plaatftn , han- 
delende nac haare nieininge van dat myfterie , en de Godtheit 
Chrifti, die Calvinus oordeelde, ot niet ter faecke te dienen , of die 
niet foo bondigh te denionftreren , dermaten hebben doorgcflre- 
ken 5 gelaftert en vergLiyft , alsof hy t'eereniaal Joodts ware ge- 
worden , en tot den ^A ititrninarifen Ketteren overgegaan , of ten 
minflen met haar coIludeerJe. Welck ongclijck , dien grooten 
Leeraar aengedaen , foo klaarlijck van D. Par^o de Wecrelt is 
vertoont , ente fchandegemaackt, dat fy met die wiji:e van doen 
by allen oprechten niet anders als een eeuwige fchande gewonnen 
hebben. 

Hier moet oock gelet worden op een verkeert konsgen, het 
welck dcfe Lieden in het extraheren van defe pofitien, gebruyc- 
ken. Het geene men met defe pofitien voor heeft en is niet nieu , 
nueerft: verfch gefmeet , maer een goeden rijdt herwaarts tulTchen 
den Predikanten fro & contra gevamleert en beJifputecrt. Daar 
en is niet door forme van Extractengeprcduccert y en geobjicieert of 
het is dadelijck beantwoordt. Echter komen fy teickens weder 
met de felve Extracten en Objedien , even of Jaar noyt yet op ge- 
feght waere geweeft , en fy de eerf.e waercn , die de feive voor den 
da^h brochten. Een recht middel , om fyne partiiye geduyi ich het 
mes in den buyck te houden, dc Qua^ltien eeuwign te maecken, 
en den gemeynen man die opinie in te drucken , dat dit waarlijck 
ons £je voelen is. En waarlijck > het is yet verwondt rens waerdich, 
dat daarop alle dcfe en diergelijckc Excerpten ioo meenichmaal 
en foo bondich is geantwoordt, en de faecke genoechfaem voldon- 
gen en uytgedifputeert, gelijck uytde Schriften wederzijdts daar 
over uyrgegeven, klaarlijck kan blijckea : wy r-ochtans niet en . 

kon,^ 



%6 ABRAHAMI HEIDANI 

konnen fien noch gelooven , dat hare £d. Achtb. eens de moeyte 
genomen hebben , om die fchriften nae te fien , gelijck wel hadde 
bchooren tegefchieden , om recht van alles te konnen oordee- 
len. \Vy verfekcren ons , datby aldien dit fonder eenfijdigheyt 
gefchiet ware , vvy of niet fulcken , of ten minften een favorabeldcr 
oordeel foudcn pcficn hebben. 

Maer met meerder recht hebben wy ons te beklagen , dat daar 
vvy hier befchuldigt worden defe pohtienin de Univerfiteyt ge- 
ventilcerc te hebben , wy niet eens de eere hebben mogen genie- 
ten , om by hare Ed. Achtb. over defe faecken gehoort te worden. 
Daeronfepartye , van wie ongetwyffelt defe Extraden den ££• 
Heeren Curateuren fijn ter handen geftelt , naar alle apparentie 
is gehoort ghcwceft. Ift dan genoech befchuldight te werden ? cn 
moeten wy gelooven , dat dit onfe eygcne pofitien zijn , van ons 
bedacht endegcdoceert , om dat ons die in dit Decreet werden te 
laftgeleyten opgeftreden ? wie hoorde yet ongerijmtders ? het 
gaat ons indefeneven gelijck onlangs in Vranckrijck en Brabant 
den Jatijfenifien is gebeurt. Defe als haar gevoelen , 't welck 
fy fuflineerden heteygene gevoelen van den Outvader ^ugup^ 
nus te zijn , te Roomen was gebracht , om van den Paus en Cardi- 
nalen geexamineert te worden , cn daer op een Condemnatie was 
gevolght , begrepen in die vijf fameufe articulen , gefeght geextra- 
heert te fijn uyt de boccken van Janflcnius ; Soo iit gebeurt , dat de 
Janflenifien defe fententie ontfargcn hebbende , klaar uyt ontken- 
den , dat die 5. Articulen by Janflenium te vinden waren , haar be- 
roepende ad^anam Itbri , en geerne te willen de fententie pareren , 
by aldien haar dat konde getoont worden, t* Welck niet konnen- 
de gefchieden , alfoo fy in Janflenio niet te vinden waren , en der- 
halven de Jekiiccn , die de aenklagers en befchuldigers waren ge- 
weefl: , hier feer verlegen ftonden , en evenwel des Paus autori- 
teit moefte gcmainteneert fijn : foo hceftmen beleeft, dat in ,t Col- 
legieder Jcfuiten, ineenpublique Difpuyt , is gedefendeert defe 
1he[\$ ; Dat de Paus niet alleen infallibel was in rebus quxjus fpe- 
clarit j \i^2Lcroockin rebus facit. Soo dat de Paus niet alleeii macht 
heeft , omeenleere vooreen ketteiye te verklaren en te veroor- 
deelen , maer oock om yemant op te Itryden , dat hy een ketter is , 
enfuickeketteryevoet. 't Wdckfelfsin 't Pausdom voor fuJcken 

nieu- 



C O N S I D E R A T I E N. 17 

mcuwigheyt is gehouden , dat fig de Soi bonne met alle kracht daet 
tegen gekant heeft. Dit alles niet tegenftacnde, hebben de Janlie- 
nilten haer proces verloren , en hebben fich moeten onderwerpen, 
(den Koningh en Parlament (ich voegende by de uytfprake geko- 
men van Roomen) den tijt dienen , en Ikh voor die ti)t Itil houden > 
tot dat eens de waerheyt weder uyt den grave fal verryfcn.Maer wy 
beloven ons van hare Ed. Achtb.bttere din^en,en metequitabelder 
gedachten gemenght , en die meer met een rechtveerdith ooi deel 
accorderen ; en dat ons niet en fal te laflc geleyc worden , en als een 
fchadelijcke leeringe opgeleyt , daer wy ge.nc gem/ynlchap acn 
hebben, en wy niet over gehoortz^ja , ja;^ van harren verfocyen. 
Oordeelt oockonfe ipet eenmerifche , ten fy d-it [jlyein eerji^*^hoort /n^fr- 
beyenu^etetPAthy doe ; jryj^eertijrs NicodcniiU , als m:n Cnrirtuai 
onverhoort wilde veroordeelen^Johan. 7: 5 1. Soo fcy Je Ft^j/^^i toc 
den Joden , die Paulum op haer bloot feggcn wilden veroordeelt 
hebben : De Romeinen en hebben de gcmomemet , eenigen *nenfchc 
ten verderve te geven , eer de befchuldtgde de bcfchuLdtgers tegen- 
woordigb heeft , enpUetfe van ver antiPQordinge gekregen beeft tegen 
de befchuldinge. Ad. 25: ió.Sietoock, Exod.zjii. Lev. 2^:15. 
Dcut. 17:4. 8. &c: 

Staet oock wel te letten op die vermengelinge van Theologische 
cn Philofophifche miterien, die hier gemaeckt wordt. Waer ni ons 
een loos ftrategema van onfe partye voorkomt. Die een tijt langh 
hcrwaerts de werelt heeft wille.i wijs maken, dat de Th:ologie van 
D. Coccejiis , endc de Philofophie van d*Heer des Cartes , lulckca 
nauwen verbant en opfight hadden met en tot malkanderen , als of- 
te d cene fyne gintfche Theologie gefchoeit hadde op dc leelt van 
desandcrens Philofophie , ende defe wederom alle hacre khurh- 
heyten vcnyn des anderen Theoligie aengcwreven. Even eens of 
niemant voor een goet Coccejaen konde p ifl'eren , als die 't met 
de Cartefianen hiel : en gecne Philofophie becjuaem om die Theo- 
logie als Dienftmaecht te dienen, als de Carteliaenfche. *c Welcke 
wondere en vreemde inbeeldingen zijn , regelrecht Urydende te- 
gen het oogemerck en meyningheen praitijcke van die Heere*), 
die altijt van oordoel fijn ceweeit , datmen de Theologie en Philor 
fophie , niet d'een op d'anders, maar elck op haar eigen gront moe- 
ite timmeren j de Theologi,: euckclick op 't tuadaiuent van Godts 

C Woordt, 



I 

Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by courlesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 [1] 



ABRAHAMI HEIDANI 
Woordt , de Philofophie alleen op de ghcfonde natuyrlijckc 
reden, fonder dat d\enefich de Jurisdidie over de ander aennam. 
Achtende het feer forgelijck voor de Theologie,de Philofophie als 
Dienft -Maecht in haren dien ft te nemen entehuyren :aHoodefe 
Dicnft-Maegt niet altijt Rennende op rechte gronden , en de u^aar- 
hey t der faecken conform, menichmael ontrouwe di^nrten aen hare 
Vrouwe doet,ja oock wel het meellerfchap aanneemt. Gclijck in *t 
Paufdom is gebleken,alwaar de Peripatettjchti Phüofophte fich fulcken 
meefterfchapoverde Theologie heeft aangenomen , dat fy die door 
haer Rcffianen t eenen^aal heeft venuant, en met een Baltaart Zaat 
gefwangcrt , foo dat fy den name meer van een Theologta Scbolapca^ 
als Scrip[uraria of Chriftuiu dragen kan. 't Weick hier niet te vree- 
fen is,als men de voetftappen van defe twee Heeren wil naevoloen, 
en volgens haar Exempel geen mengelmoes maken van defe twee 
op haar felfs beftaende fcKuIteiten. Niet dat wy hier mede feg- 
gen willen , als ofte de Theologie gantfch geen dienfttrecken 
konde uy t de ware Philofophie , die op rechte gronden gefticht is , 
en met de natuyre en gefonde reden over een komt. Verttatjem 
Phtlofopbia qumt , Tbeologta invenit , Reltgio poljidet. Alhoewel 
dan de Religie de Philofophie niet en behoeft , om dat fy op haar 
felve beftaen kan , en dat de Philofophie foo doende in t* foecken 
van de vvairheyt , noch niet alles gevonden heeft , fooenheeft fy 
tot noch toe haar foo nootfaeckelijck niet konnen maecken aen de 
Theologie : als alleen datter dan een goede unie en verbande 
tuffchen beyde te verhoopen fal zijn , en in \ werck fal konnen 
geftelt werden , wanneer de natuyrlijcke reden door de waarheyt 
geheylight, de geopenbaarde waarheyt te gemoete fal loopcn,cn fy 
malkandercnomhelfenenkuffcn , als beyde Dochters vaneenen 
Godt en Vader der lichten, Soo fouder eene goede vrientfchap 
tulTchen defe beyde konnen getroffen worden , als de waarheyt,die 
d*eene geput hadde uyt de natuyre , bevonden foude worden even 
de felfde te zijn , met died'andere gehaalt hadde uyt de Schrif- 
tuyre , cn reaprocedo: Schriftuyrlijcke waarheyt accordeerde n^et 
die van de natuyre. Daar onfe partyen , die vereeniginge van defe 
Theologie en Philofophie , daarom alleene fchijnen fyfpect te 
hebbjn, om dat geene van beyde die Heeren , hare heerfchfucht 
hebben willen verdragen , omyetsaente nemen uyt enckele au- 

dori- 



CONSIDERATIE N. 19 

ftorlte/t van menfchen , of door een Tradtttve , fonder daar toe 
bevveeghtte zijn door goede reden , ofteuytGodts Woordc , of 
uyt de gefonde reden genomen. 

*t Voornaemfte dat , onfes erachtens , omtrent defe pofitien, 
valt te confidereren , is'cgenewynu feggen fuUen. Dat hoewel 
wy ons gevoelen , daar in wy van onfe Medebroeders difcrepcren , 
verftaan fijnde niet nae de verkeerde duy dingen , met de vvelcke fy • 
hier vertoont werden , maer nae onfe eygen verklaringe , achten 
waerachtigcn fchriftmatig te (ijn,en niet Itrydig net de Formulie- 
ren van Eenigheyt : nochtans die niet en achten van dat gevvichtc 
endienoodtfaeckeHjckheyttezijn, als daar zijn, by exempel, de 
Articulen onfes Algemeynen Chrillefijcken GelooFs : Maar wel 
van fulcken gefchapenthey t , dat vvy ontrent de fel ve verfchillende, 
ofte oock anders gevoelende evenwel malkanderen konnen en be- 
hooren te verdragen tn de liefde. Niet twijfelende , indien vvy alleen 
malkanderen aenmercken tot ontpeckjnge van itejde en goede wet eken , 
en daar wy toegekomen z.ijn , nae den [elven regel wandelen , en hetjdve 
gevoelen , voorts neerjticb z.yn , te bel ouden de eemgbeytdes Gee fis door 
den bandt des vreedes, dat by aldien wy in fulcken cas , oock^a anders 



gevoelen^ ons Godt oock dat Jal openbaren, EpheC^.vers 2, 3. Phil. ^. 
vers 15, 16. Alfoo wy vaftelijck van gevoelen zijn , dat niet foo 
feer het gewichte van het gcene , waar in wy verfchillen , ons in de- 
fe verdeelinge van malkanderen houdt > als gebreck van liefde , die 
ons in een oogenblick konde vereenigen , foo wijfc beydc rzijdts in 
ons opweckten en in het werck ftelden. Dit vereyfcht wat naedcr 
verklaringe. 

Onfe Theologanten hebben altijdt voorfichtelijck onderfchcyc 
ghemaeckttulTchen de Articulen des Algemeynen Geloofs , die- 
men noemt ^rticulos Catholtcos ende die nu-n noen^t Conclufiones 
ofte .Articulos Theologicos. Geene zijn die rot hc t Algcmeyne Chri- 
ftelicke Geloove gehooren, en allen, die falich fullen veerden , ghe- 
weten en gelooft , ter faligheyt noodtfaeckelijck zijn. VVelck ^he»^ 
loove eygentlijck een Chrillen maeckt. Maar de Theolo<'rfche 
Articulen zijn , die dienen tot vermecrderinge van een Theo- 
logifchekennilTe 5 ende eygentlijck een Leeraar oFte Theoloannt 
maecken. Welcke kennifle hcev\el fy in fommige geloovigeoock 
gevonden werdt , nochtans in den uk cften deel orte niet , ofte feer 

^ ^ mate- 



Eorly European Books, Copyright © 201 1 ProQuesf LLC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, 

445 C 19 [1] 



ABRAHAMI HEIDANl 
matelljck , loo is ly echter den geencn die andere Iceren fullen, 
ende Godts Woordt uytleggen , en den tegen-fpreeckeren den 
mondt ftoppen , hoewel de eene meer als de andere , gantfch noot- 
facckelick. De Artikulen des Gheloofs nioeten van een vder 
Chrirten, hy fy Leeraar of Idioot , meteen herten gheloofr , en den 
monJe beleden worden ter faügheyt, en fonder die te weten en 
toe te ftemmen, en met vertrouwen fich die toe te eygenen , kan 
niemandt faligh worden. Doch foo en is het met den anderen niet 
ghi legen , wekkers Oi kunde , ofte over de feK e te tw yflelen, ottc 
oock anders ghevoelen , niet allen van de faligheyt af-houdt. Gee- 
nezijn het fundament des Geloofs en der Zaligheyt, defe werden 
daer op getimmert : of als Goudt , Sil ver j, en KofteHjcke Steenen ; 
ofals Houdt. Hoy en Stoppelen. Dit onderfcheydt niet waer- ge- 
nomen, is t'allcn tijdt bevonden geweeft een Baarmoeder en Voec- 
fter gheweeft te zijn van vcelc verwarringen , dwalingen , n^isver- 
ftandenenfcheuringen inde Kercke Godts. Om welckevoortc 
komen , en niet in gheduyrigen twift te leven , gantfch noodich is> 
datwy malkanderen in veekn verdragen, in welcken wy of door 
fwackheyr, of misverftandt, en ignorantien , die ons altijdt aenkle- 
ven, en in dit leven vergefelfchappcn , komen af te dwalen , en van 
den Broederen verfchillen. Wie ifl'er doch onder ons , die nieten 
gevoelt het geene de Wyfe Man feght , Sapient. 9:1 5* dat het ver- 
derffduk^ lichaam de xjclebefwAxrt , ende de aerdtjche Tabernakel ver- 
jlrojt het veel bedenckende gemoet ? 

Daarom vermaant ons jacobus, dat wy fitet veele Meeprsen 
moeten wefen-i om dat u>y alle m veeUn jiruyckilen^ achtende dat een 
volmaackf Man te 'i^n , dte in den u^oorde meten ftrujtckelt ]:xcoh. j. 
vers 1,2. Ende hoe kan het anders wekn, dewyle wy foo lange 
wy in defen leven zijn, alleen door geloovewandeUn , en mtt door aan^ 
fihouwen 1 Corinth. 5. vers 7. Dat is, wy(\en nu door eenen fptegely 
tn een dujïlcre reden ^ kennende maar tcndeele, enpropheterendeten 
deele^ i Corinth. 13. vers 9, iz. Daarom is onfe kenniÜe hieron- 
volmaecktenmaar ftuckswyfe , dewyle wy noch niet alles kon- 
ncnbegrypen, noch begrepen hebben : Soo dat veele onder ons 
oock dickwils anders gevoelen , als die geene die tot volrpaecktcr 
kenniiïe zijn gekoinen : die nochtans daarom den Apoftel niet wil 
veracht hebben , niet willende dat wy yemandts^^^i/^^^/i^w uytbluf. 

fchcny 



CONSIDERATIE N. n 

fchen fdeprophetienveraciiten ytnMtr alles he f roeven ^ mt^ goede te be- 
hmden^VW\\\^. j. vers ^5, 1 ThelVal. 5. vers 19, 20, 21. tnomde 
pracftijcke daar van te rooncn, vermaenthy Rom. 14. vers i. dat 
vvy den fi^acken in hetgtloovc fuUen aannemen y met tot tmmge t'jamen- 
fpreeciitngen : En iTimotii, 2. vers 24. 25. vercyfcht hy in een 
Diend Knecht 'les Heeren , dat hj/ met en moet ttmïien , maar vrten^ 
didijck^z^ijn tegen alle , bcquaam om te leer en , en dte de quade k^an verdra- 
gen y met facbtmoedtghejft onderu^ijfende degeene dte tegen fiaan. Ende 
moet alfoo niet min in d.n Dienaren des Evange]ii,als in den Koo- 
gc-Pricftr.Tcn onder de Wet, dcfe charaétcr bevonden Worden, 
dat liy beboorlifck mede-lijden kjn hebben met de onwetende en diva- 
lende y overmtdts hj ooc\fclve met fwackhejt omvangen U Hebr. 5. 
vers 2. 

Hiervan hebben vvy een levcndich voorbeeldt in onfèn Saüch- 
maecker Je^'u Chrifto , dien barmhertigcn Over Priefter fyns 
volcks. Want wat voor dwaliiigen, misverftanden, twijlfdii gen, 
en fwackheden en heeft hy in fy ne Apoftelen felve niet overfien en 
verdragen ? inPetro Matth. 16. vers 25. Luc. 22. vers 01. Joh. 21. 
versi<). in fijne Apollelen twijjïclendc aan fijne opftandinge , cn 
foo groflijck dwalende ontrent de natuyrc van fijn Geeltelijck Ko~ 
ninckrijck , en van gelijcken in alle andere die in hem celootden en 
volghden, foo dat hy eensuj^triep : Hoe lange f al tck u verdragen} Al- 
fints heeft hy betoont , dat hy niet gekomen was , om 't gekzoocktc- 
Rtet te verbreeckcn, en het roockcnde Lemmet ujt te blujjchen , Jef. 4 2 : i . 
Maath. 12:2c. 

Defen fachtmoedigen Geeft Chrifti,die hy wil dat men van hem 
leeren faUis oock ovcr-gcr-ertt aan den portelen cn fteed met na- 
men uyt in Paulo. Wat voor dwalingen en gebreecken heeft defe 
nietoverlieninde Gemeynten van Corinthen , Galatien &:c <J die 
allen alles wtïle te werden^ op diit hy immers eemgefonde behouden i Cor, 
9: 1 9. &: c. wiens generale lelie is , dat /rj /« alle fachtmoedtgheyt met 
langhmocdighe^t mdi^anderen verdragen moeten in der liefde : willende 
tt)t dien eynde , dat alle bitterhtj/t en mrmghejt engramfchap en geroep 
tnlaslennge van ons geu^eert x.jf , met alle boosne^t , Ephtf. ^. vers 2. 
en 

Enomonsbieroverdit pwnd watbreederiiyt te breyden , ver- 
kaalt ons niet Paulus felve Galat. 2. hoe dat te Antiochien tuHchen 

C 5 hem 



21 ABRAHAMI HEIDANI 

hem ende Petrum een fvvare contentie gherefen wasjhoemen fich, 
wat den uytterlijcken omnieganck met den Jooden , en die uyt den 
Heydenen geloofden aengaat , voorfichtelijck nae tijdts gelcgent- 
heyt, en om alle fchandael te myden dragen moeft: Petrus fich on- 
treckende het gefelfchap der Heydenen, om der valfche Broederen 
opfpraecke te ontgaan, voeten met reiht dragende '^Vmlus heel an- 
ders. 

Wat een hevige difpuyt is lange daar nae , over dit ft Ifde vverck, 
opgenomen gev»Teft tuiidien de twee Oudt Vaders Buronynm en 
Auguslmm ? Dcfe fuftinerende , dat de tegcnftant van Paulus tegens 
Petrum , heel ernftich en ferieu,^ gefchiet ly , en dat de beftraffinge 
Pauli wel gefondeert en rechtvecrdich was. Daar Hierotiynm dry h> 
dat defe contentie tulTchen de Apoftelen alleen in den (chynjlich 
alleen foo gelatende voor 't volck, en niet inder waerheyt fy gedre- 
ven gheweeft. 'tWelck evenwel de eenigheyt des gelooh en den 
vrede tulfchen haarniet gebroken heeft. Soo iflèr tufl'chcn den fel- 
ven Hieronymum enjohannem Biffchop te Jerufalem vcrfchcy- 
dvMiheyt va'i oordeel over de uytlegginge van vecle l extender 
H. Schriftuyre gevallen , fonder quetiinge van de liefde. Als mede 
tufTchen Cyprianum en Stephanum van wegen den Doop dcrgee- 
ner,dic van den Ketteren gedoopt vv^aren , die Cyprianus voer nul 
en van geendcr weerden hielt,de andere die niet en wilde herdoopt 
hebben. En hoewel de Orthodoxe in veelcn punólen der leer ver- 
Icheelden van den Novatianen : nochtans, om dat fy 't met malkan- 
deren eens waren tegen den Arianen, hebben fy goede Broeder- 
fchap onderhouden. Dcrgelijcke exempelen konnender veele uyt 
de outheyt voortgebracht werden. Maar wy Tullen eenigeweyni- 
ge ftaeltgens van onfe tijden ophalen. Doe die twee ^roote lichten 
Lutherus en Zwinglius,op't begeeren van den Lantgrave van Hef- 
fen, Anno 1 529. te Marpurgh by een geroepen en vcrfcheenen wa- 
ren , om te fien pf fy malkanderen (ouden konnen verftaan over dat 
eenige^ verfchil , aengaende de lichamelijcke tegenwoordigheyt 
Chriftiin*t Avontmael, en fulcx , tot groot nadeel van deEvange- 
lifche Kercken, vruchteloos was afgeloopt n , foo en heeft dat ech- 
ter niet belet , dat fy niet in de refte van de Religions poind^n ver- 
dragen zijn met malkanderen, foo lange, tot dat Godt geven foude, 
dat fy oock in dat eenige poinét malkanderen foudcn verftaan. Maar 

de 



CONSIDERATIE N. 2j 

de fondcn van Duytflant hebben fulcx bekt. Hoe veele dergclijc- 
ke verlchillen fijn tuilchen de Evangelifche en Gereformeeruc Le- 
raars, foo tufichen partyen, als onder malkanderen voorgevallen, in 
Duytflandt,in Vrancknjck, Nederlandt,die even altijdt in der min- 
ne fijn afgedaen , om dar fy beyderzijdts het fundament behielden ? 
En wat fijn anders die Qusclben , diemcn Proilemuta noen;t,enin 
dt n Academiën pro en contra^ fondcr krenckinge der tenigheyt ge- 
ventileert worden f Ln fcudcn wy de Luterlche Kercken , in loo 
veele ftucken van ons verfchillendejwel derven condemneren,daar 
vvy haar foo meenichmaal de handt des Brocderlchaps hebben aan- 
geboden , cm dat v\ y gelooven , dat fy dien niet tegenftaende , in 't 
fundament met ons eens zijn ? 

Jae dat ons nader raeckt ; ift niet foo , dat eer de Quceftien over 
de Pr^rdeftinatie ter dege in trayn waren , die geene die hetleege 
gevoelen over *t objcCt van de Prxdeftinarie voorftonden, qualijck 
voor Rechcfinnige Leeraars mochten pafljren ; alfoo het hocge ge- 
voelen van D. Beza, gaande boven den val , doenmaels t*eenen)ael 
de overhandt hadde : haar nu foo verre gcrechtveerdicht fien,dat fy 
hei leege gevoelen fien aangenomen in den Synodo Nationali van 
Dordrecht? Daar nochtans notoyr is, dat in den Synodo felfs 
D. Gomarus, een voortreflfvlick Lit der felve, niet tegenftaande hy 
*t hooge gevoelen vcordont (gelijck hy tot den eynde iijns levens 
d:iar by geperfifteert heeft)nochtans voor een rechtfinnich Leeraar 
is by den Synodo erkent. Gelijck noch ten hedigen dage verfchey- 
dene Profcflbren en Leeraren , het felve gevoelen houdende , nicc 
tegcnftaande 't felve alfoo in de Canones van Dordrecht niet wert 
gevonden, maar wel het tegendeel, dacr over niet en werden geca- 
lengcert, nochte haar eenige moey te aangedaan. 

En feecker , foo men met fulcke Chi!neric]ue pofitien ons op te 
dichten, niet voor heeft , ons met gewelde , en tegen onfe con- 
fcientie , danck ende wille tot Ketters te verkryren , endengee- 
meynenhaat tot een Sacrificie over te geven, en alfoo de grondt 
te leggen van een droevige fchcuringe , daar wy reets de tujida- 
menten toe fien leggen : waarom dan met (ulcke Üellingen voor 
den dagh ghekonien , die wy of gantfchehjck ontkennen en ver- 
foeyen , ofons valfchelijck en met de hoochfle ontrouwighcyt eii 
fophirterye werden opgedicht , of met verdraeyinge van vvoordea 

toe- 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by coortesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 [IJ 



»4 ABRAHAMI HEIDANI . 

toegemeten : of foo fy wel , en nae onfe eygen meyningc wicrdcn 
retoraiceit , cndc daarnae geoordeelt . wy reden fouden hebben 
te vertrouwen , dat bevonden fuUen werden niet alleen contorra 
te zijn den woorde Godts , maar oock niet te ftrydcn met de f or- 
mulicren vanEenigheyt , endedeLecrc der Zaligheyt enGodt- 
faligheyt niet hinderlijck , maar felfs voordelijck te zijn ? t Hectt 
ons altijteedacht , yci onverdragclijckste lijnindeKercke , dat 
cenige P.tiagogen , op haar eygen credit en auaorueyt fict. die 
meffterfchap d.rvcnasnncmen cn exerceren , om tundamentalc 
articulcn tefmceden , en nae de wyfe , in 't l>ausdom gcbruyc- 
kelijck, te decideren , wat voor kettei ye , of fmaccken.ie nae de Icl- 
ve,tc houden fy , cn degene , die ly met de fdve betichten , tc 
verketteren en verdoemen. 

Hier en moet niet onaengemerckt voorby gegacn werden 
'^^eene rects van anderen is geobferveert , nopende t getal der 
polirien , dat hier uytgediuckt werdt. Want daar hier maar 20. po- 
fitien den Cocccjancn cn Caitefianen t'famen werden te lailc 
celeyt , brengen de Bcrichters van beyden tuflchen de 80. en i^o. 
tcvoorfchyn , cencn Irenafus Philalethius den Coecejanen' alleen 
74. RyflTcnius , die in de MultipHcatie dapper moet ervaren zijn, 
tegcns' d'ecn en d'andcrin't generaal 559. met voorgelen , dat 
hy noch wJ foo veel in fijnen koker behouden heeft. Mare- 
fius heeft D. Witt-chio alleen 553. dwalingen opgedicht. Wat 
eroote verllanden komender niet alle dage te voorlchyn ? of 
die lieden wel yet goets , ofeenige waarheytinde Bocckenvan 
hare partye gevonden hebben ? ofiftfoo, dat fy als de Spinnekop 
alken venyn fuygen uyt het gcene daar de Bye den hoonigh 
uyttreckt ? Watis dit anders als een hayr-kloverye , alleen daar 
toebedacht , om 't gene fy mettct gewichte nieten fouden kén- 
nen ophalen , 't fel vc door dcmcmchtc en 't groot getal tc beko- 
men ? Soo gaet'et , 

Sic (Jux non obfunt fingida , multa nocenu 
W.iar in fy cveleens te werck gaan , als of yemant , die een boj 
pylcn , die vall aan een gebonden onbrekelijck fyn , gingh los ma- 
ken , óm d'een pyl voor en d'andcr naerdaar uyt genomen , tq 
lichter fonder moeyte te breecken. Want alle waarheden fyn aan 
malkanderen verknocht cn valt gebonden datroen die beter bc- 

merC' 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 [11 



CONSIDERATIE N. 25 

mercken en fien kan in haar verbandt , en die relatie en opficht dac 
{y hebben tot malkandcren , als datmenfe van malkanderen af- 
fcheurt , cn afgefchcyden byfonderlijck aanmerckt. In allen ge- 
valle *t is veel Chriftelijcker , de Quarftien te verminderen , en tot 
foo kleyn getal te brengen als mogelijckis , aUlis , de felve te 
verfv^aren cn vermeerderen. Chriltus feyde , die niet te^en onstsy 
is met ons : maer defe lieden feggen , die niet in alles met ons is , 
is tegen ons. OndertuflTchen fien \vy hier in den Politicquen 
meer difcrctie en moderatie , als in den Kerckelijcken , die dat 
groote getal tot kleynder brengende , cn wel van de vinnichfte 
enpartiaalfte pofitien uyt het getal van de hare uytmonfterende , 
ons doen hoopen , dat wy van die kant meer verlichtinge en handt- 
biedinge miflchien te verwachten hebben , als van die door 't 
odtum Theologicum ingenomen wijder af zijn van vreedfame ge-, 
dachten. 

En noch , als wy wel reeckenen , en fijn onder dit getal van 
twintigen ten hoochften hovende S.ofp. Theologifche niet te 
vinden derefte ftaan op reeckeninge van de Philofophen. Daar 
uyt men foude belluyten , foomen alleen op 't getal letten 
dat fy 't meer geladen hebben op de Philofophen , als op dc 
Theologanten ; ofdatnae haar oordeel , foo veelquaats nieten 
fchuyldt onder defe , alsgeene, en, dat fyde dingen, die fy met 
ftilfwygen zijn voorby gegaan , niet en hebben van dat gewichtc 
gehouden , noch foo ketters geoordeelt , als onfe Zeloten doen. 
By welcken veelen dit bevonden werdt , dat 't gene fy heden alleen 
vooreen dvvalinge noteeren , foo fy door den llaap geen beter in- 
val krygen , mergen voor een ketterye verdoemen. 

't Heeft daar-en-boven den E. Achtb. Heeren Curateuren en 
Borgermeefteren belieft boven de boven verhaalde pofitien , te 
profcriberen uyt de Academie de Metaphjfica van Renatus des 
Cartes , dat die noch publicé noch privatim ial werden gedo- 
ceert&c. Vooreerft , wy en weten niet datter een Metaphyfica 
van des Cartes exteert : wel dat hy eenige Meditatioues Metaphy^ 
/if^ heeft gefchreven , in dc welcke hy niet degantkhe Metaphy- 
cam , maar alleen eenige voorname ftucken der felve exan}i^ 
neerten ter proeve ftelt , enapodtcltcè demonfireert: als daar fijn 
voornamelijck defc twee van grooten gevvichte cn gebruyck in dc 

^ gant- 



16 ABRAHAMI HEIDANI 

gantfche Philofophie en Theologie ; namelijck^/^ ExiJlenüdDei^ 
Cr AmmA Hum^n^ k corpere diJlin£lione. Wat dan f Is den wille 
vand'Hecren Curateurcn , dat dcfe twee pundcn , vanfoohoo- 
genbclangh , niet enfullen mogen inonfe Academie publiccof 
privatim geventileert , gedifputeert ofte verhandelt worden f 
Dat ware onder vcrbetcringe de waarheyt felve veelte kort ge- 
daan , en den Theologen en Philofophen eenc vryheyt beno- 
men , die haar voor defen , eer des Cartes bekent was , noytin ee- 
nige Academiën van Europa , oockniet indefeis geweygert ge- 
weeft y en waar van de fupprclïie niet en foude konnen ürecken 
als tot verminderinge van de luyfter van defe Uniyerfiteyt, Of 
willen fy alleen , dat defe pundcn niet en fuUcn mogen beve- 
ftiglit en verklaert worden met de argumenten en demonftratien ^ 
die des Cartes tot dien eynde gebruyckt heeft ? maar wy twiflfe- 
len fcer , of dit op een ander wyfe gefchiedende en met andere 
bewys-redenen , wel foo krachtigh en met fulcken klaarheyt en 
evidentie fal konnen in 't wcrckgeftelt worden : 'twelckwyhet 
oordeel van alle geleerde en doarfiendeverftanden bevelen , om 
ferieufclijck nae te dencken. Want gelijckmen inde Schooien 
van de Modalibiui^lcQch. te feggen , mogen wy hieroock feggen, 
de bUuon gujiabit ^ftms. Hier fien wy dan D. des Cartes nu 
voorde tweedemaal in defe Academie de felve fortuyne loopen , 
dieeertijts o^n^af^/^yindcUniverfiteyt van Parys tot verfcheyde- 
malcn geioopen beeft : gelijckonsde Hiftorie dasir van feer pun- 
(ftuelijckis befchreven ineen feeckerboeck , in den Hage Anno 
ló'^ó. gedruckt , de Varia ^Ariftotelis fortuna in McademiaFari* 
fieuft , auctor e loanne de Lanmy j Theologo Parifienfu In *t welcke 
wyfien , dat Anno 1109.de voornaamfte Boecken van Ariftote- 
les ten vycrc gedoemt zijn > en het lefen der felve verboden. Daar- 
nae Anno 121 5. fijne Dialellica toegelaten , maar fijne Metaphj^ 
fica en Phtlojophia SaturalU verboden. Maar Anno 1566. is hy 
weder wat genadcliker gehandelt , wanneer verfcheyde fijne Bocc-' 
ken te voren geinterdiceert > weder werden toegelaten , doch niet 
alle j tot dat hy anno 1545. doe die contentie tuflchen Petrum 
Eamum , en die van de Sorbonne was opgeheven , en met groote 
hevigheytwiert gedreven , ^rtftoteles wederom op den throonis 
geftelc , en Rmm yeroordeelt. Dit evenwel eenigen tijdt daar 

nae^ 



C O N S I D E R A T I E N. ty 

nac , door faveur van den Cardinaal Carolus Lotharingus , weder 
is in fijne ecre & regU profeftone herftelt , en van fijne condeni- 
natie gerele veert. Inde welckc hy met grooten lof en toeloop 
gepcrfc vereert heeft tot den Jare 1571. als wanneer hy inde 
Moort van Parys in fijn auditorio , daar hy gevlucht was , tot 
groote blafnie van fijne tegen- party ders , die hem den Moorde- 
naars aanw^fen en in handen gaven , fcer deerlick is vcrnioort ge- 
worden. Een klaar bewijs van de ongeftadigheyt en onfeeckcrheyt 
van menfchelijcke oordeelen en uytfpraecken , en hoe een fclve 
man dan eens werdt op den throon geflelt , dan wederom daar van 
afgcftootcn , Ons tot een leeringe van niet te voorbarigh voort te 
gaan mee ons oordeel , en voornamelijck in 't condemneren van 
yemants perfoon ofleere niet te haeften. 

Noch en is dit niet genoech , datmen defe 20. ftellinge foo ver- 
oordeelt heeft , men voechter by , dat nefïcns de fel ve verboden 
worden generalijck alle ftellingcn ende pofitien, die van de voorfz. 
rechtmatige gronden eenigermatenafwijcken , ofdaar van komen 
af te wijeken. Dit is, gelijckmenfeght,toteenfnaesgen toe alles 
af-kercn , op datter niet een fiertgen op de fchale overbly ve. 

Sal dit wederom ftaan aen *t oordeel van onfe partyen , foo 
werden wy voorwaar van een elendige conditie gemaeckt , als 
wien alle eygen oordeel over onfe eygene expreflien , werdt beno- 
men ; en daer-en-boven genootfaeckt in aJle'tgene wy lecren 
fullen ; 'tfyin 'tuytleggen van de Schrifture j oft in *t veiklaeren 
vangemeyne plaetfen der Theologie , oft in 't wederleggen van 
dwalingen 5cc. te moeten voor al letten , of *t gene wy voorftel- 
len fullen alfoo in de Form.ulieren van Eenigheyt gevonden werdt. 
Daarwy tot noch toe ons hebben geruft konnen houden , alswy 
ons verfeeckeren konden het geene wyleeren fouden , indeH. 
Schriftuyre gevonden te werden , of niet daer mede te ftryden. Nu 
fullen wy moeten hangen, of aan 't rapport, dat onfe Auditores ful- 
len gelieven van ons te doen , ofce ten minden aen*t geloof of on- 
geloof ende *t oordeel , dat onfe Cenfcurs fullen gelieven over ons 
te vellen. 

Indien dit dan mede , gelijckmetdefe lo.pofitiengefchietis, 
op die voet gepradifeert fal worden ; dat , wy foo aangebracht 
zijnde aen hare Ed. Achtb. niet eens en fullen gehoort werden > 

D z i^aar 



2% ABRAHAMI HEIDANI 

maar op het bloot aengeven van onfe partye , die wv met en we- 
ten wie hy is , fvvart of wit , fullen veroordeelt werd«;n., en van onfe 
Dienften gedeporteert ; foo wil Godt fich onfer erbarmen , en fclfs 
middelen verfchaften , om fulcken fnooden Inquifitie beter nae de 
lucht van Romen en Spanien, als nae de Nederlandtfchen aert ruyc- 
kende, te weyren. 

Nochtans is daar op gegrondt die fware Sententie , die wy met 
verwonderinge fien , van fulcke goedertiere fachtfinnige en mede- 
dogende Hecren (want wy- ze inder daedt voor foodanige houden 
en eeren, als meenichmaal de efteclen van hare mede-gaende ooet- 
heyt beproeft hebbende ) te fijn ghenomenen uytgefproocken : 
Namclijck , dat degeene die fich Iner tegens direMijck ofte mdtreclelijc}^ 
het in publijcl^^ ofte onder de handt fullen komen te vergrypeny fuüen als 
wederhomge, enfchadelijcke Leden en Leeraers van de Vmvf^rfxtejt , fonder 
eenige dtjjimulatiey verfcbooninge ofconniventie van hare Ampten en Bedie^ 
ningen werden gedeporteert : ende Leden vandefelve Vmverfiteytupdc 
felve gerelegeertn 

Dit is voorwaar een harde procedure van Curateuren voor-ge- 
nomen tegen haar pupil. Welckers gouvernement men vermoe- 
den moet , meer van het Vaderlijcke te hebben , als defpotifch te 
zijn. Wat feyde dien foeten Mitio ? Pro magnodeltaopaulumfup-^ 
flicii fatU ei? ?atri. Genomen , yemandt cjuame fich in defen te ver- 
grypen , jae oock ghedvvaalt te hebben in het uy tleggen van eenige 
Schriftuyr plaetfen,ofte andersfints,en behoudende het fondament^ 
in plaatfe van goudt en filver, houdt, hoy ofte ftoppelen daar op ge- 
timmert te hebben : foudedieterftontalsecnfchadelijckLeeraar 
moeten van fijn Dienft ghedeporteert , fijnen Dienfl: de Academie 
onnut ghemaackt, enhy voorde Werelt foo ghebrandtmerckt en 
ten toon gheftelt werden ? want wat is doch een Leeraar , als een 
fchadclijck Inftrument uyt fijne bedieninge gheworpen , als een 
fchoufpel en een fchandaal van de fwacke , een fpot van fijne vyan- 
den> een aanfluytinge van de Sedenjen het oordeel van allen onder- 
worpen ! 

Indien wy om het leeren van een defer pofiticn , in het toeko- 
mende voorfchadelijcke Leeraars moeten gedeporteert -Werden,, 
foo fijn wy oock al te vooren fulcke fchadelijcke Leeraars geweeft 
by aldien wy die te vooren ghedogmatifeen hebben , alleen dat wy 

als 



CONSIDERATIE N- 29 

als fodanige niet zijn gcftrafc gewceft. Soo (ijn vvy dan aan defe pee- 
ne fcluildich geworder, 0111 yec geleert te hebben, dat in de Fonrm- 
lieren van Eenigheyt allbo niet te vinden is , en niet als voorhenea 
voorderlijck de Leere der laligheyt, fchoon \vy oordeelden, het fel- 
ve den woorde Godts conform te vvefen. 't VVelck dan nae defe 
wijfe van doen, in geene confideratic komt. 

Dit is voor een ecrlijck herte niet wel te verdouwen. Door een 
fchadelijck Leeraar fulJen alle die geéne , die dit Decreet Tullen Ie- 
fen , geen ander verftaan , als die yet valfch leert , het welck eenige 
fcliade aen de ziele kan toe-brengen , of aan de gronden van de Ge- 
reformeerde Religie,of aen de ware Godtfilighey t. Godt lof/uJc- 
ke Lieden en fijn vvy niet. Of laet yemandt komen die ons daar vaa 
overtuyge,en laet ons niet veroordeelt werden door het bloote aen- 
brengen van die g.eene , die ons achter rugge by de Heeren politie- 
ke foecken verdacht en ftinckende te maeckcn. Si accufjjfefufficiaty 
quü inmcens ent ? 

En dewyle wy hier toe ghekomen zijn , kan ick niet naelaten yet 
hier by te doen , tot myne ontfchuldinge , ende noodige verdedin- 
ge , op dat my niemandt en verdencke , als ofte ick my buy ten noot 
defe faecke te veel aentrock^ Want dewyle in 't Decreet niemandt 
met name werdt uytghedruckt , en dat ick milTchien voor myn per- 
foon niet gemeynt en ben , alfoo ick my altij Jtftil gbehouden heb- 
bc , fonder my over defe Quxftien met fchry ven of anderlints veel 
bemoeyt te hebben j foude men mogen dencken , ofte ick my niet 
beter foude als voorheenen ftil gehouden hebben. Soo yemant van 
datghevoelenis , die bidde ick de volgende redenen by hem fel ve 
rypelijck te Vigiliën overwegen , enóftehemdandit ons doen foo 
vreemt fal voorkomen. Want of 't alfoo ware , dat hare Ed. Acht» 
foo feer op myde oogenietghehadtenhebben, als wel op eeni- 
ge myner Collegen : foo ift nochtans dat ick bevinde, dat door 
hetdrucken , endeJiet veelvoudich naedruckcn van dit Decreet> 
( 't welck foo enorm is toeghegaen , datmen derf roemen , dat een 
Drucker alleen t'Amfterdam over de tweeduyfent heeft aen dc 
man geholpen , gelijck op andere plaetfen meer gefchiet is ) mynea 
naem nefFcns myn Collega over al is ghefpelt ghe worden, en ick als 
een voorname vriendt van d'Heeren Coccejus en des Cartcs , ende 
voorftander van hare gevoelens over al te boeck flae ; oock fo ver- 

D ^ re, 



50 ABR AHAMI HEIDANI 

re,dat my van verfcheyden geweften werdc aangefegt, dat by aldicn 
kk my daar over niet en bewege , en in 't openbaar doe blijcken ^ 
dat ick niet en reede aan defe poficien , ick peryckel loopen fal , om 
by de Kerckcn voor foodanige aangefien te werden , tegen de- 
vvelcke defe (ententie geftreken is. En wat luft my,in myn oude da- 
gen , met die liuycke ter Kercke te gaan ? 

Oocken wrl nocliteenkan ick niet ontkennen , jae achte'tmjr 
tot eere , en is dc memorie daar van by my noch in goeden reiick $ 
vrientfchap gehad en gecultiveert te hebben met twee fulcke man- 
nen, fulckc twee lichten, dek in 't fijne,van onfe eeuwe,foo uytfte- 
kende in wetenfchap, gcleertheyten allerley deuchden , fooaan- 
trcckelick in de converfatie en aangenaam in hare dagelijckfchc 
propooften , foo communicatif , cn bequaem om anderen mede te 
deylen dat fy wiften , dat ick bekennen moet 5 haers gelijcke niet 
veele > jae by nae geene beademt te bebbcn. En daarom fal haerc 
qedachtenifle bymy altijdtin goeden reuck zijn. Als ick dacrom 
dcndke , hoe menichmaal ick 't gefelfchap en't vriendelijck ont- 
haal van d'Heer des Cartes genoten hebbe , fijne ongeveynfdc 
vrólijckheyt ^ fijne goethey t in ailes, datmen hem vragen wilde, op 
flaandevoet te beantwoorden , metfulcken klaarheyt van rede- 
nen , als of de Philofophie felfs door fijn tnondt fprack , fonder 
yemant te lafteren , maar van alles zedighlijck te oordeelen. Als, 
ick fegge, daarom dencke, foo ftae verwondert, als ick fien en hoo- 
ren moet , hoedateenige Theologanten en Philofophen foo on- 
redelick met hem derven omfpringen , fijne Philofophie cn *t gene 
hy daar van in Schrift nagelaten heeft , veroordeelen ; en met vyac 
een poge men die nu eenige jaeren herwaerts getracht heeft in- 
ftallighte maecken , te verketteren , en verdoemen , enbyden 
Overigheden onglimpigh te maecken,en uyt de Academiën te pro- 
fcriberen en verbannen , en alle die de felve aanhangen cn ample- 
fteren uyt hare dicnften uyt te fchoppen , foo ff eenige hebben. En 
ditgefchietmecft van fulcke lieden , diefyneboeckenofniet ver- 
weérdight hebben te leefen , of niet als met vooroordeel, paflie en 
aflceericheyt den neus daar in fteecken, en die foo leefen , als men 
feght dat de honden uyt den Nyl drincken , vreefende van de Cro- 
codyl gegcepcnte fullen werden. Dit en heeft my noyt konnen 
affchricken> dat ick niet de waarhey tover al, daar en by wien ick- 



CONSIDERATIE N. 51 

feront j enfoude acnnemen ende vereeren. Voornamelijck daar 
femy ,uyt flikken Fonteyne te drincken,vvierdt aangeboden , ert 
daar ick foo goede koop kon aankomen. lek en hebbe oock noyc 
foo flaefachtigh van gedachten geweeft , dat ick gemeynt hebbe , 
het my nietgeoorloft te fijn fulcken Philcfophie , als my dacht op 
vafte gronden te flaan , en boven alle andere te triumpheren , tc 
adopteren en myn eygen te maecken. Soo en hebben oock alle die 
oppofitien enTwarelafteringen > daarmendefe Philofophie inedc 
befvvaert heeft , van wegen haere ongefondeerdc gronden 5 en ver- 
keerde maniere van doen , niet anders in n:y konnen tc vveegc 
brengen , als een meerder luft en toeval tot de fclve en af-keer 
van de Scholaftique, en diemen ons hedensdaegs als de oprechte 
Ariftotelifche wil debiteren. Veel min hebben defe pofitien in 
my ecnigh bedencken tegen vlefe Philofophie konnen veroorfa-- 
ken > welcke eenigc hem tegen fijn gevoelen werden opgeft reden , 
andere verkeerdeiijcke werden opgeduyt , ofte in haren rechten fin 
verftaan zijnde , de rechte waarheyt behelfen. 

Maar voor al is myn geeft in my ontftcken geworden, als ick ge- 
Cen hebbe de ontrouwe misliandelinge en barbarifche manicrc 
van doen ^ die nu eenige jaren herwaerts en nu noch onlangs voor 
weynighe dagen tegen D. Coccejus en fijn fchriftcn fyn ge- 
pleecht , en met de groofte bitterheyt in *t werck gcftelt ; niet 
van openbare vyandenonfcr Religie , ('twelckhaar eenichfints 
te vergeven ware) maar van die hy voor Broeder crkendt en ghe- 
eert heeft , en die of fy willen of niet , foo fyhacr gcwifle willen 
vragen, hem vooreen Broeder moeten , en als de tijt beter fal fyn > 
oock voor een rechtfinnigh Broeder fullen crkeniïen. lö niet 
eeabeklaeghelijckc faecke,datmen een eerlick en rechtgevoelendc 
Theologant met gewelt vreemde gevoelens wil overftryden , ea 
tot een Ketter maecken , en dat noch door verkeerde y valfcheen 
fophillifche citaticn uyt fyne eygen fchriftcn beweeren ? Dac 
daarmen van fiji>e Orthodoxie kan verfccckcrt fijn uyt geheele 
Bocckcn en Tradaten , die hy tegen de Joden y Papiften , Socinia- 
nen , Remonftranten ScC. heeft gefchrcven , en in welcke men 
het tegendeel van 't gene fy hem optygen , foo klaar fict blincken* 
als de Sonne op den middagh : men foo befigh en noeft doende is > 
om hier en daar uyt een hoeckgen y en daar hy juyft met die faccke 

niet 



ABRAHAMI HEIDANI 
niet doendcis , ofniet op fijn fnecgfte daar van handelt , eenigc 
incommode maniere van fpreecken op te foccken , en die niet nae 
de meyninge des Auóieurs fel ve , maer nae den uytlegh , die men 
byhemfelvemaeckt , uytfchryft, en die buyten de connexie van 
't geene voorgaet of volgt den Lefer voorhout en wat dicrgelijc- 
kekonften meeris , gehjckdie in 't volgende fchrift brecderlijn 
aangewefen. 't Soudeons voorwaar tot eene onrcdelijcke on- 
danckbaarheyt met recht konnen geimputeert Werden , en een 
trouweloofe verlatinge van eengoet viiendt inden noodt ghe- 
acht werden , indien wy fijnen goeden naam en faam , geholpen 
en onderfteunt met fulcken goeden faecke, nu nae fijn doodt, nu 
't licht is oock voor een vrecfachtig Haesken,dcfen dooden Leeuw 
te befpringcn , niet nae vermogen fouden voorftaan en verdedi- 
gen. En genomen daar ware hier of daar ergens in gefeylt , en 
een onbedacht woordt was iiyt de penne geflipt , ofhemwaswat 
menfchelijcks overgekomen (want als wy dwalen , dwalen wy 
enckelijck om dat wy menfchen zijn) cnhywas in'cfchryvcn op 
fijn aendachtigfl: niet gewecft , en delaatfte vijl was over deeerftc 
gedachten noch niet gegaan , fouden>en daarom foo veel waters 
moeten vuyl maecken , en fulckcn cjuaden impreflie van hem ^even 
in de Kercke ? Soo ick hem wel gekent hebbc, hy isgeweeft van die 
oprechtigheyt en-modcftie , dat by aldien hem een notoire miflach 
in fijne fchriften ware aangewefen worden,of hy die van felfs hadde 
gevon Jen,dat hy oock, nae 't Exempel van dien grooten Augufti- 
nus,'door een eerlijcke retraélatie van ftonden aen berey t foude fijn 
gev^^ecft die te verbeteren ; ftellende hem in t getal van die geene, 
gelijck dien Oudtvader van hem fel ve getuyght , Quifcrihendo profi- 
4:iunty& profiaendo fcYthunu Daarom al hoe wel het onbillijckjs, dat- 
men op der ProfclToren, diemen als voorftanders, van't geene men 
verwerpen vyil, aenmerckt^reeckeninge gaat ftcllen , al watmen by 
hen vindt niet nae eeniger fmacck te zijn^even als ofte fy gehouden 
waren voor alles, als het hare, in te ftaan, en dat te moeten defende- 
ren : foo mercken wy evenwel dit aan , als een merckteecken van 
Godts voorficnigheyt , datter ons tot noch toe niet is voorgheko- 
nien,of het kan wel,en nae des Aufteurs meyninge genomefi,fteeck 
houden , en , niet tcgenftaande wy anders mochten van ghevoelen 
Jtijn, van ons verdedight worden. 

Daar 



Consideratie N. 

Daarom ik ook t'eenemaal van oordeel ben, dat het wy als tot 
een blafnie by alle eerlicke lieden foude toe^icfchreveü ^.t worden 
zijn, by aldien ick minder vverck gemaeckt hadde van den dcoden, 
als van den levenden ; dewijle wy den dcoder nier n in dicrP. en cere 
fchuldigh zijn , als fy haar niet verueyren en konnen , als wanneer 
fy leefden. Te meer alfoo niet twijftele , of, by aldien ick voor' 
hem uyt de Werclt waare gheroepen ghcweell , hy fich voor my 
niet min dienflvecrdigh getoont en bcwefen fciidé hebben , in- 
dien ick't vannoode gehad hadde, als ick tegenwoordigh voor hem 
doe. 

En hoewel ick wel kan fien , dat het mifTchien meer op mijn Col- 
lega Wttticfms -, als op my mochte aangelien en gemunt zijn : foo en 
heb ick van mijn geuioet niet konnen verkrijgen , hem in defe con- 
jundurc te verlaten , Tonder met hem het felfde perijckcl te loopen, 
of hy met my de felfde iiytkomfle te hebben." Gclijck die feyde, 
Unum & commune perulum , uria falus amboliu ent. Want dat en 
hebbe ick noyt voor een prijfclicke vrientfchap geacht , alleen ye- 
mants vriendt te zijn als ghy 't fonder eygcn cngemack en pe- 
rijckel wefen kont : en dan üil te fitten , als de noodt aan de man 
kcmt. Dit dce-ck temeer, om dat ick lijn E. erkennc te zijn van 
fulcken iiyrltekendegekerrheydt , en ervarenthcydt in GodsWoort, 
enalle weten^chapj>en , van fulcken recf tlinnigcn gevoelen in alle 
de Hooft- Articiilen des Chnftelicken Geloofs, "fulcken Lief-hebber 
van waarheyt , cnde let n.enen.en in de felve, fco genegen, om 
een ander van hem verfchilicn. 'etc dragen in de liefde^ en 'neerllich 
te behouden de cenigheydt des Geeftes door der bandt des vredes: 
dat ik my verfeeckere , dat hy defen hacr en vcrvolginee niet en moet 
uytihanomeenigeHeteroc'oxie, of kettciye of g"ioove dwaalinj^c, 
maaralleen, om dat hy vdor eenigeprootc Mecflers niet en heeft 
konnen fw-chten , en op haaren wenck her zeyl laten vallen, 't Is eeti 
man in de kracht van fijn jaren, overneeiR-ch in üjne bedieninge, en 
hebbende fulcken klaren maniere van ondcrwijlïnec, en foo vroom 
en godfaügh van leven en wandel , dat dc Acadeiric ende Jeiicht 
grooten ondienft fal gcfchieden , 'co Cy dat or^ elL-ck fal moeten heb- 
ben van fijnen dienft te moeten derven. 

Dit hebbe ick, naaryolgende de wijfe van doen, die Paifus jtc- 

E bruyekt 





Early Europea 
Images reproe 
445C 19 [1] 


n Books, Copyright© 201 1 ProQuest LLC. 

uced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Hc 





34 AbrahamiHbidani 

bruyckt heeft i.Corinth: 4. 6. op Coccejm, des Cartes enïVittióm 
by c^elijckenifle gepaft , op dat ick daar naa oock een vvoort van my 
felvefprecc'kcninochtc: Want hoewel het roemen my nut oorbaar üy 
om dat het foude mogen fchijnen in my als een anticipatie te (ijn van 
't gcenc van andere moet gefchieden : foo wenfchte ick wel voor 
defe tijdt, damenmyeenweynighyerdroegh 'mdeonwijsheydtydie u 
hruyckenfal. Want , op dat'ick my de woorden des Apoftels eeniger- 
matetoe-cygenci.Cor: 11. 19. ghjiverdraaght geernedeonwtjfe, de^ 
wijle ghy wijsfijt. Wantghy verdraagbtet , foo uyemandt dienftbaar maacht-, 
jbo uyemandt opmeet , foo yemandt van u neemt , foo hem yemandt verheft y 
foo u ymandt in aangefuht flaat. 

Want of wy wel eenige onder ons den verfadigbt en rijc)^ geworden 
en [onder onsteheerfcbeny die wy wenfchten dat mder daat hcerfchedeny 
cp dat oock wy met haar beer fcben mochten. 1. Cor. 4. 8. foo en der- 
ven wy ons met haar niet gelijck maacken , als die wan(ielen moeten 
door eere , en oneer e , door quaat geruchte en goet geruchte > als verleydersy 
hoewel nochtans waeracbtige\ als den Apoftel van hem fclve fpreeckt 2» 
Cor. 6.8. Daar wy onfe partyen enlaftcraars fien verheven, bo- 
ven haarc en aller lieden gedachten tot aanfienelicke Ampten gevor- 
dcrt, 't groote woort over al voeren > en moeyte verdichten byinfet- 
tin^^e, en dat ons alles qualick wort afgenomen , haar alles wel , als 
ofter niet als Oraculen van haar voortquamen. 

Nochtans fop degrijfe hayren, Unghe en ghetrouwc dienden > 
volftandigheidt in de waarcleerc , eenige vrymocdigheidt in'tfpre- 
ken geven , of ten minften toelaten : foo dunckt my , datret my 
niet qualijck moet afghcnomen werden, dat ick in defe gelegent- 
beit een weinigh voar'my felfs fpreecke. Soo yemant denckt, dat het 
my niet wel voeght , die fchrijve het toe mijne onwijsheydt , die ick 
my niet een fchaamc , nae 't exempel van den grooten A poftel , voor 
defereifete gebruicken. 2. Cor. 11. 17. Ick ben nu door Godts 
genaede al diep getreden in 't 79. Jaar mijnes ouderdoms, feer nae 
by 't hoochfte ghctal > 't welck Mofes Pfal; 90. den menfchen in dit 
jammerdal toekent: vande wclcke ick 55. jaaren inden Kercken- 
dienft befteedt hebbe , 5. te Naerden: op weinigh Maanden nae 
49. indebloeyende Kercke tot Leyden: en noch 28. in'den dienft 
Y^inde Acadeiwic alhier. Hebbe alle mijne Collegen in Kercke en 

Acade-- 



CONSID ERATIEN. 



Academie overleeft, zijnde in beide de oudtile , en buyten een of twee 
in gantfch Hollandr. In welcke bedieningen ick my naemijn uytter- 
fte vermogen hebbc beneerUight , mjftive God beprccft voor te fieUen^ 
eenen arbtyder die met befckaetnt en wtrde > en 'i iroordt der waarhad recht 
fnede ; alttjdt den vrede jceckende ende najagende^ niet twijlgterighy vriende- 
lickjegen alle , bereydt de quade te verdragen^ en wet fachtnwedighp onder- 
wijfende die tegen fiaan.. 2. Tim. 2. 15. 24, 25. Ick hebbe inde fel- 
ye goede en quadc tijden beleeft, dan eens tempeeft, dan weder 
kalmte , tegenftant van buyten en van binnen , dan van Vyandcn , 
dan van Broeders , niet fonder te fmaackcnde bittctc geejfel van de 
Tonge. 't Heefter fülcken tijdt foofuuruytgeCen, dat wy anders niet 
en vreefden of wy fouden defe lieve Kercke in twee bochten fien ge- 
fpleetcn, indien ons God de Heere die wijsheidt niet gegeven had- 
de , om liever over ons lijf te laten treden , als dat toe te laten. Dan 
hebben wy om onfe vreedfameverdraaghfaamheid als Moderat eurs (ils 
ofte dat eenen quaden name ware) moeten doorgaan: dan eens als al te 
groote favoriten vande Phtlofopbte van des Cartes befchuldight : dan 
als vyanden vanden Sabbath getraduccert : dan als vyanden van een 
Nieuwe Reformatie , die eenige dreven, vermaart, om dat wy in 
*t ftuck vande Leen-Tafelen tegen de Bedienders der felve , nae fom- 
miger meyninge te facht gingen, tegen de Canonicken niet ftercfc 
genoegh y verden, tegen 't Lanck-Hayr niet en donderden op \ Stoel, 
dc Kerckelijcke difcipline niet hart genoegh , na haare fin , en oeflên- 
den , en in 't aannemen van Remonflrantfche Ledematen niet meer- 
der rigeur gebruickten ; en wat van die foorte van dinghen meer is. 
Dit alles en waarc niet over te komen gheweeft , hadde my Godt 
niet gefterckt, en de ftantvaftigheidt van onfe Gemeinte in haar liefde 
en refpeft tot ons ; die, alhoewel wy haar dickwils zijn voorgedragen 
als Verleydersy ons altijdt nochtans gehouden hebben voor waaragh^ 
tige. 'tMeeftc was, dat ick de eere gehad hebbe inden aanvanck 
mijnes Dienfls, onder de banniere van fulckeoude, ervarene, geleer- 
de , vreedfame leyders en voorgangers, Colonm, Teflus, Derramouttw^ 
de Dieu , welcktrs memorie by my altijdt in fegeninge fal fijn , ten o- 
genftrijden, Alsickomdicn tijdtdemke, foofireltmijn herte, en 
bt kla^e my dickwils , dat ic k niet met haar voor *t ongeluc k, 't wek k 
ajillchien in 't korte de Ken ken nakende is, ben wech-gcracpt. 

E 2 Wat 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQutsst LLC. 

Images reproduced by coortesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 [1] 



6 A B R A H A M I H E I D A N I 

Wat foude iny dan aengaan , dat ick in 't laatÜe van mijn daegen , 
gacnde met de eene voet nae 'c graf , verlaetende de oude Leere, 
nae fchaedelicke nieuwicheden foude ho:ickcren, en in Kercke<rn 
Acade.nie fulcke Leeiinghen trachtcain re voeren en doceren, die 
niy myner Dienden fquden onwaardigh en onnut iiiaaken ? Daar 
behoede my de goede God /oorjck ben van al te goeden bloet opge- 
leidt , van fulcken Grootvader en Vader vuoi tgekonicn , die als ick 
mijne ]arcn by Je haare gae paren , die fy inde Gererormeerde Kcrc- 
ke den raat G jJs dienende , hebben toegebracht : mijn Groot vaader 
t' Antwerpen, MiJdelburgh , Franckendaal; mijn Vaader te Franc- 
kendaal en t' Amfterdam , als mede mijn Broeder Johanhes Hcidanus 
2ah ged;, en Ick tot Leyden, nu over de 1 1 6. Jaaren uy tmaaken. Soo 
*t God wil, ick en fal my die finette niet laaren aanwrijven, foo 
langhemy God byverlhndt laat. Errare pojjum , haretUusejjemnpof' 
fum. Ick en hcbbe noit die 20. poütien, foo als fy daar liggen , en 
ons werden tegen onfe meyninghe en wille opgheduyt , in Kercke of 
Schole gheleert, als oock in 't toekomende niet doen fal. 't Selvc 
derveoock vcrfeeckeren van mijn Collega Wittichio, endaar van 
mogen en bchooren haar oock de Ed. Achtb^ Heeren Curateuren en 
Borgermeefteren verfeeckeren. Heeftmen haare Ed. Achtb. de-^ 
fèn indruck gegeven , dat den teghenwoordighen flaetder Kercke 
en des Vaderlandcs fuicks vereyfchtc , dat fy niet als door fulcken 
fc herpen remedie konde geholpen en herftelt worden : metreghte 
beklagen wy ons dan , dat wy over dit werck niet eens en hebben mo- 
gen gehoort werden , om haare Ed. Achrb. oock van onfe fijde te in- 
formeeren, op dat wy niet ghenootfaackt wicrden , ghelijck wy nu 
doen moeten , van defe fententie te appelleren, tot haar felve; 
a male informatis ad melm informandos. \ Welckc, ghelijck 't die vrou- 
we die door haaftighcyJt veroordeelt fijndc , va» Philippo appelleer- 
de tot Philippum , niet qualick is afgenomen : alfoo vertrouwen wy 
de goetheyten rechtveerdigheyt van haare Ed. Achrb. oock toe, 
dat ons niet ten erghften fil naegeduyt werden, dat wy doen 'tqce- 
newydoen. Soo wy door langhe ervarenr/ieyt eenighe kcnnifleons 
derven venneetentc hebben in Kcrckclicke enwereltfche faacken 
(die feer kleyn is :) wy en gelooven niet , dat de^e onheve van onfe 
Medebroeders begonnen is, om de fuy vcrhcydt der leere te bcwaa- 

ren. 



CoNilDEHATIEN» 37 

ren , en de Kcrcke foor 'c inkoo ne.i van fchaadelicke leeringhen te 
waarfchouNveri , en die autiieurcn buycea credit ce brenghen , dieinen 
wil dat haare fclirifcjn vol fchia lelijcke nieuwi^^hedcn fouden fteec- 
Jc?n , en alToo ivj-^L^ i It en Kercken in riiite te hou len , cn een vafter 
Uniror iiiteyt te bevoordcren. Want geiiieynlick werdt bevonden, 
dat nen wat an Jers praetexeert , wat anders doet. En veelcijdts wer- 
den de pr;rt:extcn re^htveerdiger en waarfchijnlicker bevonden, als 
de oorfaecken zijn , waaro;n mcnyet doet. 

Kan 't niet :neJe in defe fake foo gelegen fijn , datmen niet kon- 
nen lc het Meefterfchap, daar men mede fwangeris, nae fijn fin 
bekomen, om over al het groote woort te voeren , dewijle men geen 
raadt enfiet, 011 door den ordinarcn weghbyde Kercken fulcken 
ghefai^h te verkrijgen , men dan fijnen toevlucht neemt tot den We- 
reltlick ^n Ar.n ? diemen dan door gheduurigh aanloopen en klagen 
dit infcherpt , dat he.t niet wel met de Kercke cn ftaat , dat door die 
inkruypende nieuwigheden de waarheydt lafl: lijdt , dat vecle Lee- 
raars in Kw*rcken en Acadeinien daar mede befmet fijn , dat de Jeught 
inde Schoole qualick gheimbueert werdt : en datmen dan fijne par- 
tyen benaminge geeft , 't welck het rechte middel is , om een Fa- 
öie te maack?n , en de faken tot een ^cheuringe te brengen, welck 
dan als een eetende vyer voortgaat , alfinen in predikatiën en gemey- 
nc tTamenfprekingen dit het gcmeyne volck inboefcmt, en alfoo 
der Heeren vreefe gaande maackt , en des gemcynen mans yver ver- 
weckr. Defe konlten fijn 't allen tijden gepleecht , den Apoftel 
Paulo fi:er wel b?k?nt gewcert , diefe oock Teer werckclick in fijne 
Brieven vertoont en loorftrijckt. En dat ter niet fijlcx in defen fiDude 
oingegaen fijn, maer alles met een fuyvere intentie en goede order 
ghefchiet fijn, moetmen aniere wijs maacken , als ons, die beter 
weten. lek km ioch niet gelooven, dat waarlick om den luft tot 
waarheydt, cn alle dwalingen te (Uitten , cn allecorruptien uyt te fuy- 
veren , men defe groote opheve geniaackt heeft : maar in tegendeel , 
dannen met vlijt alle defe gepra-tendeerde dwalingen met lanteernen 
en flon^g :ns heeft gaan opfoecken, om dit werck eenen glimp en 
nadruck te g;even , 't wek k anders van felh in roock foude vergaan 
fijn, foomcn't niet met dirmid-W ondcrfchraeghdt had. Daarom Cö^- 
cejm des Cartes foo moeten aanhouden en ghegcelïëlt werden , en 

E 3 haa- 



3? Abrahami Heidani 

haaren naam in Kerckcn en Scholen ftinkcndcgemaackt , en de lief- 
hebbers der fel ver iii kleynaclitinge gebracht , en van dvvahngen en 
Ketterye beticht. Seccker , foonien alle Audcuren foo foude hande- 
len, en alle woorden foo fiftcn , en waar fyyet onghemackelick 
mochten hebben uytgedruckc , of daar fy yec voorbrengen , dat van 
haarc eygen gedachten en gewas is , dat fel ve op die wijfe , niet altijt 
nae waarheyt , maar dickwils met ontrouwe , (gelijck defen liedeij 
gebeurt is) ginck excerperen , en extraden van maacken: Jieve, 
wat Audeuren en Boecken en fouden door fulcke Inquifitie niet 
konnen verdacht en te fchande gemaackt werden , en den leefgie- 
rigen uyt de handt genoomen Hoewel het oock wel menichmaal 
contrarie en tegen meyninge uytvalt , d^t door het veroordeelen en 
verbieden van fulcke Boecken , de menfchen , ghenegcn om nac 
't gecne verboden is , te hellen , en dat geweygert werdt , te be- 
geeren , maar te meer gaande gemaackt werden , om dit te koopen, 
leefen en overlefen. 't Welck of niet , gelijck 't in voorgaande tijden 
gebeurt is, alfoonu oock lichtelick foude konnen gefchieden, fal 
den tijdt leeren. 

Dit vertrouwen hebben , dat ons niet en fal qualick afge- 
nomen werden 9 en tot onglimp naegeduyt , dat wy tot defenfic 
van onfe eere en recht fïnnigheyt, gebruycken dit recht der Natuu- 
re: dat wanneer ons leven, goeden name, gcfont gevoelen en ge- 
loove in gevaar komen , en wy perijckel loopen , om een van die ofte 
al t'famen te verliefen , dat dan alle wettelijcke middelen om fich te 
redden , en fijne onfchult voor te ftaan , geoorloft zijn : en van nie- 
mandt konnen berifpt worden , als die , niet konnende haare faacken 
door geoorlofde middelen goet maacken , haaren toevlucht nemen 
tot gewelt. 

Wilycmandtinmijnhcrtefien, ick fal 't voor al de wereldt open 
leggen. De Pofteritcyt , foo wy by de levende geen geloof vinden , 
mach'er van oordeclen, als den haatende nijt met ons fal geftorven 
zijn. Ick derve dan met den Apoftel feggen 5 i . Cor. 4. 3. is voor 
't tninlle^ dat icl^ van u geoordtelt worde , ofte van een menfcheluhen dagh :. 
Jae ick^en oordeele oock^my [elven niet. Want teld en ben my fdre geen$ 
dincki beipufl : doch ick, cnben daar door niet gerechtveerdight : maar die 
my oordeelt ^ isdeHecre. In'cftuck van Religie en houdeick niet 

yoor 



CoNSIDEHATIEhT. jp 

Yoor vvaarheydt , ak dat ick uyt de H. Schriftuure gheleert ben : en 
daer medehoude ick de Formulieren van Eenigheydt conform ; en 
dat is de reden , dat ick my in den dienft ran de Gereformeerde Kerc- 
ke beghevcn hebbe, en met mijne onderteeckeninge haarc Leert 
aanghenomen en beveftight. Evenwel, om dat ick bevinde en met 
droefheydt befpeure , dit geene van de minfte konften en inventien 
te zijn , die hedendaeghs in fvvangh gaan , datmen de Broeders , die- 
men wil ver daght maackenvan eenighe dwalinghe , niet alleen tra- 
duceert , als met een lijdelijcke en tolerabele dwalinghe befmet , 
maar oock verkettert cn anathematizeert : Even of alle , of de mee- 
fte Coccejanen en Carteftanen , foomcnfe noemt , of Sociniaans , of 
Kentonftrants , of oock Atheiften waren, en alle gheflaagen vyanden 
van 't Loflicke cn Doorluclitighc Huys van Orangïen : foo vinde my 
ghepcrft ons vandcfe godloofe en valfche blafme te fuyveren, en 
onfeonfchultvooral de wereldt te vertoonen. Voor eerft wat Soa- 
ntis aangaat , ick kan met waarheydt fcggcn , dat ick hem noit voor 
foo grooten en fubtilen Meefter hebbe aanghefien , als hy by de fijne 
en den Seöen vermaardt is. Ick en hebbe uyt Socino niet ghelecrdt 
eioXoyéiVy ^IsVorJlius (eydc van hem felve, noch uyt fijne boecken 
mijne Theologifche weetenfchap ghchaalr. Soo drae en hebbe ick 
fijne Schriften niet ghelefen , ofte ick hebbe in my ecnweerfin ghe- 
gevoelt van dkTheologiej die my ghedacht heeft fondcr ^tligte te 
fijn ; om dat het fundament vande felve is de reden y of foo als fy 
folitairis, of geholpen door de Pfoi/o/öpbif , en die niet vande bcflc 
foorte: dienvolgens toegemaackt om van alle feden, en gcfinthe- 
den, oock van den Joden en Turcken , gereeder als vaneenChri- 
ften te konnen werden aangenomen en geadopteert. En wel voor- 
namelick , om dat fy alle de Myfterien des Geloofs of uytmonflcrt 
of verminckt , en derhalven niet anders overlaat als.een Meram Ethi- 
cam^ en die noch niet ter dt^eChnJlianamy alsomdatfy wat meer 
houdt van Chrijio , als van Flatone , Arijiotele ^ Cicerone ^ EpiiletOy 
Jntoninoy &c. omdat (i/necxplicaticn van de Schriftuure , die van 
fijne Difcipulen , om hare nieuwigheden en fubtiliteyten , foo hoogh 
geroemt werden , my niet anders toefchijnen , als foo veele ont/è- 
nuwingen en cxtenuatien , jae verdrnayingcn vande voornaamfte 
Texten der fel ver , handelende van Chrifto, fijne Godheyt» Mt nfch- 

v\ trdïn- 



40 



Abrahami Heidani 



vverdinge , Rechtvcerdichmaackinge des Geloofs , en Opftandin- 
ge des Vlcerches > &c. foo y dat by verre nac in fijne magere uytleg- 
gingen niet gevonden werdt, daar van het tegendeel in de Texten 
felve niet klaarder en duydelicker uytfchijnt : meeft alle daar op iiyt- 
komende , dat om dat een woort van verfcheyden beteeckenifle , foo 
kan genomen werden , als hy den Text aanwrijft , het oock alfoo 
in die plaatfe moet genomen worden. Waar in fijn grootfte acumen 
en konft beftaat, 

Defe dingen, en meer andere,dic \ nu niet te pafle komt te vcrhaa- 
len, hebben in my fulcken a. keer teghen die Theologie gebaart, 
dat ick fdfs die niet wel hcbbe konnen vcrdraagen , die meynen , dat- 
men met haar cenighe onderlinghe verdraaghfaan^heyt fcudc kennen 
aangaan. Dit wete ic k ooc k 't gevoelen ghcweeft te zijn van D. Cö^- 
cejm'i en tegenwoordi£;h ooc k van mijn Collega IVitüchm^ niet tcgen- 
ftaande alles , watmen daartepen inbrenp.cn kan. 

Voorts oordeele niet noodighte fijn eeniphe ontfchuldinghe tc 
doen, oftemy te purgeren, van het eens tt lijn mee der Remon- 
ftranten ghcvoelcn , i helijckmen ons geerne fciide nae^hc ven. Kan 
ick niet beftaan niet het geene ick over 50. jaaren in mijne Vroeve te- 
gen haaren Catechifii)us, en het Oordeel over hanre£;artfi:he Léere, 
cnde voornamenrlick \n\n\]nCau[A 7)ei^ daarxk -cTarkc Gods nae 
mijn befte vermo^^hcn regen D: Lpifcopium bc^lvyte, foo lijn \vy 
op 't hooghfte gekomen. 

N// tntïit eft oleam , nit extrd efl in nuce dur. 
Ick houde haar ftilfwijccn, en dat ick tot noch rcr in allehnare Ex- 
traden niet gevonden werde, voorcene glirnoeghfaame juftificatie 
voor my , oock by haar in haar ghcmoer. li k en ben jje noch tot de 
Mennoniten , noch LuterQ:hc , noch Qpnükcrs , noch 1 abadilien , 
of nieuwe Prophecen vervallen. Nu, rit alles gaat wWv) dlkga alfoo 
wel aan als my , en ben ick met defe declaratie onrfchuldight , daar 
en is geen reden , waarom oock n^et mün Medrbroedcr. Maar wat 
fchijn van waarfchijnlickheyt heefretdoch, dat juyf; alle Cocccjamn 
en Cartefianen ghcflaagen vyanden fouden <nn van (ijn Uooejjeyt-, en 
't Huys van Orangien ? idet dan een noot^arkolick ghevolph. van die 
Tbeolo^ie en Philofophie , dat nicmnnt die k r\ tr eghedaan ziin , of hy 
moet ecnen haet teghen dat Illuftrc Huys erven ? Soo moeten fy 

wel 



Consideratie N. 41 

wel een vreemde Dtakclium ondtr haar hebben , die uy t die prAmiPm 
{\x\ckenComlujie trecken kan : of een verkeerde PoIitic3m,diebaar fulc 
ken befpottclijckcn redenkavelinge kan doen eoct vinden. Wie hoer- 
dcyetongenjmders? Dit moeren fy voorwaa'r die niet voorwerpen 
noch verwijten, die in defen laetften noot van 't Vaderlant , f4- 
ne twee Soonen , en een Neve , ten dienüc van fijn Hooeheidt heeft 
ovcrigh genadt en geprefcntecrt. Dieoock bercydt gcwceft fijn 
haar leven voor de Religie en Vryheydt te pande te fetten. Dien als 
een Domeftiquc leflè van kints been af in haar Vaders Huys is inge- 
geven , dat llluftre Huys , en die vijf nae qa^kander fuccederendc 
Prin9en, als de Fundateurs van onkn Staat V^ën Siiylcn van onfe 
Vryheydt , door hare Heroifche daden , onghcmcyne Vidorien 
te Lande cn te Water, voorfichtigh belcydt , en fachte en rr.et den 
aerdtdes Vokks over-een- komende Rcgcringe , raaft God, als 
de voorname ftichrers van defe wonderlicke Republicque, deeere 
te geven van ons opkomen, gcli:ck , hcyl , grcotheyt cn welva- 
ren. Die in alle fijne gebeden tot God, publicqueen byfcndere, 
noyt naelaat voorden welftant, luyfier en glorie van dat hiiystc 
fmeecken, fijne Hoogbeydt toe tewenfchcnin een gefcnt lichaam 
een gefonde ziele. gcli;ck in Regcrirgc, vcorfpcet in wapenen, 
wijsheydt en goeden raedt, en goede raedrgevers, vreedfame ge- 
dachten , liefde des volcks , en een toejiiychinge vande gantfche o-e- 
meynte. van v^ icns goedtheydt wy ons beloven , dat niet fal gchen- 
gen, dat in Politie en Kercke yemandt t' onrecht ondcrdruckt, en 
alfoo rcchtveerdige oorfacckc van klachtc gegeven worde. Dat hy 
de balan^e altijdt recht fal houden, fonder die in faveur meer van 
d'een als d' ander, fonder gewichtige oorfaackc ever te laten hel- 
len. Indien alle, dicmcn op defe w^eals vyanden ranfijn Koog- 
heydt uytkrijt, alfoo gefinnet fijn, en defe toegenegerthcydt tot 
dit Huys in haar gevoelen , foo wenfche datrer vcele van die gevoe- 
lens gevonden wierden. Gelijck niet en twijfttlc, of Alle fijn fc'o- 
danigh. 

]ae maar , feght men , nochtans ghy houtet met 2), Ccccejo en des 
CArtes in die punéten, die nu gecontroverteert werden, cn daar 
over defe tw^ninge cn or rufte valt. Indien myleter, alstotncch 
toegefthietis, dereden, waarom ick die niet als wacrachtigh fou- 

f de mo- 



4Z AbrahamiHeidani 

de mogen aannemen , haddeaangewcfen gevveeft, of noch wierdè, 
ick en foude niet weygerigh fijn mijn ghevoelen te rctraéteren , en 
tot de andere over te komen. Devvijle hier niet getwift vverdt over 
een Hooft- punö van|Religie , of een Geloofs Artijckel , van welc- 
ke men het minfte (lip niet en magh af-treden y toe- geven, of ver- 
anderen, maar over eenige uytleggingcn van fommighe Schriftuur- 
plaatfen, die in de Academie in Lefleu en Difpuytcn fijn gheventi- 
leert > inwelcke wy daegelicks konncn toenemen, en of door an- 
derer ondervvijfmge y of eygen ondervindinge ons beter laten ondcr« 
richten. Waar in lujiQoccejus altijt gedacht heeft, ait voerdeel te heb- 
ben boven fijne tegenfprceckers , dathy fijnmeyninge meeft uyt- 
drucktmetde eygene woorden der Schriftuiire, ennaede Analogie 
des Geloofs, enden fin des H.Geefts verklaart: en dat inde felve 
beter gevat en befpeurt vvort die veelvoudige vvjjf heyt Gods, en won- 
derbare OEconomie inde onderfcheydingc der lijden , en bcdelingc 
der genade inde felve. Soo dat niet fien kan , wat my aangaat , waar- 
om dit foo hoogh is opgenomen, en onder de fchadelicke Nieuwig- 
heden geftelt en gereeckent. Nu , dat ghefchiet is , kan niet ontdaan, 
worden. Ware dit niet voorgekomen , daar foude dan wat anders op- 
gefocht geweeftzijn, omvoetfelte geven aan defeopheve, die an- 
ders als een vyerfonder fpijfe vergaan foude moeten. 'tWaerewel 
een heugelijcke faecke , dat wy alle een taele voerden , en 'f famen ge-- 
voeght waren in eenen [elven fin , en in een felve gevoelen, i, Cor. 1:10,. 
maar of dit in ecnigc Kercken voor eenen kleynen tijt mochte gevon- 
den ^eweeft zijn , foo bevinde nochtans in de Kerckelicke Hirtorien, 
dat ïelden, of nimmermeer, defeeenpaarigheydt vanghevoeJcn en 
' fpreec ken in eenige Kercken, of ten fy in 't eerfte opkomen en ftich- 
tin^lie derfclver, felfsniet inde Apoftolifche en vandc Apoflelen 
fcl/s geplante Kercken , is gcfpeurt geworden. Jae daar defe koorde 
te hart is getrocken , en defe Uniformitey t te ftijf gedreven , datter 
veeltijts eenige tyrannyeen fchcur-ficckte van d'een of d' ander Dio- 
trepbes onderge fpeelt heeft. Over alle dwalingen ift niet oorbaar, 
en hoeftmcn geen Synoden te beroepen , als wel over de Arriaenfchey 
Nejlor'iaenfche y Eutjcbiaenfche y Pelaguenf:he Kmajen gcfchietis; 
Omtrent faecken van minder gewichte, hcettmen malkanderen ver- 
dragen inde liefde : als daar fijn , by Exempel , die Qirarftie over de 
^ Schr.f- 



CONSIDEHATIENT. 45 

Schriften van Origenes , op wat precijfen dagh wen het Pafcha mcfie vie^ 
ren Sec. of, alTinendie Qnarftien heeft Synodaal geiiiaackt , lijn fy 
ihcdi al vruchteloos afgeloopen , en een meerder materie van twift 
geworden. 

Ware daar wat meer liefde onder ons gevonden, cn lufl tot toenc- 
niinge in kennifle , 't hadde konnen dienftigh gewceft zijn tot opwec- 
kinge der verftanden ^ en om geoeftènde finnen te krijgen in 'tlefen 
der Schrifture. Jae fouden wy foo allengskens gewent geworden 
zijni malckandemite konnen verdragen hide ücfdc'y niet veele Meejlers 
tez^ijn, cnmQt alles te beproeven y hctjlechtevanhetkofteiukelccrcnzf- 
fcheyden, en 't gedemzlks te behouden. Want feccker, foo wy in 
defe verfchillen de eend'andere niet konnen of mogen verdragen, 
en hier geen tolerantie plaatfe heeft 5 foo heeft fy nergens , in geene 
yer(chilien plaatfe. Hier en kan ick niet nalaten aan tc.teeckencn die 
aeniuerckens weerdige woorden van Johannes d Lafio , een voornaam 
Patroonenvoorftander van de Gereformeerde Religie, cn Neder- 
lantfche Kerckenin haare fwaarfte verdruckingen en ballin^hfchap- 
pen : foo fpreeckt hy in fijn Boeck vande Sacramenten : m moeten ofife 
eendracht niet foo verjlaan , datw) anderen nae ons allen toegam kj> om de 
tvaarhejdt der leere meer ende meer aen den dach te brengen mochten fchtj- 
nen te willen af-fluyten. Wy fien wder daat , dat veele dingen nu veel beter 
werden geleert dan vocrhenen , en dat veele oude manieren van fprecclicn te 
voren m de Kercke langh gebruyckt , fijn verandert. Even alfoo kan "toock. 
naemaa s gefthteden , dat eetitge onfe manieren van fpreecken verandert zijn- 
de , veele dingen noch klaarder werden uytgeleyt. De H. Geefl fal buyten 
twijjjel anderen nae ons in Chriflt Gemeente by z^n , gelijck^hy by ons en onfe 
Voorouderen geweeji is. Want hygaat by trappen , en geeft fijner garen aan- 
was onbchent. In nae dienwyfien , dat alle dingen ftcb infchicken tot meer- 
der volkorrientheydt ^ foo treet ick^voorwaer niet j oftons pafl , die trappen 
en aanwas Gjner gaven te wtüen fluyten binnen onfe Formulieren , en manie^ 
renvanfpyeecken, als binnen jeekerepaliffaden en flacketfelen- als of de H. 
Geefl niet jou mogen blafcn foo hy wil y wanneer by iml ^ en door fuUke als 
hy wil, Ick^H^^f g^^^ ruymen toom om Nieuwe Leeringen te xjieyen , maar 
fpreecke voor de vryheyt om 'tfundameit eens geleytte vergieren en te ver- 
klaren , en te toonen , dat deH. Geeft niet ophoudt , van dageltcks meer aan 
ün dazh te brengen. 

^ F z Want 



44 Abrahami Hhidani 

Wam dit ixieynen door pablkjueConferemicrty of een Kationde 
iS;«öö(r tebcflechten, duncktons, behoudens beter oordeel , defaac- 
kc van dat gevvichte niet te zijn, om die foo hooch op te nemen, 
de deure tot fchcuringe te ontlluy ten , tot het fmedcn van een Nieü 
Concordie-boeck^ dtn wegh te banen y om een nieuw Formulier van 
onderfchrijvinge in te voeren, en den vveygerigen van haare dicn- 
ften te deporteren. Gelijck men door fulckcn wegh de Ubiquneyt in 
Duytflandt indevoorige eeuwe, doorallerley bedenckelijcke kon- 
ften en pradijcken heeft weten door te dringen , en als een Gc- 
loofs Artijckel op 't hooge Altaar te verhelFen. Daar eenige weyni- 
ge Theologanten , gewefene Difcipulen van dien vreedelievenden 
MeUnchton , vermaart voor de algemeyne Meefter van Duytflandt , 
fich hebben derven arrogeren de auftoritcyt ende macht , om dc 
Sehriften van Melamhton alle credijt te benemen , en achter de banck 
te werpen; een nieuw Con9ept van ieere te ontwerpen , haredwa.- 
lingen omtrent de perfoon Chrifti , en 't Avontmael te canonizeren, 
andere Kercken ongehoort tc yeroordeelen , en alle die dit Boeck 
niec en wilden of konden aannemen, te anathematizeren , en van 
haare dienften te ontfettcn. 't Welck fy oock foo behendelick by den 
Cheurfurft van Saxen y en andere Vorften , met gemaackte woor- 
den, fchijn-redcncn, fme^ckingen en drcygementen , hebben we- 
ten fmaackelijck te maacken en voort te fettcn , dat het eenige hon- 
derden foo Predikanten als Schoolmeefters , weygeriqh die teonder- 
fchrijven, haare dienften en welvaren gekoft heefrl Gelijck fulcx 
alles fecr pertinent en in 't brecde van D. Bofpniano , in fijn Boeck gc- 
naamt Concordia difcors, is befchreven , en tot een eeuwige memo- 
rie den Kercken naegelaten. ]ck wenfchte wel van herten, dat dit 
Boeck , als mede de Jdmonn 'to Chrifiiana de libre Concordu , van den 
Heydelberghfen Theologen indietijdt in 't licht gegeven , van alle 
•onfe KerckeliickecnPo'litijcque Perfoonen in dees tijdt ncerflelick 
gelefen en overwogen mochtê werden. Sy fouden ongetwijiïclt al- 
daar de fel ve Tragedie, alleen met verandcringcvan'r fubjeclen A- 
(fleurs, inonfeKerckenfien geentamecrt , en'^degardijnen geopcnt 
om 'tfpel te beginnen. *t Welck indien 't foo als het begonnen is , 
fal moeten vervolgt en gecontinueert worden, veel moeytecnon- 
luften baren fal , en miffchien nae veel gewoels en twiftinge den uy t- 



CONSIDEJIATIBN. 45 

ganck nietrhebben die men fich inbeclt, en 't berouw daar V2n , bcyden 
partyen dier komen te ftaan. Want daarmcn malkandercn bijt ende 
yereet , loopt men beyderfijts perijckel , om VM mdlké^ideren verteert te 
werden , als Paulus feer wel waarfchout , Gal. 4. i 5. 

Dit heeft ons dan gedacht , dat wy tot verdediginge van onfeeerc , 
goeden naam , en rechtgevoelentheydt in de Iccrc, ons felve fchiil- 
digh waaren , om niet door ons ftilfwijgen ons felve by al de wereldt 
verdacht te maeckcn, datwy aen defe ftellingen fchuldigh waren, 
cn niet anders als door dit violent middel te weerhouden , om niet dit 
fenijn voort te fpreyden. Dewijlewy geen ander middel en fagen , 
om dit quaat voor te komen , en van ons af te leenen , als door fulcke 
verantwoordinge. Want, of wy moeften ons trooflen , defen bitteren 
Kekk tedrincken, en als foodanige by yder een bekent te ttaan, en 
voor fulcke fchadelicke Leeraars gehouden te worden ten min- 
ften van fulcken flaefachtigcnimborft en leegh gcmoet te zijn , dat 
wy uyt vreefe van defe dreygementen , fonder andere inftrudie en 
overtuyginge , defe opinien foo van ftonden acn fouden konncn 
verlaten, (indien wy te weten met de felve befmet waren) en t'con- 
trarie van dien annemen ; of dat wy behoudens de felve , alleen 
onfe tonge voor een tijdt moeflen bedwingen , en ondertullchen die 
fwaare frraffe lijden , van niet te mogen nyten, daarmen anders van 
geperfua deert is^ 't Eerfte van vroome lieden , en die 't heyligh is de 
waarheic bovenal te vereeren , te verwachten , ende fich in te beel- 
den , ware fulcke lieden ten hoochflen vilipendercn , als of het moge- 
gelijck waarc , alleen om datmen wilt , yet te geloven of niette ge- 
loven , voor waarheit ofonwaarheidt te houden 5. en alfoo allen po- 
genblick fijn gevoelen te konnen verwillèlen.. 't Andere is wel mo- 
gelicker als t' eerfte , maar voor een genereux gcmoet , van fwaare 
pradiicke , en evenwel fomtijts nootfrkelik als de dagen boos zijn, 
daar van ons David in den 39. Pfalm een levendigh voorbeelt is. Die 
als hy ftjne fi^egen nnlde betrarefi, dat hy niet en fondgde met de tonge y ^ 
gimk^Jijnen mondt wet een hreydelhen^ircn •y tcrwtjle de godlcofencch ic-- 
gen hem over tvas. Wat g?bcurder doch : uk verpmt door jid^ 
ff^'j^en^ h\fnyeegb v an bet goede y mijne fmerte werdt verfivaart y mim 
herte werdt helt in mijn binnenfle y een vy er ontbrande in mijne overdenckin" 
ge. Nootfalijkfoudetonsfoo mede gaan, fco wy defe blafjiie lie- 

F 3 ten 



46 AbrahamiHeidani 

ten aan ons leunen , en evenwel ons niet als wederhoorige wildca 
inftellen. 

Wy en fijn immers in dit gantfche bedrijf geen A^eurs , maar al- 
leen pa0y wy en hebben oecn ojfc fifive middelen ter handt genomen, 
maar alleen defenfive , en hoewel eenige van oordeel en raat waaren, 
dat wy onfe partye met de felfde wapenen moeften op 't lijf vallen 
("twelck ons licht waarc geweeft om te doen) om dat wy beetcr onfe 
recckeninge met haar fouden gevonden hebben , haar fclfs werck ge- 
vende : foo en hebben wy evenwel niet konnen raetfaam vinden de- 
fen wcch met haar in te gaan ; om dat het foo weynigh over-een- 
komt met de Chriftelicke Liefde, fuicken Broeder -ftrijdt te begin- 
nen, die wel haaft te beginnen is 5 maar niet foo licht te cyndigen; 
om dat ons dit niet anders toefchecn , die wy gcerne defen brandt in 
den beginne geblufcht fagen , als of W7 olie in plaatfe van water , om 
dea brandt te vermeerderen , toebrachten. Maar voor al , om daar 
mede onfenlufl: en liefde tot den vrede derKeicke te betonen: dat 
wy *t gebreck dat wy in onfe Broeders berifpten , namelick , datmefi 
overfaacken, die het fundament felve niet en raackten, maar alleen 
't geenedaar op getimmcrt fcude worden, fuicken openbaren fliijt 
en fcandaleufen twift , niet en behoorde aan te nemen en in te voe- 
ren in de Kercke ; dat wy , fegge ick , dat gebreck niet en wilden na- 
volgen, en opbouwende 'tgeenewy fochten af te breeckcn, alfoo 
fchijnen fouden ons felve tot overtreders te (lellen. Wy hielden 't oock 
daar voor , dat den vrede te beter foude konnen hier nae getroffen 
worden , als men maar d'eene partye tot vreedfame gedachten behoed- 
de te difponeren en bewegen. 

Wy mogen met waarheydt feggen , dat ons in dit gantfche werck 
niet foo feer heeft bedroeft , als dat door onfe fijde , onfe lieve Moe- 
der de Academie , fuicken af-brcuck in hare reputatie heeft ontfan- 
gen. Dewijle fy door 't gantfche Landt neffens eenige harer Le- 
raars foo gebrantmerckt wert vertoont , en inftalligh gemaakt , als of 
by haar weynigh of niet pefonts waare overgebleven. Even ofmcn 
voor gehad hadde , alle de Ouders , die gewoon en genegen fijn hare. 
Sonen hier ter SrfiHtetefenden , om by ons de gronden vande goede 
konden, Philofophie en Theologie re leggen, aftr fizhricken, en 
elders te wij fen. 'cWclck dan een droevigh en beklaeghlick cfFeca: 

foudc 



CONSIDE8.ATIEN. 47 

foudc fijn randefeopheve, ten ware de goede Godt, die uyt de 
duyfternifle het licht kan te voorfchijn brengen, fich erbarmende over 
onfeonnofelheyt, eencontrarienuytgank , tegen veler meyninge, 
beliefde te geven. 

Gelijck vvy oock niet fonder reden bedught fijn , datdefc proce- 
cedure een merckelicke opfchuddinge , en commotie fal veroorfaac- 
ken inde Kercken onfes Vaderlandts , en menichte vandc geleertftc 
en begaefrte predikanten, die meede aan (dit fi:hip rccden , fal tref- 
fen. Dit en falby ons alleen niet verblijven, maervanons overgaan 
tot d^andere Provinciën, ende ghelijck 'tgemeynlick gaat, (fama 
malum , qua non aliui velocius ullum) tot alle de Gereformeerde Kerc- 
ken buyten 's Lants , welcke horende dit geruchte, enlefende die 
enorme 20. pofirien, endefcherpe daartegen genomene refolutie, 
niet anders en konnen oordeelen , alsdatonfe Academie in vyer en 
vlammeftaat, en alle dwalingen en Ketteryen inde felvehet jae veyl 
hebben. Want als de Bijle foo reets aan de wortel vande Boom ghe- 
leytwert, hoe waar 't anders mogelick, dat den flagh daar van niet 
en foude over al gehoort werden ? Derhal ven ftaat Teer te bevrefen> 
datfoo dit werck, niet inden beginne werdt inder minne bygeleydt, 
maar met ernft vervolght , dat het tot eene droevige fcheuringhe en 
yerwarringe der gemoederen fal uytberften , en wie weet wat groore 
onheylen inde Kercke en Politie baren. Maar wy vertrouwen op 
God en onfe onnofelheydt , dat , foo wf defe tweefpalt moeten bele- 
ven , wy ons noch voor onfe doot fullen gevrijt fien van die befchul- 
dinghe enoplegh, dat wy oorfaacke foude gegeven hebben tot dit 
quaat en onheyl. Al ftonden al de waarfchijnlickheden , en gunften 
der Werelt 5 gewapent met alle aanfien ende macht op tegen de wasr- 
heyt, ende fnelle leugen alle haar venijn tegen haar uytfchoot, foo 
moet fy nochtans , 't fy vroegh , 't fy laat, de overhant behouden, en 
met haren lanckfamen tret, dogh eyndelickdie fnelle voorloopfter 
achterhalen. nctvcPu/udrea^ a}\{S^tit, 

Ondertuflchen fullcn wy onfe zielen in onfelijtfaamhcit befitten, 
Godt van herten dancken , foo 't beter uytvalt als wy vrefcn of gif- 
fen. Maar foo ons lijden befcheeit is , ons befte doen , om foo veel 
ons mogelick is , dien heylfamen raet van Auguftinus in'twcrcktc 
ftellen, die als hy vooificndc de gcfchapcntheyt van onfen tijdt, 

ons 



Abrahami Heidani 



ons geeft , lib. de vera Religione , cap. 6. De GodtUjcke voorftenigheyt 
laet oock^ fomrydts tocy dat door eenïge turbulente oproericheden van vleefihe- 
licke menfchen , ookyroome lieden u/t de vergader inge der Chrijienen wer- 
den ujtgejloten. En wanneer [y defe [maat of ongelijck^haar aangedadn ^ 
geduldeltek^ verdragen hebben voor den vrede der Kerck^y [onder eenige nieu- 
wicheden van [cheuringe of Ketterde by der handt te nemen , [uilen [j de 
men[chen met haar Exempel leer en , met wat een juyvcrc genegentheydt , 
enoprechtigheytranlte[demen Godt dienen moet ^ Bet voornemen dan van 
die lieden is , ofte nae V bedaren van het onweder , wederom te keeren : oft 
[oo haar dat niet toegelaten wert , of om dat den [elven florm noch aenhout , 
efdat niet diergeltjcke of [waerdere door haare wederkomjie cpjiat , behou-- 
den [y noch altijdt den wille om oock^[elfs die geene ten beften te raden , voor 
wekkers oproer icheyt en bewegingen (ygeweeiken fijn^ Jonder [ch eentgh- 
[mts van haare by eenkomflen af te f heyden , tot der doot toe verdedigende 
en met haar getuygeniffe bevefiigende dat geloove , weUl^ y weten y dat in 
de Algemeyne Kercke geleer t wort. Sulcke kroont de Vader in *r verborgen j 
die haar in V verborgen ft€t. Dit fiagb van menfclyen jch^nt dun ge[aeyt te 
zJjn: nochtans en ontbreeckendcr geen voorbeelden: Jae dir fijnder meer ^ 
dan men wel geloven [ou. God geve,dat defcn raat van dien verrefienden 
Vader en vreedfamen Biflchop , door alJerlcy dwalingen , Ketteryen 
en fchenringen in fijne bedieninge voorgevallen , geoeftcnt , niet be- 
vonden en werde een Trophetie en af-bceldinge te zijn van onfc 
tijden. In welcke fich al eenige voorfpoocken , en voorloopers van 
dit gevreefde quaat beginnen te vertonen, en die feer fwaarlick fullen 
voorgekomen en vermi jdet worden , foo wy niet in tijdts volgen den 
beylfamen raat des Apoftels , Eph. 4. 5, en met alle ootmoedigheyt 
en [achtmocdtgheyt , met lanckmoedigbcyt malckanderen verdragen in lief- 
de : ons beneer fligende te behouden de eenicheyt des Geefles , door den bandt 
des vredes. 



Onder- 



CONSIDERATIE N. 

Onderricht over die befaemde 20, 

poficien, vertoonendc, dat dc mecfte derfclvcr 
noyt, dc andere wcynigc noyt met die woor- 
den, ofte indien fin, daerfe mede opgege- 
ven worden, in dcUniverfircyt tor Leyden zijn 
gelecrti waer in oock de ontrouwe van ecti 
fcker Bocckjen onlangs uytgekomen onder dc 
naeme van BxtraU uyt de 1\efolutien njan de 
Curateuren over de Vmioerfiteyt t^c. met vAm^ 
rvyfinge <-uan £ ^uteuren , ^oecken^ Tagien f^c, 
kiaerlick wort oncdeckt. 

De goetgunftige Lefcr heeft uyt het voorgaande geflen onfc 
Confidcratien over het gros der Refolutie van de H. H. Cii- 
rateurcn^en Burg;rmeeftcren. Om nu te komen tot cicke Stel- 
hngh in 't particulier , foo fahncn niet alleen moeten toonen , wat 
van de Taak is , maar oock fien , wat bewijfen dat de Autheurs van 'c 
foo ijenaamde Extract met de aanwijfinge , om defe Pofitien te 
veriheren , bybrcngen. Men foudc feker in dit Tradact verwacht 
hebben , datter foodanige Audeuren fouden aangewefen zijn, 
die defc pofitien met defelve woorden hadden geftelt, fooalsfein 
het Decreet selefen worden , ende dit foo veel tc meer , om dat- 
ter p, II. gefeght wort, d.xt hier de vrage niet «, hoe 't de Aiiteu- 
ren nemeent hebben , imer boefe ,^eJproken of gefibreven hebben. 
Maar men fal in 't vervoigh bevinden , dat in dc meefte Stellin- 
gen fodanige woorden in alles niet zijn gebruickt, gelijck wcliti 
't Decreet zijn geexprcfTeerr. Men foude oock gemeent hebben, 
dat alle die geciteerde Auteuren in de Academie "tot Leyden had- 
den gcdoccert, nlCoo men de H. Curateuren heeft wijs gemaackt , 
dat die 20. Stellingen in deUniverfiteyt eenige jaren hertraarts vau 
tilt tet tijt z.fjn gevemiltert ; maar men citeert drie Auteuren , dio 

G noyt 



50 ABRAHAMI HEIDANI 

iioyt in de Academie tot Leyden hebben gedocecrt » als daar i» 
Rcnatus des Cartes , de Heer Wolzogen j en de onbekend» 
Autheur van het Traftaat , dat de rhilofophie ujftlcghfler is van de 
Schrtfiuur. Immers clck een , die dit Decreet heeft gclefen, fal 
moeten oordeelen , dat defc pofiticn in de Univerfiteyt van 
Leyden in publieke difputatien van de geciteerde Auteuren , ia 
dienfe al waren geweeft Profeflbren van de UnivcrHteyt , waerea 
scventileert of gedoceert , maar hier worden voorgebracht ftaalt- 
jes uytBoccken, die al te vooren zijn gefchreven en gedriickt ge- 
fv^cefl , eer dat ecnige van die Auteuren tot Leyden beroepen 
fijn geweeft. Soo is het met de eerfteStellingegelegen,diegeciteert 
wort iiyt de Ultima Mofis Cocceji , gedruckt tot Franeker Anno 
1650. eer dat Coccejus tot Leyden is beroepen geweeft, en met 
de derde , die geciteert wort uyt Cocceji Traétatu de Focdcrej 
daar het bekent is, dat dit Traftaet al is gedruckt geweeft, doe 
Coccejus noch tot Franeker Profcflbr was'i alhoewel het hier nac 
is herdruckt geworden. Soo ooek alle de Stellingen , die tot laft 
van Wittichius geciteert worden , worden voort- gebracht uyt 
fijne Theologia Pacifica , die hy gefchreven heeft ende gedruckt 
ïs geweeft , eer hy nae Lqyden is beroepen j en daar is niet een van 
defelve, die hy oyt, tot Leyden Profcffor zijnde, heeft geventi- 
leert. Hebben nu de H. Curateuren gecnc betere informatie ge- 
Iiadt als van dit flach van menfchen , (die foo onbefchaamt voor de 
geheele werelt in ditTraöaetje derven feggen, datfe de woorden 
van de felve Stellingen willen aanwyfen in de Auteuren , daarfc 
nochtans andere woorden by-brengen , en dat van Auteuren s 
Tvaar van fommige in de Academie van Leyden novt gcleert heb- 
ben , en fommige alredc gefchreven hebben , ccrie nae die Aca- 
demie zijn gekomen) foo zijnfc fchandclick door de bottigheyt, 
ofte onbefchaemde boosaerdigheyt van verkeerde menfchen mis- 
ïeyt ende geabufeert 5 ende \vy hebben foo veel meer reden om 
over ons ongeluck tc klagen , dat de H. Curateuren noyt beter 
ran ons hebben willen geinformeert werden. Wy fnllcn dan de 
volgende Stellingen eens overwegen , ende^ met de geciteerde, 
pl'aatfen vcrgcHjckcn, om te fien, of-fe oyt in de Academie van 
teyden zijn gcleert geworden , en oftcr oock eenigh en wat voor 
<jiiact in de fm van fommige dcrfelvcr fal gevonden worden. 



CONSIDERATIES 
'De eerfle Tofttie. 



5» 



Eer wy dit Tradaat gefien hebben, hebben wy met konncn 
befeffen , op vvien de vter eerfte ftellingen fagen. Daarnae is om 
by geval voorgekomen een plaatfe uyt deH.Coccejus ad Vlium 
Mojis $. 8S6. in de vveicke hy, niet fprekende van de Vaderen 
des O. T. in 't gemeen , maer alleen van de Ifraèiiten , yets heeft , 
dac met de eerfte ftcllinge fchijnt over een te komen Hy fegc 
dan: Het oogwenk van defen ü cm te toonen i. dat de verkiefit^c 
van de Ifr.ieltten u gefibiet tot openbaringe vande faligheid. i.Dat 
doen, dsdegroo;jle tijdelicke goederen aan de l [ratlit en geneven Ciïn^ 
baar tioch met gegeven waann de waare en alttjt duhende goederen , eu 
dat de faltghetd [elf aan baar noch niet in der daat u-as geopenbaart 
getvorden. Wy hcbhen daarnae gefïen , dat die cabale, die dit bo- 
Ten genoemde Bocckjcn uytgegcven hebben , occk op de felvc 
plaatfchet ooge hebben gehadt; maar in dienfe foo wel de voor- 
gaande $. 885. als de 886. hadden willen aan de H. Curateuren 
en Borgcrmeeftcren voor ftellen , foude *t klaar hebben ecble- 
Icen , dat hy daarmede niet heeft willen feggcn 't gene defe woor- 
den van de andere afgeftjndcrt fchijnen mede te "brengen. Wy 
lefcn ƒ. 885. Htt argument, uyt'twelcke men moet oordelen fielt 
Idofes voor op V fdve fefde vers. dat God ü de Vader des Jfrae'iti- 
fchenvoUkl, als deuwlcke dat volc^hadde verkregen endegemaeckt 
rnde met aüe goederen verfien , tveUk^met aüeen in de figuir van dg 
Ujterluks 'Peldaaty maar va,: NB. de weldaat der verlof nge , vati de 
nieuwe fcbeppinge ende fchenktme van aÜis , dat tot het leven tnde 
CGdtfaltgbeit behoort , &c. verfiaan moet worden. Nicmant die 
de Schriften van dien Heer heeft gdefcn, kan van fijn rechtftnnig 
gevoelen, aangaande dcft; fake, tenminftcn twyfFckn. Wy wil- 
len alleen een plaatfe by brengen uyt ftjnTraöaet gencemtMorc 
Kebochim, aUvaarhy 5*.8r.ft.'ght: 't Syvtrrevanmyy datick^fcude 
cntkemien , dat [y (de gelovige van 't O. T.) verkregen hebben de ver^ 
gevinge van alle hu^.e fondcn , ende de rechtveerdigmakime , vm te 
verwachten dat g^oote loon, dat niet anders kan fjn als 't groot fie y 
datmenvan Godt verirachten /^t«. hk^kau hier in met ^oedt gewijfe 
fuggcn met den Afofiel Gal. 1, 8. /j^ fy vervlo.. kt, die jets "'anders 

G 2 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuesf U.C, 
Images reproduced by courtesy of Koninkliike Bibliotheek, I 
445 C 19 [1] 



52 ABRAHAMI HEIDANI 

gevoelt ofte leert. De woorden , die Coccejiis gebruickt $. 885, 
fijn mecft woorden van dc Schrifture, en (ouden van onfe tegen- 
partyders wel beter hebben konnen verftnan worden , in dienfe 
foo veel haar werck gemaackt hadden in 't lefen en overdencken 
van de Schrifture, alsv^el van Schriften der menfchen. De Schrif- 
ture neemt het woort [al'tgheyt altemets in een naeuwen endc 
bepaalden fin , voor V werck^der [aligheyt^ 'twelckeChriftusdoor 
fijn lijden endc heerlickheyt , daar op volgende, heeft uytge* 
wrocht; foo wort het genomen Heb. i- 3. alwaar gefcght wort, 
dat Chriftus de Heere die groote fuligheid heeft begonnen te verkpn- 
dimiy waar door men dan moet verftaan *t werck der faligheytj^ 
*t"welcke hy begofte uyt te wercken en te verkondigen , ofte^ 
gelijck t de Kanttekenaars aanmercken , die klare ende krachtige 
leerey die ons ter fuligheyt roept y waar door V Euangelium verjiaan 
wort. Wanneer dan Coccejus fegt, dat de fdigheyt aan de ifra'é- 
litennochin der daat niet was geopenbaart^ feght hy immers "^tfel- 
vc, dat den Apoftel alhier feght , verllaande met den Apoftet 
V werckjer faltgheit ende verlopnge , V welck^Chriflm begofl te werken 
fn te verkondigen y als oock^die klare ende kjrachtige Leere desEvan- 
geliums, die ons ter faligheyt roept. Die leere heeft immers aan de 
Ifraëliten niet konnen verkondight worden , niemant heeft kon- 
nen feggOi, dat Chriftus in der daat het werck der faligheit ende 
verloffinge volbracht hadde, eerhy vlees is geworden, endefijnem 
Vader gehoorfaamt heeft tot den Doot des Kruyccs. Wat is hier- 
in nu voor fwarigheit ; of fteeckt die daar in , dat Coccejus dc 
woorden van de Schriftuire gebruickt? willen dan onfe partytn, 
dat men met de woorden van de Schriftuire niet meer machfpre- 
ken ? En foo fpreeckt hy oock met de Schriftuire , wanneer hy 
feght > dat de Ifraëliten niet gehadc hebben de ware ende blyyende 
goederen y ende in de felfde fin, in dc welckefy van de Schriftuire 
gebruickt worden. De ware goederen worden altemets geno- 
men in tcgenftellinge van de voorbeelden ; foo Icfen wy ]oh. 
i: 17. dat de wet (onder de welcke oock behoorcn de voorbeeld 
den) door Mof^n is gegeven , maar de genade ende waarheit U door 
Jefum Chriftum geworden. Door die waarheit verftaan .onfe Kant- 
tecckenaars de vervull'mge foo der beloften als der Ceremoniën endc 
Vmbeclden. Dit fijn dan de ware goederen , die door de vcor- 

beci- 



C O N S I D E R A T I E N. 

beelden bctecckent zijn , het uyuviffen des bantfchrifts dat tegens 
om tras Col. 2: 14. ('t welckeonfc Kanttekenaars verklaren v^w d$ 
Wet der Ceremoniën^ die als een obligatie ofte [(hult^hrief iraareny 
waar door de menfchen ha^re misdaden ende fclmldcn dugeltchs voer 
Codt wel hekenden , ende nochtans door het uperlicke oefenen der 
felve noyt en wierden verloü^) foo oock die heerlicke trap des kint- 
fchaps y van de we/cke Paulus handelt Gal. 4: 5. weicke verkre- 
gen zijnde, de geloovige kinderen van'cN. T.niet meer zijn on- 
der Voochden ende Verforgersy gel/jck de gelovigen van *t O. T. 
waren. Ende dit werden oock alttjt dutrende goederen met recht 
genaamt , in tegenüellinge van *t Verbont der Genade , voor 
foo veel als *t met de Ifraè'liten gemaeckt tras , 't weleke niet en- 
berijpelick Heb. 8. 7.9. endealfoo niet altijt duirendewasj tenaan- 
fien van desfelfs toevallen , die het onderworpen was , befhandc 
in de dienftbaarheit onder de Wet , die met dat Verbont onder 
*t O. T. was verknocht. Want nu , nac dat Chriftus alles heeft 
volbracht, is *t felve geene foodanige veranderingen meer onder- 
worpen. Soo hebben dan de Ifracliten, voor foo veele fy waren 
onder de Wet, volgens den ftijl van Godts Woort, niet gehadc 
die ware en altijt duirende goederen , die de gelovigen des N. 
hebben , als genietende die genade en waarheit , welc ke door Chri- - 
ftum is. Defc faken meenen wy niet, dat een tgh orthodox Lec- 
raar kan ontkennen; ende alfoo wy hebben aangewefcn , d«t dc 
Heer Cocccj LIS dcfe dingen heeft willen met die woorden te ken- 
nen geven , en dat het zijn woorden van de H. Schriftuire, die hy 
ebruickt , foo is het klaar ; dat ten eerften, noch hy , noch ycmant 
an berifpt worden, die de woorden van de Schrifturc in een 
fchriftiiirlijcken (in komt te gebruicken ; ten tweeden , dat die 
gene defe woorden en den heden fin van Coccejus tegen de ftijl 
der H. SchriftL?ire verdraeyen, die hier uytfodanigen fin trecken, 
even of Coccejus van gevoelen geweeft was, dat de Vaderen van't 
Oude Tefiament niet fotiden gchadt hebben de vergevinge der fonden ^ 
het geloêve ^ de heyltghmaktnge ende bet eeuwige leren y ofte oock 
dat de wegh en belofte der ecuwiger T^aligheyt haar niet fotide bekent 
geweeH iLtjn. Zijnde dit alles noyt van een orthodox Lceraar ge- 
leen > en ftrijdende regel- recht regen de woorden van Coccejus: 
uyt fijn More Nebochim Itracks aangchaalt , 't weick vcy oock 



54 ABRAHAMI HElDANï 

alles verfoeyen en verwerpen j oordeelende anders tó>ck niet ge- 
houden te zijn, om al 't gene, dat dien Heer of een ander or- 
thodox Leeraar oyt en oyt gefchreven heeft , te verdedigen , als die 
profeffie maken van niet anders te kennen als *t Woort Gods ^ 
aen *t vvelcke wy ons in alles gaerne onderwerpen, 

tweede Tojttie. 

Dc twede flcllinge is , dat de Vaderen van V O, T. geen j^erujlc 
Confcientïe konnen gehadt hebben. Die wort Coccejo te laftc ge- 
leit, en om dit te bewijfen worden drie plaetfèn bygebracht , on- 
der de welcke nochtans niet een is , die de felve woorden vervat. 
De cerfte is genomen uyt Cocceji Epift. ad Hebroos , die foo 
moet worden ovcrgefet : De Confcienüe en k^n niet vergenoccht 
xyn (acquiefcere ftaatterin 't Latijn, en wort qualijck ovcrgefet 
Yufien^ want dan moeftcr ftaan quiefcere) voorenaUerdemenfche 
rerfoentü door de Offerhanden meten door de weUkf hem betaamt tot 
Godt te komen , en dat hy wete , dat hy op 't vertrouwen van die Offer^ 
bande (illius facrificii, 'twelck qualijck overgefa wort, van de Of* 
ferhande) tot Godt komt. JVant in dte Offerhande is dan eer ft deCon-- 
fcientie volmaacks ^nde bevredight. Ende foo lange heeft de menfche 
nootfakelijck^dc Conkicntic der fonden, die hem voor Godt befehul-* 
dight ende van alle gemeinfehap Godts af fondert^ Soo feght dan den 
Apojlel, die tot Godt naderen , de confcicntie der fonden hebben ^ 
eifchende cennootfakeltjcke reyniginge, oock^felfs onder de verhondin^ 
ge der genade en der belofte y foo lange tot dat Chnflus in den vleefche 
verfcheenen is , ende d' offerhande voor de fonden heeft geoffert. Dc 
woorden , die hier met andere letteren gedruckt zi n , zijn oock foo 
gedruckt in *t Latijn by Cocccjus , waar mede wort te kennen 
gegeven, dat het woorden zijn van de Schrifture fclfs. Ditfcheelc 
al wat van de woorden , foo als die in de tweede ftcllinge gevon- 
den worden , die daar fchijnen aen de Vaderen des O. T. te benc- 
Xïien alle fekerheit van de vergevinge harer fonden ende van de ho- 
pe de eeu.vigen Ic/ens, het vvclckc C:)ccejas noit heeft ge- 
droomt , gelijck al te voren by de ecrfle fteilingc is acngewefen. 
De twede paftagic is genomen uyt Cocceji Commen^^arius over 
dc Brief aca de CalolTcAfen , alwaar felfs het Latijn niet fonder 

ver- 



CONSIDER ATIEN. 55 
Veran Jcringe wort gecitcert , cnde al wederom in *t ovwfettca 
«enige misilagen begaan werden. Men hout opfcttelick achter de 
hant 't gene voor- af- gaat, en de Mxcnirge vanDn.Ccccejus wel doet 
yatten. Hyfegt dan: Want hotwd éndingitii die me de hifetttn^cn 
gefchieden , hetu'tghden , dat de verfoetiwge derfor.de endc het gene dat dt 
gerechtigheit rerwierf ( lyMi»,Kgt ) noch niet tegem-cotdtgl: u as, [00 ver- 
vreemden j) nochtans niet van't verhont endede vricnifcL^pGodiKB. 
maar fy betuighden veel meer-, dat het bleet gegeven wiert voor haere 
x.ielen, en dal fe cm niet gerechtveerdight tvierdcn, niet deer ejgen ge~ 
reebtigheit. De Offerhanden betuighden , dat men met God ten yer- 
bondt hadde over de Ofterhande P/. 50, 5. cnde dat het gimaackt 
fpierde ( per ejiis i^Ao^W ) door het toeftemmen van 't felve. De 
wajfchingen verklaerden , datter was cenrcyntpater , dcer't welcke j) 
geipaf ben wierden van alle onreinigheit , dat fy konden kernen tot het 
Huys Godsy in't tvelcke U vrede, gerechtigheit ende leren. Soo wa- 
ren defe Ceremoniën gelijck^geordineert met de bcfnijdenip , die daar 
H>as eenz^gel van de gerechtigbeyt des geloof s Roni. 4: 11. dewelke de 
andere infettingen niet uytfloten. Hier uyt hadde kennen blijken , dat 
Coccejus de gelovigen des O. T. niet beneemt alle fekerheit of- 
te geruftheit van confcicntie , terwijlen hy haar toefchrijft de x,cge- 
ieti der gerechtigheyt des geloefs ; maar dan foude men de WereJt 
niet hebben konnen abufceren , door 't aantrecken van de vol- 
gende woorden , die foo vervolgende luiden uyt het Latijn : Onder- 
tujfchen waren baar die eenighfms tegen , om datfe haar niet toe cn lieten 
om dichte by te naderen. Sy en lieten baar niet toe te doen 't gene die 
doen die verloIlx.fjn, detrelcke roemen ende blijde ;cijn, ende hebben ee» 
volmaackte confcientie, ende vry z.ijn. Noch en lieten fy haar niet toe 
«f te vorderen de dingen , die de fulcke afvorderen ende ontfangen in 
dit leven die verloïi :^n, te weten bet erfdeel der Hejdenen. Op de 
felve wijfe tvort gefcyt , dat de Wet toorn tverckt &c : De derde- 
plaetfè is genomen uyt de uyticgginge van Cocccjns over de Ro- 
meynen, die al wederom vernïinckt wort bygebi acht. Soo begint 
de felve : De Wet die toorn wcrckt is wel die Wet , die feght : Die^de- 
fc dingen gedaan fal hebben , fal in dcfclve leven, rcor foo verrr 
fyniet alleen de fonde openbaart , (dit alles is vcrby gej^aan) maar 
oock,doen ter t^t te kcmen gaf, dat de fchult noch do'or geene be- 
qnamc efferharide wcch genomen was , en dat daarom oeck. aan die 

gene > 



ABRAHAMI HEIDANI 
^erte, die de beloftentjfi geloofden , heUïl is, datfe een hand fchrift te- 
gen haar [elven geven moeflen^ doende haar leven lanck^feer hefwaar- 
)'uke wenksn niet hevmge , angfl en geen gemeene vreefe. De Autcu- 
ixw van (Uc Extraót met aanwyfingcn&c.bewijfcn dit oock noch 
uyt Cocccji Foedus , alwaar de volmaackte ende geruüe Confcicntie 
won mede gerekcnt ow^^)^ de Goederen des Nieuwen Tcüamcnts , 
Sl^Jlelt tegen den Toorn , dten de Wet werckte in bet Oude Teflament. 
Maar hiermede vverdt ons dc vvegh gevvefcn , om den (in ende 
meehingc van D"- Cocejus foo veel te beter te konncn ver- 
flaan; u^ant hy in 't genoemde Traftaat van *t Foedus meeft dc 
woorden van dc Schriftuire gcbruickt , die immers de H. Cu- 
rateuren niet hebben willen verbieden te gebruiken, ende, aU 
men die met de aangetogeneplaatfcn vcrgelijckt , fal men bevin- 
den ende klaar konncn fien, dat hy alleen heeft willen feggen , dat 
de gelovigen van 't O. T. niet hebben konnen vergcnoeght zijn 
met die kliaduwen ende inftellingen , die doen vvaren , welckedc 
toekomfte Chrifti, ende fijne weldaden wel verbeelden , maar even- 
wel die goederen felfs niet waren, welke fchaduwen oock denge- 
nen, dte den dienfl pleeghden y niet en kpndtn hejfligen ofte volmaken 
nae de confcientiey gelijck die woorden wel expreflelijck te vinden 
2ijnin den Sendtbrief aen de Heb. 9: 9. en dat fy derhalven hebben 
verlangt nae de betekende faken, niet konhcnde in hare confcien- 
ti^ vergcnoeght zijn met de tekenen ende voorbeelden , foo datfc 
volgens het gene Chriftus felfs feght Luc. X. 24. hebben begeert 
te fien bet gene de Apoflelen fagen^ en bebben^t niet gcfun^ en te 
hooren 't gene de Apoftelcn hoorden , en hebben met gehoorr. 
Hy heeft verder oock willen te kennen geven dat Paulus 
fegtHeb.X. j. datter alle jaren door de offerhanden gefchiede eene 
wedergedacbtentffe der fonden , cn datfe alfoo moeften door dc 
Wet der Ceremoniën des O. T. eene handfchrift ondcrteecke- 
nen , alfoo de felve als eene obligatie ofte fchuldbrief waren , waar 
door de menfcben baare wifdaden ende fchulden dagelicks voor Godt 
wel bekenden, ende nochtans door het ujf ter lick. oeffenen der felve nop 
en wier den verloHj gelijck^ ?aulus verklaart Heb. X. i. volgens dc 
Nederlandfchc Kamteeckenaars op Col. 2. num. 52. En dit hand- 
fchrift belettede haar oock, datfe foo dichte by niet dbrften nade- 
len, als wel nu gcfchiet van de gelovigen des N. T. Want fy 

moe- 



C O N S I D R R A T I E N. 57 
xttoeften tot Godt naderen door het tuflchcn komen van de Prie- 
fters cnde Offerhanden, daar wy nu fondcr tuffchen komen van 
eenigemenfchen, alleen door Chriihjm cnde fijne Offerhanden, 
den vryentoeganck tot Godt den VaderhebbenEph. 5:11. Soo 
haddenfe dan die vergenoegingt niet in haare confcientie ende dien 
hoogen trap van geruHhejt niet , die de gelovige des N. T. hebben. 
Indien ymant een Borgc heeft, die lekerfai betalen , dieiswel 
geruft, maar als hyweet dat deBorge betaalt heeft, en dat het 
handfchrift gcfcheurt is, kanhy noch meerder geruftheyt heb- 
ben. Onder hetO.T. hadden de geloovigen Chriflum wel tot 
haaren Borgc , ende fy waren verfekert , dat hy betaclen foude, 
cnde met die geruftheyt ftiervcn fy, bevelende haare zielen 
in Gods handen; maar de gelovigen onder't N. T. hebben die 
meerdere geruftheit, dat die Borgc nu betaalt heeften dat het 
handfchrift gcfcheurt is. Stelt nu eens, dat een Schuldenaar wel 
een Borgc heeft, die hy weet, dat voorfekerfal betalen, maar 
dat den Crediteur aan den Schuldenaar dagelicks komt te ver- 
toonen fijn handfchrift ende fteeds in gedachtcniflebrcnght, wat 
hy fchuldighis, jaedat den Schuldenaar dagelicks nieuwe fchul- 
den makende, op 't nieuwe dickwils geverght wort , om nieuwe 
handfchriften te teeckencn , en die in handen van den Crediteur 
over te leveren, moet hem dat niet eeniger maeten ontruftcn, 
cnde lal 't in hem niet wercken een hertelick verlangen , dat den 
Berge doch mochte voldoen , cndathy van dit vcrwyt mochte 
verloft worden ? Soo is't gelegen geweeft met de gelovigen des 
0*T. Godt dc Heer verweet haar dagelycks , door 't gebodt van 
dagelickfe Offerande te doen, dat fy noch fchuldig waren , dat 
fy doorhaere fonden den eeuwigen Dood verdient hadden, dat 
haarBorge noch niet betaalt hadde ; fy moftcn alle jaren folcm- 
nelyck op den dagh der verfoeninge door Offerhanden het hand- 
fchrift ververkhen , ende door defelven wierde haar in gedachte- 
niffe gebracht Hebr. X. 3. dat haare fonden noch niet verfocnt 
waren, dat de Borgc voor haar noch niet betaalt hadde. Wie 
kan denken , dat dit niet eenighfins hare confcientie ontruft heeft, 
cn fy dcrhalven niet vcrlanghr hebben nae de betaelinge, die ha- 
ren Borge doenfoude? Wy en geloven niet, datymanJt, de 
H.Schriftuirc met acndacht gelefen hebbende,dit fal durven ont- 

H kea- 



ABRAHAMI HEID ANI 
kennen,hetwaare ons anders feer licht 't felve in 'tbreede klaar 
uitGodtsWoortte veriooncn. Navan dcfe betaelinge Chrifti 
hineh oock af hcterfdeel der Heydenen; want aen Abraham was 
belooft, dathyfoude zijn dc Erfgcnaem des >)^erelts , als Chn- 
ftus gekomen was, endealfooode fchaduwen ende voorbeelden 
vervult fonde hebben , en dc dicnftbaarhcit des "Wets der Cere- 
moniën afgekhatt , alfoo de Hcy denen ecrft fouden tot Chnftum 
bekeert worden nae fijnkomfte , ende na dat hy alles hadde vol- 
bracht dat tot onfe faligheit van noodcn was. Dit de gelovigen des 
O T uytdcSchriftuire welwetende, konden fy dit Erfdeel der 
Heydcnen niet eerder als nae de komfte Chrifti begccren. 'tis 
w el waer , dat de gelovigen van 't O. T. alle dcfe (wangheden en 
fcrupulen , die haar tot dit teyckenen van 't handfchrift gemacckt 
wierden , hebben konnen overwinnen , en oock in der dact over- 
wonnen hebben, fiende door 't gelove, (fteunendeop Gods be- 
loften vm 't zaat der rromve, in de offerhanden voorgebeelt) 
d'Offerandc Chrifti; maar de gcruftheit van de gelovigen onder 
't Nieuwe Teft. is foo veel te hecrlicker, om dattcr nu die fwarig- 
hcdcn van 't noch niet gefchcurde handfchrift, ende van 't fte- 
dice vernieuwen van 't fclve, niet konnen voorkomen, alloo 
»tlelveChriftus acn'tKruycc heeftgefchcurten te met gedaen 

Col. z: 14. 

De derde Pofitie. 

-Wy gaacn voort tot de derde ftellinge. Dat de H. Geefi in haar 
niet voort lehraM heeft mre^ngen , dk God als haren F ader ^ endt 
haerals Gods Kinderen f aften. Om nu te bcwyfen , dat die ftellin- 
ee in dc Univcrfitcit van Ley den gelecrtlis,brcnpen de Autcuren 
?ant 't ExtraB met de aenwyftngenjc. voor dc woorden van 
Cocceji Poedus $. 9 5 P^g- 9^°- ^ hoewel J' HetUgentn tO T. 
ontfangen hebben den Heyligmake^den foo en heeft defelvc 

nochtans in haerniet ge^vercKtdetoegenepntheytA^«J^(^^ 
dat mocfte overgcfet worden dic gcftcltheidt) dewekke Godt 
als haarenrader, ende haar als Soonen "'^'''■Y'^TvTn 2 
iv^ in haer den get ft der dicnftbaarhcit tot vreefc. Wy fnllen de 
voWndé w^^^^^^^^ hier by voegen , alfoo in dc felve de meemnge 



Consideratie M. 

tan Coccejus klaar is te fien, ende miffchicn oock daarom vaa 
die Autcuren fijn vcrby gegaan. In tegendeel die gene die tot het 
JN.Tefi* behooreny ontfangen foo haefl als fy geloven de belofte 
des H. Geefts GaL 3: 15. dat is den Geeft der Kinderen die belooft 
ivdSy wien het toekomt tc roepen Abba Vader Rom.S. 15. De 
Aanwyfers voegen hier by de woorden uyt de verklaringc van 
den Brief acn de Romeynen pag. 227. \(^y fullen het naeft voor- 
gaande daar by fetten : Defe \^7et heeft Toorn gewerckt , dat is^ 
heeft y ets belaft^ ^twelckevande fonde^ van de fchuldt y vandi 
wet die de fonde veroordeelt , van de vloeckjnde alfoo van den toorn 
voort^uam. Want de toorn Tvort wel niet gefeght een wille om te 
Jlrajfeny maar evenwel een wille om Jlrafhetdt te oeffenen 'ende haar 
nalatiger en Jirajfer te handelen als men met Soonen handelt y om 
dat de Offerhande voor de fonde noch niet volbracht en wxs. Hier is 
wederom al eenige veranderinge van woorden , alfoo de ftellin-» 
ge fpreekt van werkingen, daar Coccejus fpreekt van /ö^^^;/^^^';;^- 
heidt. Doch wy willen hier op niet ftaan , miflchien hebben dc 

H. Curateuren door de twede of derde handt defe ftellingen ont- 
fangen 5 io dat het wóort effe[lm licht voor het woort affeSlm heeft 
konnen gefchrevcn worden. Maar de woorden, foo als fy uyt het 
Foedus fijn bygcbracht , brengen haren orthodoxen fin mede, 
cnde worden foo van hem gcbruyckt , alffe oock in de Schriftuirc 
gevonden worden. Hy neemt die woorden van leader en Kinde^ 
renhy uytncmentheidr ende in vergelyckingc met de geloovigen 
van^tN.Teftament. Het is klaar, dat Dn. Coccejus alhier liet 
op Rom. 8. 15. Wantghj en hebt niet ontfangen den Geefl der dtenjl" 
baarheidt wederom tot vreefi: maarghy hebt ontfangen den Geeft der 
aannemiyige tot Kinderen y door wekken wy roef en y u4bba y Fader; 
alwaar een klaare legen-ftellinge is tuffchen dc werckinge des 
Hcylighmakenden Geefts , foo als de felve aan de Gelovigen des 
O. Teil-, is gegeven , en tufl'chen de werckinge Jeffelven , foo alffc 
aan de Gelovigen onder het N. Teft. wort medegedeelt* De H. 
QcQ^wrochie inbaar de dienfibaarheidt tot vreefey ''twelcke den 
Apoftel niet veritaat , even ofzcin <^eenen fin waren Godts Kin- 
deren geweeflj maar, gelijck hy felvc hem uytdruckt Gal. IV. 

I, 2, datfc alhoewel na den inwendigen ftaat fijndc Kinderen 
«n Heercn van alles, na haren uyterlycken ftaat gehouden 

Hl wier- 



6o Ab RAH AMI HEIDANI 

wierden als Knechten , en datfe dieshalven gelijck Knechten on- 
der de dienftbaarheidt des Cerimonielen Wets ^aren, cnde 
een ontydigcn Doodt te vrefen hadden , wanneer fe een van die 
geboden quamen tc overtreden. De Heylighmaeckende Geeft 
wrochte in haar foodanige vreefe, ende door de felve, datfe haar 
felfs onderwierpen onder defe dienftbaarheidt, cnde foo oock ia 
dit ftuck hare gehoorfaamheidt tegens Godt bctoonende gchei- 
light wierden; maar nu onder 't Nieuwe Teftament , alfoo defe 
dienftbaarheidt door Chriftum is afgefchaft, fijn de Geloovigcn 
oock ten rcguard van haren uyterUcken ftaat als kinderen, ende 
worden nu in geenderley manieren , felfs niet wat het uyterlijcke 
aengaat, als Knechten gchandelt, maar enckel als Kinderen. Sy 
en koften dan vervolgens op die maniere tot God niet roepen^ 
jibbdyl^adery gelijck ""t van de Gelovigen onder 'tN.T. wel kan 
gefchieden, Defe particuliere ^tf/ï^/rè^f^rkonde inhsi^r, als Kwde- 
ren fonder dien fibaarheidt ^ tot Godt als haren K^^^^/^r, diealrededc 
verfoeninge voorde fonden van Chriftus badde ontfangen ^ ende dies-' 
halven haar niet meer onder de dienjibaarheidt wilde onderwerpen^ 
oeen plaatfe hebben , gelijck de felve wel plaatfe kan hebben in de 
Gelovigen van 't N. Tcft. Dit is ""t gene de woorden van Coc- 
cejus willen te kennen geven: en ^t is niet tc geloven, datfe in 
foodanigen fin , die geheel Schriftuirlick is, fouden verboden 
fijn ; want men kan noch mach niet dencken , dat de H. Curateu- 
rcn oyt gedacht hebben tc verbieden, dat de Theologanten met 
dc Schrittuirc fpraken cnde gevoelden. 

De vierde Po/ttie. 

Volght de vierde ftellinge, dat de Vaderen van 't O.T. door haar 
gantfche leven de macht des Duivels , ende de vreefe des Doots onder- 
worpen geweefi fijn. Dit moftc nu volgens de gedaene belofte 
acngewcfen worden met woorden van dc Autcurcn; maar dc 
Aenw yfers feggen hier alleen : Dit volgt ujt de verkeerde uytleggin^ 
^eover hebr. i. 14. die {y daarna Coccejus te lafte leggen. Maar 
wat grooie Meefterfchap is dit , dat fy 'tgenc fy verkcerdelijck 
mecnen te volgen uytfymants woorden, hem derven toefchry- 
Ycn, alsofhy 't felve met die woorden hadden geleght, en daer 

door 



Consideratie N. 6i 

door de H. Curateurcn verkeerdelick berichten, dattcr foodanig 
een flellinge op de Univerfiteyt van Leyden is gelcert. Hoe ken- 
nen {y dan feggen p. 1 1 . dat hier de vrage niet is , hoe 't de ^utturen 
gemeent hebben , maar hoefe gej^roken ofgefchreven hebben ? Want 
als men van gevolgh fprcekt , moet dit immers de vrage wefen ; en 
vry fullen daetelick aenwyfen , dat uyt de woorden van Coccejus 
niet en volght 't gene fypractendecren te volgen. Wy fullen de- 
felve wat hooger ophalen, cnde wat verder vervolgen, als de 
Aanwyfers alhier doen. D e vree fe des doods ^ feght Coccejus in 
voorgaande, die haar in de dienfibaarheit hielde , quam voort uyt de 
bedreiginge, die by't vleefchelicke gebodt ^vm bygevoeght , en uyt de 
tontrarie belofte. Want in 't voorige T iflament, dat de tfra'eliten heb- 
ben ontfangen^ was 't Landt tot een Erfdeel gegeven wet tydelyck* 
goederen ende een langh Leven : ende dat ivoi den Gelovigen een onder- 
pandt des eeuwigen levens in den Hemel. Derhahen moeften fy dat 
pandt beminnen. Daarom moeften fy eenen ontydigen Dood vrefen als 
eenivraacke der overtredinge. Daarom moeften fy de dienflbaarheidt 
dragen, om in die wraake niet te vervallen. Ditwas haar tot een 
exercitie van gelove en gehoorfaamheydt , ende tot een aanprickelinge 
van haar verlangen y eadorH naedeverloftïnge ende open baringe der 
gerecht igheidt in Chrifto. Soo U dan defe dien ft baar heidt in de Kin- 
deren Gods gexveeft eenwercl^van den Geeft der Beiltghmakinge ,die 
tn dien tydt haar geweefl is een Geest der Dienftbaarheidt , dat tt, 
dte tn haar werckte dat gelove en die gehoorfaamheidt , diemen tn de 
dienftbaarheidt moeUe oefteneft. Laat ons dan nu eens infien dat 
fchoonc gevolgh, dat die Auteurcn hier uyt komen te trecken. 
Sy feggen : JF^t volght daar uyt anders ? als dat de gelovige Out- 
V aders , ftaande onder de dien H baar heit der Ceremonieele Wet, moe- 
ften ftaan al haar leven lang onder de vrefe des tydelijcken doodts, 
die haar beroven foude van haar beminde onderpandt. Staande 
dan onder de vreefe des doodts y foo ftonden fy oock^ onder de 
macht des Duivels; want den ^poftel feyt, dat de Duyvel, 'tgè- 
tveldt ende macht hadde over dien doodt dien (y vreefden. \YV 
mercken hier eerft aen, dat defe Duitfe overlettinge alhier 
verfchilt van de gene, die eerft onder den Tytcl ExtraB van 
fchadehcke nieuwigheden is voorgekomen,alwaar het Latyns woort 
imperium was oyergcfet door ryck y maar hier wort overgcfet 

H 3 door 



6x Abrahami Heidani 

door macht y alfoo den Overfettcr miffchien naderhant gefien 
heeft , datter in den Brief aen de Hebreen van geen ryc^maar al- 
leen van macht wierde gewach gemaacktj men hadde dan defe 
Pofitie in dier manieren de H. Curateuren niet moeten in dc 
hant fteken. Doch dit in 't voorby-gaan. Hetgevolgh , dat hier 
gemaackt wordt uyt de woorden van Coccejus , gaat geweldich 
manck. Men moet in de woorden Hebr. 2. 14, i 5. defe onder- 
fchcidene weldaden Chrifti aanmerckcn ; de eerlle wort begrepen 
in't 14. vers, ende raackt alle dc Gelovigen in^'t gemein. De 
Duivel hadde den eerften menfch in 't Paradys overwonnen , en- 
de alfoo in hem alle fijne nakomelingen. Daar door hadde hy dc 
macht des doots over de menfch verkregen, alfoo wy doordc 
fondc de doot hadden verdient , die Godt aen de overtreders van 
fijn gebodt hadde gcdreyght. Door defcn doodt verftaan alle 
rechtfinnige Leeraars alle 't gene in de H. Schriftuir door 'twoort 
Doot \rort beteyckent, te weten de gccftelijckcdoot in fonden 
'en mi(daden, de tydelijcke dood, voor foo veel als die door fieck- 
tcn ende elenden wordt aengevangen , ende door het fcheydcti 
van lichaam ende fiele wort voleindicht, en dc eeuwige doodt 
bellaandc in dc eeuwige verdoemeniffe. Over alle defe doodt 
hadde dc Duivel dc macht ontfangen doordc fondc , ende die 
heeft hem Chriftus ontrent de uytverkorcnc ontnomen door fij- 
nen doodt, alfoo hy voor alle die ftraften, die de verkorene had- 
den moeten lijden , heeft genocch gedaan, Soo verftaat het oock 
CocccjasinfijneuytlcggingeoverHebr. 2. 14. Hy feght: 'tge- 
welt des doodt s U de macht , die geen menfch onnvorftelen kan , [die 
te ^ebruycken^ is een jeder menfche te hefchuldigen y dieuyi Adam 
geboren is ^ ende hem te hebben onderworpen om de fondete dienen^ 
eyide cyndelick^ hem te dooden , ende in de eeu wige pyne te fiorten. 
En voorts: De Duyvel^ die de macht des doods heeft , heeft niet 
kpnnen vernietight worden ^ als door den doodt des genen ^ die heiligety 
of des l^orflen der faligheit. En vervolgens. De vernietinge des Dui- 
veis beteeckent niet fijne eygene vernietinge , maar de vernietinge van 
fijne macht y ofdeverniettngederfondey des wets der fonde ende ver-r 
maledyingey door dewelcks den Duivel 'tgewelt hadde. Maar dat 
moet verjlaan worden van de gene y die aan Chrijlum gegeven zyn. 
Maar alhoewel nu de Duivel omtrent de Gelovigen geen macht 

hadde 



CONSIDEHATIEN. 6^ 
hadJc van wegen de Joot Chrifti, nochtansfoo waren de Gelo- 
vigen onderworpen de vrcfe cenes ontydigen doods, in gevalle 
fy omtrent de Cerimonieele Wetten eenige miflagen begin^^en; 
niet wel in dien fin , dat over dien doodt de Duivel eenige macht 
hadde , want die wort in 't 14, vers gefegt hem ontnomen te fijn, 
maar dat Godt haar met foo een fchielicken doot koftc kaftyden^ 
ende oock altemets eenige onder haar kafty de, gelijckvvy dade^ 
lick breder fullenaanwyfen, ende daar door de andere ondei de 
vreefe des doodts onderwierp. Van defe vreefe des doodts heeft 
Chriftus de Gelovigen oock verloft , alfoo hy door fijn dood alle 
die Cerimonien ende foo oock de dienftbaarheit onder defelve 
heeft vernietigt , ende van defe particuliere vveldaat, die alleen de 
Gelovigen onder ''t N.T. raackt , fpreekt den Apoft. in ''t 1 5. vers; 
foo dat hier uytblyckt, dat het fundament, waar op dit gcvolgh 
fieunt, te weten, dat de Duivelde macht hadde over dien fchie- 
licken doot, die de Gelovige onder ''t O. T. vreefden , t'ccne- 
maal valfch en ydel is. Ende dit was het eerfte lidt van die ftellin- 
ge , ^t welcke wy gctoont hebben, dat Coccejus nay t heeft geleert,. 
noch met eigene woorden, noch doorfeker en vaft gevolgh. 

Het twede lidt is , dat de Gelovigen des O, T. door haar gants le- 
ven hadden moeten fijn onder de vrefe des Doods. Wy ontkennen 
niet, datCoccejusmetdenApoftelgeleert heeft, dat de Gelo- 
vigen des O. Teft. met vrcfe des Doodts door al haar leven der 
dienftbaarheydt onderworpen waren. Wy konnen oock niet 
dencken , dat de Heeren Curateuren 'tfelve hebben willen ver- 
bieden , als alleen , wanneer men door den Doodt verftaan foudc 
den eeuwigen doodt, en datmcn foude willen feggen , Aai de ba- 
ders des O. T. door haar gants leven hadden moeten ftjn onder de vrefe 
des eeu wigen doods y en loo vervolgens geene fekerheidt van hare 
eeuwige falighcydt gehadt hadden, 't welcke ftrydigh is met het 
vafte vertrouwen , dat fy gehadt hebben op het beloofde Zaat der 
Vrouwen > ende met de fekere verwachtinge der faligheit na dit 
leven, >)relck gevoelen wy van herten verwerpen. Doch de 
Aanwyfers vatten 't op de vrefe eens ontydigen doodts , maarfy 
noemen dit een verkeerde uytlegginge; wy fullen dan defe fake 
Wat nader verklaren. Calvinus leert in fijne Inttitutien in^'t twee- 
de Eoeck in't elfde Capittel, inde tweede Sedie, dctGodt de 

Hccre 



Ó4 Abrahami Heidani 

H ccre aen Abraham belooft heeft het landt Canaan onder geen an'* 
dere conditie ^ als dat het foude ftjn een pandt van de Godtlicke gunfi 
ende een voorheelt van de Hemclfche Erffenijfe; cnde in de derde 
Scéliercglit hy : Dit is dereden ^ waarom dat de Heyligen onderst 
O . T. gelefen worden meerder , als ^t nu wel betamen foude , geacht te 
hebben dit flerjlicke leven ende dejfelfs z^egeningen, Hebbcnfc dan 
een langh leven meerder moeten achten als wy, foohebbenfc 
immers eenen ontydigen docdt meerder moeten vreefen als wy 
onder \ N. Teft, ïoo dat nootfakclick volgens de fententie van 
Calvin de Gelovigen desO. T. hebben moeten een ontydigen 
doot daarom vrefen , om datfe door defclve berooft vrierden van 
tijdelijcke lange leven haar belooft als een pandt van *t eeuwi- 
ge leven. Het is oock feker , datter eenige Cerimonicele Wet- 
ten aen de Ifracliten gegeven zijn , wekkers overtrcdinge nu cn 
dan van Godt met de doodt geftraft is. Indien ymant als Priefter 
totGodt wildenaderen, nietfijnde uyt 't geflachte van Aaron, 
die wierde metten tijdelicken doot geftraft , gelijck dit beproeft 
hebben Koreh, Dathan, Abiram ende haar Rot. Wilde een 
Priefter reuckwerck doen voor Godt met vyer, 't welcke van den 
Altaar niet was genomen , cnde dieshal ven vreemt vyer vznGoêi 
genaamt wort , die wierde meteen fchielicken doot geftraft , ge- 
lijck bleeck uyt ''t exempel van de Soonen Aarons Nadab ende 
Abihu. De Arkc des Verbonts moefte van niemant aengeraeckt 
worden als van de Priefters , cnde daar en moefte niemant in dc 
felvc ficn; dit hebben de Betzemitcn dier moeten bcfuyren , dc 
welcke, om dat fe in de Arke des Verbonts door enckele curieus- 
heyt , cnde miflchien uyt groote blydfchap ingefien hadden , foo 
hart van Godt geftraft iijn , dat defelve onder haar heeft geflagen 
vyftigh duyfent ende fevcntich menfchen i.Sam.VI. 19; cnde 
Uza geen Priefter fijnde , om dat hy , hoewel uyt een goede mec- 
nin^e , op dat de Arkc niet foude van de >5(r^agen vallen , doen de 
Runderen ftruickclden, de Arke vaft wilde houden ende alfoo 
dc (clve aenraeckte , is van Godt met een fchielicken doot geftraft 
c^eworden. Dit is haar overgekomen om overtrcdinge van een 
'Cerimonicele Wee, alhoewel Godt by dclelve geen dreigement 
van de tydclicke doot hadde bygevocght. Hier uyt konden fy 
begrypen, dat, indienze oock noch eenige andere Cerimonccle 

Wet- 



CONSIDERATIEN. 6; 
"W^cttcn mochten , oockfelfs door onvoorfichtighcidt, overtre- 
den, datfe te vrefen hadden met eenen fchlelicken tytlicken doodt 
gcftraft te worden. Uyt defc vrefe was het , dat David de Arke 
doen ter ty t niet dorfde in de Stadt Davids tot hem brengen , ge- 
lijck wy lefenz. Sam. VItp, lo. Wy geloven niet, dat ymant 
dit fal ontkennen, ende vertrouwen oock, dat het de meenigc van 
de H. Curateuren niet en is, ons te verbieden , dat wy niet fou- 
den mogen feggcn, dat de Gelovige , foo lange aljfe onder de Ceri- 
monieele Wet waren , hadden moeten al haar leven vreefen , datfe door 
genen ontjdigen ende fchielicken doot van G odt foudengeflraft worden^ 
indienfe oock^ door eenige onachtfaamheidt een van de CerimonieeU 
Wetten qnamen te overtreden. 

De vyfde Pofitie. 

De vyfde ftellingh is wederom twccledigh, het cerftcHdtis, 
Solum Decalogumfuijfe foedtió gratUinf^.T. Dit moet over-gefet 
worden : Dat alleen de Tien Woorden fijn geweeft 't Verbondt der 
Genade in het O. T. Dit heeft niemant van ons geleert. ^5^y ge- 
loven , dat het Verbont der Genade in 't O. T. overal te vinden 
is; in de mcnighvuldigc beloften van \ Zaat der Vrouwe , van het 
Zaat Abrahams, van de Meffias, in de menighcricy voorbeel- 
den ende fchaduwen , in de Tien Woorden , die Godt tot Ifraël 
op Sinai gefproken heeft , maar niet alleen in defelve : maar alfoo 
die Tien Woorden behelfen en beloften en wetten ofte gebo- 
den, foo is't, dat wanneer-der gefeidt wordt, dat inde Tien 
Woorden 't Verbondt der Genade is te vinden, geficn wordt 
voornamclick op de beloften, die foo in de Voorrede van de 
Tien Woorden, als by ^t tweede, derde ende ''t vyfde Gebodt 
gevoeght zijn, ende dac meenen wy klaar tekonnen bewyfen, 
dat die beloften van Genade gedaan fijnde aen Sondaars , tot geen 
ander Verbont als tot 't Verbont der Genaden konncn gebracht 
worden; maar de wetten ofte geboden felfs belangende, voor 
foo veel als die acn de Sondaren op den Bergh Horeb fijn gege- 
ven , worden van de Hcidclberghfche Catechifmus tweefins aen- 
gemcrckc , ten eerften als dienende tot een fpiegel , om onfe fmet- 
ten ende ongerechtigheden daar uyt te leeren kennen, ende daar 
na als een regel van danckbaarheidt vancenSondaar, diehy aen 

I Godc 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuesf LLC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 [1] 



66 Abrahami Heidani 

GodtfchuldlgH is. In lukken tweederley fin mcrckenwyfe oock 
acn, endc voor foo veel , alfle fijn een regel van danckbaarheyt 
voor een Sondaar, foo fteunen fy op de Genade, die Godt aen 
de Sondaars heeft bewefen, in Chrifto Jefu , en fijn alfoo oock 
een deel van 't Verbondt der Genade. Seccker is't immers , en- 
dc dit leert de Catechifmus , dat in de Tien "Woorden geboden 
worden goede >»'ercken , cnde hy verftaat in de 91. Vraege door 
coede werckcn alleen die , wclcke ujt waren gelove gefchieden-y 
Xoo is dan de meeningc van defelve, dat in die Tien Woorden 
het ware gelove wertvercyfcht. Nu, dit ware gelove fiet immer» 
opChriftum cnde fijne weldaden. Soodandie geboden , voor 
foo veelefy acn Sondaars gegeven worden, fijn foodanigh, datfe 
eyfchen ende gebieden 'tware geloove aen Chriftum endc fijne 
Weldaden; daarby dan gedaan fijnde de beloften van Genade, 
foo iffer inde Tien \Coorden alles te vinden aen de fyde van 
Godt, dat tot een Verbont der Genade kan vereifcht worden. 
En wat fullen wy feggen van Deut. V. 2. alwaar duidelick geleght 
wort, dat de Heere een Verbont met de Kinderen Ifraël gc- 
maackt heeft in Horeb, ende van die plaatfen, in de wclcke ge- 
wach gemaacktwertvan de Tafelen des Verbonts, op dcwelckc 
de Tien Woorden gefchreven waren , en van de Arke des Ver- 
bonts ? kan dit een ander Verbont fijn als het Verbont , dat God 
oock te voorcn met Abraham heeft gemaeckt Gen. XVII. Im- 
mers 'i komt in allen ftucken daarmede over een. GelyckGodt 
tot Abraham feght Gen. XVII. i. lek ben Godt de jilmachtigey 
■wandelt vsor myn aengeftchte en fyt oprecht y alfoo feght hy oock 
Exod XX. I. Ickhen de Heere uwe Godt y die u uyt Egjptenlanty 
mt den dtenfthujfe, uytgeleyt hehhe; enhicr op vocghthy de ge- 
boden , die Ifraël leeren fouden , hoe fy voor fijn aangelicht (ou- 
den wandelen en oprecht zijn. Dit Verbont, 'twelckemet A- 
brahamis opgerecht, kan niemantvan de Gereformeerde Lee- 
raars ontkennen te fijn een Verbont der Genade ; indien dan 
't Verbont aen Horeb van defelve natuireis, foo wyft t hem 
fclfs hoedanigh Verbondt het is. Wy kunnen dan met dcnckcn, 
dat de H Curateuren en Borgermeeftcren hebben willen verbie- 
den eelecrcte worden, dat foo klaar in Gods Woort endc con- 
form het fclve in de Heidelbergfe Cathifmus is te vinden. 

Doca 



Consideratie N. Sj 

Doch Je Aanwyfcrs vertalen ons de Latynfe \roorden aldus: 
Dat de Wet der X. Geboden in *t Oude Teflament alleen een f^erbondt 
der Genaden geweeÜ foude fijn. Maar fy begaan daarin defcn mis- 
lagh, datfy 'twooct Decalogus ovcrfctten de Wet der X. Geboden^ 
daar het eygcntlick betekent ^^r/^^IToflr^^^», welckc in (ich bc- 
helfen niet alleen geboden cnde wetten , maar oock beloften. 
Daarna vcrfetten fy 'tyffoon alleen , 't weicke in de Latynfe ftel- 
linge verbonden is met het woort Decalogus, dat is, Tien' Woorden, 
ende verbinden het met de \roordcn een Terbondt der Genaden, 
waar door defe ftellingc eenen geheel anderen fin ontfanght. 
Ot dit nu met voordacht gefchiet is of niet, konnenwy niet wel 
feggen, altoos defe ftellingc wert ons door defe overfettingc 
dubbclfinnighgemaackt; maar laat ons eens ficn , of die Auteu- 
ren wel aanwyfen , dat defe ftellingc , foo als fyze alhier roor- 
ftcllcn van Coccejus is geleert geworden. Sy brengen voor eeni- 
gc woorden van Cocccjiis uyt fijne verklaringe over de Heidel- 
berghfe Catechifmus pag. ^ ^ j . maar wy fullen defelve wat hoo- 
ger ophaalen. Hy neea.t pag. 332. voor te bewyfen, dat in de 
Tten Woorden niet alleen voor kon-t den plicht van een menfche welcke 
hem opgeleidt ify omdat hy van God tot fijnbeelt gemaackt k y ende 
foo ge/lelt onder de Wet der Werelden y maar'oock^den plicht y die den 
Sondaar opgelecht üs, voor foo veel als hy het ft een Middelaar van 
Godgeflelt tot h:ylighmakinge,rechtveerdigmakinge ende verloftnge. 
Daar toe gebruickt hy onder andere argumenten oock dit't 
welcke van onfe Aanwyfers wort gcciteert , en in C\jn geheel al- 
dus luidt: /tem y ont dat de Tien Vf^ootdeyi een V^eyhont ^enoemt wot" 
den y ende alfoo de wetgevinge ftjn des Verhonds, (Defe laatfte woor- 
den laetenfc uyt.) Wmtlfra'èlkonde geen Verbont met Godhehheny 
dis uyt kracht des Tejlaments , en alfoo kpnde haar geen Gebodt gege-- 
ven worden y om eenTerbondt te hebben y als 't bevel des geloof sin 
Godty die ftjn Teflament bekent maackt , en der danckbaarheidt , om 
Godt te verheerlicken y en om te hebben den roem ujt het Tefiament. 
Soo blijft dan over y dat de Tten Woorden eygentltjck (formalitèr) 
ende in haar eyren intentie ftjn eene wetgevinge vanU Terbondt der 
Genaden y ende alfoo der bekeeringe tot Godt in geloove ende liefde^ 
het eeriie tot de gerechtigheyt , het ander tot roem en fabgheyt, M aar 
hier in is men \ eens, dat in dc TienWeorden niet eigent Itch (for- 

^ * malilèr) 



68 Abrahami Hei D AN I 

malitèr) «f de Wet der Wenken , maar van dit een teycken If, dat daar 
niet gefeidt en wordt ; die dat doet fal daar door leven. Maar wy fien 
hier al wederom een openbaar bedrogh, alfoo dcfe Aanwyfers 
uytlaten de woorden j die immediatelijck voorgingen , en waarin 
al wederom 't contrarie gefeyt wortvan defc ftellinge, indicnfc 
aUoo gevat wierde, alffe defe lieden vatten cn gevat willen heb- 
ben. Cocccjusfeght immers uytdruckelick, dat in deTienWoor- 
den niet alleen voorkomt den plicht van een menfchey welcke hem op- 
celeidt is , om dat hy van Cfodt tot fi'm beeldt gemaackt. is ,ende foo ge- 
fielt onder de Wet derWercVen; foo komt dan immers na de mee- 
ninge van Coccejus delen plicht voor in de Tien Woorden , en- 
de foo is dan in de Tien "Woorden niet alleen gcweeft een Ver- 
bont der Genaden, na dc opinie van Coccejus, 'twelck ons 
nochtans defe Mannen willen wys maken , maar oockden plicht 
yan een menfche , die hem opgeleidt is , voor foo veel ah hy van 
Godt tot fijn beclt gemaackt is. En foo blyckt uyt de woorden 
van Coccejus , die fe willens uytlaten , 't contrarie van defe ftel- 
linge. Maar dit leert Coccejus alhier, dat behalven dien voor- 
gaande plicht oock voorkomt den plicht van den Sondaar, voor 
foo veel als hy een Middelaar heeft , wekken plicht defelve is, die 
in \ Verbont der Genade wort geeyfcbt ; dit bewyft hy daar uyt, 
om dat het Verbont , dat Godt gefcght wort op Sinai gemaackt tc 
hebben, niet kan geweeft fijn een Verbont der Wercken , gchjck 
wy oock boven hebben aengewefen. Met defe fake is 't aldusge- 
legen: Alle Menfchen, voor foo veel alffe menfchen fijn, lijn 
Gods "Wet onderworpen, die in haar natuire is ingefchreven. 
Defe yffzt is defelve , die oock op den Bergh Sinai aen de Kinde- 
ren Ifracls is gegeven, behelfendc defelve plichten , die 'teven- 
bcelt Gods vereifchtc, maar, alfoo fc aenSondaren is gegeven, 
fijnder eenige circumftantien by defelve acn-te-mercken , die op 
Sondaren paffen , aen dewelccke Godt fijn genade wil bewyfen, 
cnde met dewelcke hy 'tVerbont der Genade heeft willen maken. 
Godt dan't Verbont der Genade met Sondaren makende , heeft 
met defelve tc gclijck Verbont der Wcrcken niet konnen op- 
rechten, alfoo dit ttrydige dingen fijn. Dit is 't gene Coccejus 
alhier heeft willen feggen, 't welcke wy meenen foo klaar tc fijn, 
dat het met geen reden fal ontkent konnen wordeu. 



CONSIDERATIEN. 69 

Het tw ecdc lidt van dc vyf de ftcllinge is: dat de infchryvinge der 
Wet in de herten der Gelovigen onder de goederen van 't Oude Tefia^ 
ment niet en is. Dit feght Coccejus al wederom foo abfoluit niet, 
gelijck ''thicrwortvoorgeftelt, cndc nochtans ftellen ^tdeAen- 
wyfcrs op fijne rekcninge. Dit trachten fy te bewyfcn , ecrft uyt 
't Foedus van Coccejus pag. 88. alwaar de infchryvinge der Wet in 
de herten wortgerehent onder de goederen des N. T. ende is het derde 
goedt in order. Sy hadden met ""t felve recht oock wel konnen feg- 
gen , dat Jcremias fulcks leerde , voerende Godt in alfoo fpreec- 
kende cap. 3 i: vers i,\.dat hj met den hujfe Ifraèls ende met den 
hujfe luda een Nieuw V^erbont fal maken , feggende vers :j 3 . dat dit 
het rerbont isy dat hy na die dagen NB. met den huyfe Ifraéls ma- 
ken fal NB. dat hy ftjn Wet in haar binnenfle fal geven , ende fal 
die in haar herte fchryven. Sal hy dan na die dagen fijn Wet in 
haar herte fchryven, was dan dc Wet voor die dagen in haar herte 
niet gefchrevcn? Maar gelijck Jeremias die woorden niet abfo- 
luit vcrftaat, ende daar door niet en ontkent, dat de Wet Gods 
oock op fekere wyfc ende in fekerc macte in de herten der Ge- 
lovigen onder ''t O. Teft. is ingefchreven gewceft , (gelijck foo- 
danige manieren van fpreecken overal in dc Schriftuire voorko- 
men, in de -wekken yets abfoluit fchynt ontkent te worden, 
^t welcke nochtans maar in fekere wyfc ende op fekerc macte wert 
ontkent, gelijck onfe Kanttckenaars Heb, 8. ii, daar Paulusde 
woorden van Jeremias citeert, wel aenmercken;) alfoo oock Coc- 
cejus, die hem-felvcgenoech daarover verklaart in de aengeto- 
geneplaatfc: welcke woorden van Coccejus dc Aenwyfers wil- 
lens verby gaan , omme alfoo de Werelt te abufeeren. D/VW^^/, 
feght Coccejus, is de Wet van de Liefde Gods y ge lij ch blyckt uyt 
Deut. '^o: 6. alwaar defe infchryvinge der wet genoemt wort 
bcfnydcnifFe des herten, daar by voegende i om de Heerc uwen 
God lief te hebben uyt gartts uwe herte ende uyt gants uwe zie- 
le, op dat ghy Icvet* Fergelyckt lerem. ^i. 59,40. Ez^ech. iii 
19,20. cap i6:ijyZ%. Btllyck fal hier ymant vragen y Of dan de 
gave des geloofs ende der liefde Gods (datis volgens ''t voorgaande, 
de infchryvinge des Wets in de herten, alfoo defe infchryvinge 
gefchiet door dc gave des geloofs ende der liefde) alleen een gave 
des N. Teftament ende niet des O* Tef ament is i Hier op ant- 

I l ififoort 



70 AbRAHAMI HEID AnI 

'vjroort Cocccjus: Sonder den H. Geeft noemt hem niemant cca 
Heerc i.Cor. ly.y Maar David heeft hem een Heere genoemt 
Pfalm, iio: i. Derhahen in den H. Geeft, Defelve David hidf 
Godt , dat hj hem met ftjnen Geeft regeere Pfalm. 145: 10. En boven 
hebben wy genoech be-wefen^ datter van' t Zaadt der Belofte alleen^ 
'twelcks ujtde wedergeboorte tot Abraham gefeght : lek fal 
ft Godt fijn ende mves Zaads nae «. Daar nu den H. Geeft is , en 
die door den Geeft wordt gcregeert, die heeft de gave des gc- 
loofs ende de^r liefde, endc (oo is dan de ^X'ec Gods in fijn hcrtc 
gcfchreven. Soo heeft dan David, foo heeft ^t Zaat Abrahams 
defe infchryvinge der Wet gehadt. Defc antwoordt gaan onfc 
Helden willens vcrby,feggende: Coccejus antwoort onder ande^ 
ren ; fy wiften dan wel , dat hy oock dit antwoorde , 't wclc ke wy 
hebben bygebracht, maar dit fcheen haar niet te dienen tot haar 
cogemerck; maar fy brengen by ^tgene daar nae volght , endc 
waarmede Coccejus toonen , hoe defe belofte tot'^r N.T. 
behoorde. Het antwoort Cocceji dan onder anderen , 'twelk dc 
Aanwyfers tot haar oogemerck fcheen te dienen, is: Nochtans 
feydtMofesDeut. 19.^. De Heere en heeft u niet gegeven een 
herte om te vcrftaan ende oogen om te fien ende oorcn om te 
hoorcn, tot op defcn dagh. In 't tegendeel Deut. 50: 6. De Heere 
fal uw herte ende 't herte uwes zaads befnyden , &c. te weten na 
dien hy haar fal wederom in't Landt gebracht hebben uyt de gevan^ 
gemffe. Hier op voegen fy by pag. 290. Hoewel de Heyligen in 't 
O.T, hebben ontfavgen den Heylighmakenden Geeft, foo is duin haar 
geweefi de Geeft der dienflbaarheydt totvreefe. Daar-en-tegen j die 
tot het N. Te ff. gchooren ^ foo haafl fy gelooven ^ ontfangen de be- 
lofte des H Geefls, dat is j den Geeft der Kinderen y aan wier? het 
toekomt te roepen , Abba Fader , fon^er den wekken het gebodt^ 
Ghy fult den Heere uwen Godt lief hebben ^ fijne kracht niet en 
kondehebben in de herten der Geloovigen, Daarvreefets^ daar i6 dc 
volmaackte liefde niet. 'T gene hiernu op volght gaan ly voorby 
met een O^'c. om dat het haar niet en diende ; wy fullen het daar 
by voegen. Soo gaat dan Coccejus voort : Daarom , gelyck^om, 
de uytnementheidt NB. de Geeft des Kindfchaps genaamt wordt 
de Geeft der Belofte; alfoo woordt 't Gebodt Act liefdbGods als 
eens Vaders , die vergefelfchapt u met vreughde ende fonder 

vrefe 



tl 



Consideratie N. 71 

vrefe is, (welcke vrefe die niet hebben komen mifeny die niet 
onderfchciden waeren van Kntchten Gal. 4:1. ) by uytnement- 
hejdt de "Wet Gods geneemt ( dit volgende citceren fe alleen) 
€nde wanneer de Liefde Gods in d« herten wort uyt-gegoten door 
denH. Geeft ^öw. 5: ende de Lief de Gods gegeven wort niet met 
treurigheyt , geljck te voor en y maar met vreughde der Kinderen, 
-wort de Wet Gods bj uytnementheyt NB. ende gelyckals eygentlick^ 
gefchrcven indeherten. Hier uyt blyckt al wederom klaarlijck, 
dat Coccejus niet ontkent , dat de Wet in de herten der gelovigen on- 
der 't O. T. ii ingefchrevengeweefl , ende alfoo oock niet , datfe on- 
der de goederen des O. T. geweeftiiy maer alleen, datfe daar gc- 
weeft is bjr uytnementheyt. Soo dat defe menfchen alhier een 
argumentatie gebruickcn k di^a fecundum <juid addiSlum ftmplici- 
ter , welcke nochtans altoos in de Scholen wert verworpen. Ende 
foo hebben de H. Curateuren mits het verbieden van 't tweede 
lidt van defe ftellinge anders niet gewildt , als dat men niet fal feg- 
gen, dat de infihryvinge der wet inde hertender gelovigen in geen' 
derley manier e foude ge weeft fijn onder de goederen van'tO. Tefta- 
ment; 't welcke noyt yemant van ons heeft gelcert, ende oock 
noyt leeren fal. 

De fefJe Pofaie. 

De fcfde ftelünge , dat het klaar en onderfcheiden begrip in fake» 
van geloof een regel en maat derwaarheidt is , fien wy met grootc 
rerwonderingh , dat Dn.Wittichius wort te lafte geleidt. Om 
dit te bewyfen, worden by gebracht eenige woorden uyt fijn 
Theologie, Pactficapsg. 20. maar onder defelve wordt niet gelefen, 
in faken van geloof y waarop 't nochtans hier t'eenemaal aen- 
komt. Hyfpreeckt in defelve alleen in 't generaal, dat die regel 
van des Cartes , dat men niet moet oordeelen als van faken , die men 
klaar en onderfcheyden heeft begrepen y een groote nuttigheidt aen 
een Theologant toebrenght , maar waarin die beftaat , toont hy 
pag. zi. op 't eynde, alwaar hy feght : Maar alhoewel in die din- 
gen , die alleen op de Godtlijcke openbaringe gegront fi^n , gelyck 
daar is de verborgentheidt van de Dryeenigheyt , van de Menfch- 
TverdifJgey en diergeiïjcken , het klaar en onderfcheiden begrip geen 

plaat- 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuesf LLC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 [1] 



7^ AbRAHAMI HEIDANI 

flaatfe k^n hehhenKB. alfoo fe door licht der rede niet linnen 
doorgront , noch door de men^chlichf wetenfchap bekent werden , maer 
door ^t geloovcy rufiende op 't Godlyck^ getuygeniffe j worden aan^ 
genomen , foo is nochtans 't gebruyck van dten regel oock^ alhier 
openbaar j dat wy niet toeftemmen j noch met Godlyck gelove jets 
aannemen , als ^tgene%vy klaar en net begrepen hebben , ons van Godt 
geopenbaartte Jtjn. Soodat oock in Theologifche dingen geen feker^ 
hejt kanwefeny ten fj ^ datter eenklaar en net begrip NB. van de 
openbaringc wör^/i^, gelycker in Philofophifche dingen voor af moei 
gaan een klaar en net begrip van de fake felfs , die wy toeflemmen. 
Lieve Godt >3raartoe vervallen wy / Wat onbefchaemtheidt is 
dit, dat men Hooghaenfienlicke Heeren, dat men de gemeente 
wil wysmaken, dat ymandt eencftellinge leert, daar hy defclvc 
plat verwerpt ende tegenfpreeckt , ende dat men belooft ""tfelvc 
aen te Nj^yfen met eygene woorden van den Auteur, ende by- 
brenght eene citatie, in de welcke defelve woorden niet ge- 
vonden worden, en verby gaetdie woorden, waarmede dien 
Auteur defe ftellinge wel cxpreffclick tegenfpreeckt, Is^'t ge- 
heymeniffe van de Drie eenigheydt, en van de Menfchwer- 
dingeChrifti niet eene fake des geloofs? en feght Wittichius 
niet duydelijck , dat^t klaar en onderfcheyden begrip in die dingen 
geen plaatfe kan hebben d Soo fteldt hy dan immers het tegen- 
deel van defe ilcWingCy dat het klaer en net begrip in faken des geloofs 
ten regel ende maat der ivaarheydt is. Otmeenen defe lieden, dat 
men niet moet klaar en net weten , dat defe geheymeniflen 
ons van Godt geopenbaart fijn, en dat menfe evenwel moet 
aannemen, fonder dat men verfekert is, dat Godt die dingen 
in fijn woort heefc geopenbaart? Immers wy vertrouwen niet, 
dat deH. Curateurcn defe verfekeringe hebben willen verbie- 
den. Maar indien onfe tegen partyders daar toe vervallen , dat- 
fefoudcn willen feggcn , datmen in faken des geloofs ycts moe- 
üeannemen, waar van men niet verfekert was, dat het van God 
geopenbaart was, foo ftellen fy 't ingewickelde gelove van dc 
Papiften vafl: , en dan fal een Papift gelyck hebben , indien hy yet$ 
elooft om de autoriteyt der Kercken, als is hy niet verfeec- 
:ert, dat het Godt heefc geopenbaart. Soo men dan ten vollen 
moet verfekert fijn van*t gene men gelooft, dat het Godt ge- 
open- 



Early European Books, Copyright© 201 1 ProQuesf LLC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 [1] 



Consideratie N. 75 

openbaart heeft ; volgens den regel van Paulus Rom. 1 4, 5. Een 
yeder fjin fijn eygen gemoet ten vollen verfekert; loois^t immers 
ran nooden, dat men klaar verftae endc begrype , dat het van God 
isgeopcnbaart ; want deverfekcringckanfonder dekennifTcnicc 
fijn, endc verfekeringe is op de kenniflc gebouwt en gegront- 
reft. Maar fe kan immers op geen duiftere ende verwerde ken- 
niffe fteunen , want foodanige geene fekerheit kan baeren ; dien 
volgens moetfe dan op een klaar en nette kennifle gegronc 
fijn , dat die fake in Gods \<'oort is geopenbaart , alhoewel men 
dc fake felfs niet klaar en net kan begrypen. Endeditis oockdc 
meeningc van den Auteur van ''tDifpuit gehouden in January 
löyi.endeop den (J. Junii 1671 ; altoos dc woorden , die in defc 
fefdeftellingcfijn, worden in dit Difpuit niet gevonden, alhoe- 
wel men belooft heeft met eygenc woorden van dc Autcu- 
rcndcfe zo.ftellingcn tebcwyfen. En foo heeft het oock des 
Cartes begrepen. Hy feght feer aenmerckelick in fijn ant- 
^oort op dc tweede Objedicn in den Artykel, beginnende 
Ten vyfden , ^c. Ten vyfden vervoondere ick my , dat gby ont- 
kent, dat de wille Jich in gevaer begeeft , als fy't hegrip van't 
njerdant volght^ dat niet klaar en onderfcheiden is : want wat 
macckthem Jèker , indien 'tgene hy volght niet klaar verftaan 
ü? en wat Philofoopb of Theologant , of oock wat voor n^enfcb, 
die de reden gebruickt , heeft oyt ontkent , dat wy in foo veel 
minder gevaar om te dwaelen fjn^ hoe klaarder wyyets ver- 
flaan , voor en al eer wy V toejiemmen , en de dat die jondigen^ 
die haar oordeelvellen over eene onbekende fake? Maar daar 
wordt geen concept of begrip duifier of confuis gefeght , wan- 
neer der y ets in begrepen wordt , V welcke onbekent u. 

En dies halven heeft V gene ghy tegenwerpt, van dc faken 
die men moet geloven y geen meerder kracht tegens my, als te- 
gens alle andere , die oyt de menfchelicke reden hebben willen 
verbeteren, ende voorfeker het en heeft geen kracht tegens ymandt. 
Want alhoewel V gelove gefeght wordt te fyn van dm f ere fa- 
ken, foo is nochtans 'tgene, waarom wy'tgelooven , met duifier , 
maar klaarder ah eenigh natuur lick lickt. Men moet onder fcheidt 



74 AbRahami Heidani 

maken tujfchen de materie ofte de fake felfs , die voy toeflem- 
meHj ende de formeele reden , die den wille heweeght , om toe 
te flemmen. Want in defe reden alleen vereyfchen voy klaar- 
heidt. En wat de materie helanght , ntemant heeft ojt ontkent, 
dat die duifier , jae de duiflerheyt felfs kan zyn. Want wanneer 
ick oor dele , dat de dmflerheidt uyt onfe concepten moet weg- 
genomen worden, op datwy f onder eenigh gevaar van te dwa- 
len aen defelven konnen toefiemmeny formeere ick, ^en klaar oor- 
deel over defe duijlerheidt felfs. Daarnae moet men aanmerc- 
ken, hat de klaarheidt , waar door onfe wille kan bewogen 
worden, om toe te flemmen y tweederley is, de eene van V na- 
tuirltcke licht , en de ander van de Godtlicke genade. Maar^ 
alhoewel 'tgelove in 't gemeen gefeght wordt te fyn van duifier e 
dingen , foo wordt nochtans V jelve alleen verjiaan van de fa- 
ke , of de materie omtrent de welckehet is , maar niet , om dat de 
formeele reden, om de welcke wy de faken des ge loof s toefiem- 
men , duifier is. Want in V tegendeel begaat die formeele reden 
in een innerlick licht, door V welck wy van Godt boven-natuurlick 
verlicht fynde vertrouwen, dat clie dingen , die ons voorgejlelt 
worden om te geloven , van hem fijn geopenbaart , en dat het 
geheel niet gefchieden kan , dat hy liege , 7 welcke fekerder is , als 
al het natuur licks Hcht, ende oock.dickwils klaarder van wegen 
V licht der genade. 

De ftvende Pofitie. 

Dc fevende ftcllingeftaat al wederom op de rekeninge van Dn. 
Wittichius, luidende aldus ; Dntcle H. Schrtftuire j^rcecktna dc 
dweilende vooroordeelen vdn gemcene volck ^ maar om dcfelve tc 
bewyfen ^^orden al wederom foodanigc \roordcn bygebrach;, 
die van de woorden der ftellinge fclfs verfchillen. Daar wordt 
gccitecrt uyc fijn Thcol. Pacif. pag. 1 5. Dc vrageisy of de H, Geejl 
in't voorjiellen van die tivee mirafulen (waar van gchandelt wordt 
Jof. X. 1 1. daar de Sonnc gefcght wort ftil gcftaan te hebben , cn 
1, Rcg. 20.11. alwaar fe gefe O ht wort te rugge gegaan te zijn) 



Consideratie N. 

niet gebruycktde gewoone manierevan fireken^ alhoeivelfe ep voor-- 
oordeien flemdey 'twelck^ ick gantfchelych^ oordeel foo te fijn Cr ۥ 
De H. Geefl f^rekendevan natuirlicke dingen wilde niet gaan boven 
degemeene (dit woort ftaendc in \ Latyn wort in dc ovcrfetringc 
uytgelactcn) kennijfe van 't gemeene t/ö/t^l^ Pag. 14,. DeH. Geefl 
wilde de dwalingen van^tgemeene volck niet wederleggen j doch oock^ 
niet voorj^reken ('t volgende vfort uytgclatcn) of fiilfivygens toe- 
fiemmen. Dat dc H. Schriftuire gcbruyckt de geivoone manieren 
van j^reken^ alhoewelfe op vooroordelen fteunden , heeft Effenius met 
^J^^ittichius over dcfe fake difputecrende toegclhan , alhoe^jrel hy 
niet wilde tocftaan defc fpreekwyfc , dat de ƒ/. Schriftuire alte- 
mets omtrent natuirlicke f^ken ff reëelst nae de dwalende vooroordelen 
van^tgemeenevolck, wclcke woorden Wittichius certyts in fijne 
Diflcrtacicn uytgcgeven in Jaer i<553. gebruickc hadde , hem 
nieckonncnde inbeelden, dat fe van ymant foudcn konnen qua- 
lijck genomen worden , alfoo hy dicrgelijcke woorden en manie- 
ren van fpreken by alle onfe Theologanten heeft gevonden ; foo 
oock , dat dit (eggen voor ecnen regel om dc Schriftuir te verkla- 
ren geftelt of gehouden wordt , en dat dienvolgens alle die Theo- 
loganten , die eenige commentaricn ofte uytlcggingen over dc 
Schrifture oyt hebben gefchreven of voortgebracht, dicrgelijcke 
maniere van fpreken gewoon fijn tegebruicken. Sy fcggen alle> 
dat de S chriftuire dickwils ffreekj nae de opinie, niet nae de waarhejt. 
Wat is nu de opinie , geitelt fijnde tegen dc \raarheidt , an^ders, 
als eene dwalende opinie of een misrerlbant , vooroordeel, ofte 
dwalinge van 't gemeenc volck. Wittichius heeft tot dien einde 
in fijn I. Diflertatie cap.4. jJ. 12. endein fijn Confcnfus Veritatis 
cap. 31. bygebracht de woorden van ChryJojlomuS ^ CalvinuSy 
Rivet us , Pareus , Mercerus , Ptfcator , Polanks , Aljlcrfius , onfe 
Neerduitfche Kantteeckeninqh , Marlor atus , Cartwright Junim^ 
Mufculiié^ Scultetus y Urjinus ^ de Leytfche Profejforen in hacr 
Synopfis , PerklnJiuSy RaynolduSy Finckius, Jcremias Dyck^y Rava- 
nellus y Chamierus y Spanhem'mSy Cappe/Ius y (^c. Polanus ia 
Syntagm. Thcol. lib. 5^ cap. 25. roert dcfe taal: Son en Maan 
worden groote lichten genaawt, hoewel de vafte Sterren onge- 
lijckgrooter Jijn als de Maan , ^c. tendeeleny ten opfuht van 

K X 'tgC' 



y(J Abrahami Heidani 

gevoelen ende de meining van 'tgemeene volck , '/ welck van de 
dingen Jpreeckty niet foo als Jy in der daat fijn , maar fo$ 
fy Jchynen , naar wekkers hegryp de H. Geeft hem gewaar- 
dicht heeft fich in defe en diergelijcke gelegentheden te voegen. 
Rivetus in lïjn Exercit. in Gencfin in de Editie in quarto p. 59 J. 
Uier komen te pas eenige regulen , die men in 't uyt leggen van de 
Schriftuire moet waarnemen: de eerfteis, dat de fchrijiuir haar 
dickvoils voeght naar de opinie van de menfchen; de tvoede ^ dat 
dickwils de dingen haere namen krygen van een verkeert hegryp; 
foo worden in de Schriftuir wyfen genaamt, die het volck daar 
voor hout, hoewel fy in der daat dwafen fijn Matth. XI. x^. 
Spanhemius in fijne Dubia Evangelica fcght pagina 52 j. 
Het is de qewoonte van de Schriftuir van de dingen te fpreken^ 
fomwylenfoo als Jy fijn , fomivylen foo als fy fchynen ; dan eens 
naar de opinie der menfchen , foo van ons jelveals van anderen. 
De exempelen daar van komen over al voor : foo worden Son 
en Maan groote lichten genaamdt , en van de Goden van Da- 
mafcus gefeght, dat Jy Achaz heihen geflagen : foo is Chri- 
flus gekomen , niet om te roepen rechtveer dige , foo neemt 
hy van die geen die heeft , foo maackt hy den Sahhath los , en foa 
getuighthy van die zijn Ziel vint, dathydie verliejl : foonoemt 
den /Ipojlel hem felven een dwaas , ende de wysheid des werelts 
het dwaafe van Godt , foo worden de Sterren gefeght van den 
Hemel te vallen: oneindige fulcke ft aaltjes komen over al voor. 
Twiffus in fijnBoeck de amilTione gratise & ftatupeccati, &c. 
lib.2. criminat.2.fca.5. digreff.i. indcndruckin quarto pag.18. 
My hehaaght meer, dat onfen Zdighmaker naar de opinie van 
de menfchen gefproken heeft , en alleen heeft willen te kennen ge- 
ven , wat fy Jomwylen oordeelden wenfchelijcker voor haar te 
fijn , niet naar de rechte, maer naer de dwalende reden. NB, 
Ff'ant foodanigh een manier van [preken is feer gemeen in dè 
Schriftuir. mntföo lezen wyvan Achaz, dathy de Goden van Da- 
wafcus,diehemgeftagen hadden, heeft geoffert 2. Chron.zSti^. 
(00 ox)ckGcn.i. God heeft gemaackt de twee groote lichten: welke 

mank- 



Consideratie N. 77 

manieren van fpreken vloeyen uyt het hegrip en oordeel der men- 
fc hen yen dat toel niet uyt een recht maar dimlende hegrip derfelve. 
De Nederlantfche Kanttceckenaars fprcccken oock alfoo op vcr- 
fcheidenc plaatfcn, onder anderen over de woorden Eccl. XII. x. 
Eer dan de Sonne , en de het Licht, en de de Mane , en de de Ster- 
ren verduiflert voorden , acnmerckcn fy dus num. 5. 'Niet in der 
daatj maar den ouden half hlinden dunckt het foo te zijn. 
"Wy willen hier nietveelc exempelen by brengen uyt de Schrif- 
tuirc , om die ftellinge te bewyfen/t welckc Wittichius wytloo- 
pigh gedaan heeft in fijn Differtatien, ende hiernamaals in fijn 
Tradaat Confenfvifs Veritatis genaamt, alfoo wy oordelen, dat 
die van de geciteerde Theologanten hier genoegh fijn konnen, 
cn dat het cenfaeckcis, die van niemant , diede Schriftuirc oyi 
heeft gclefen, kan worden tcgen-gefproken. Het komt alleen 
hier aan op den rechten fin van defe ftellinge , die by "Wittichius, 
volgende alle onfc Theologanten 3 is, dat de Schriftuircy 
hruickende foodanige manieren van ^reeckeny daarmede niet ujt- 
drucht 't gene wel door ^tgemeene volck^ of dwalende menfcheny 
wanneer fe foodanige manieren van ^reecken gebruickeny uytgc^ 
driickt wordt y ende foo geene dwalinge oyt ofoyt daarmede leerdt, 
maar datfe daarmede altoos eene gemeene waarheit leert j gelijck hy 
^tfelvein fijn Confenfus Veritatis in ''tbreede heeft aangewefen. 
Dien fin kan niemant verwerpen, ende wy geloven dieshalven 
oock niet , dat de H. Curateuren dien lin hebben willen verbic- 
den ; die indienfe alleen hebben willen te kennen geven, datmen 
defe woorden niet fal mogen gebruickcn, dat de Schriftuire Jfreekt 
rae de dwalende vooroordeelen van^ t gemeene volch y foo is , dat 
"Wittichius al langer als twintigh Jaren hcrwaerts die woorden 
niet heeft gebruickc , gelijck hy oock'^t felve belooft heeft, niet te 
lullen doen, in fijn Confenfus Veritatis in de Prefatie "^6. ^7. 
Maar onfe partyen duyden defe woorden in foodanigen fin , da$ 
de Heilige Schryvers , of veelmeer den H. Geeft y die in de Schriftuirc 
j^reeckt i [oude in de dwalende vooroordelen des gemeenen volcks fle- 
ken , ende alfoo volgens defilve j^reken , leeren en dwalen ; in wekken 
fin die woorden van niemant konnen genomen worden , diedc 
waarhcidt ende autoriteyt van de Schriftuirc vart fteldt ; ^twelcke 
immers \<'ittichius in fijn Confenfus Veritatis foo dickwils heeft 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuesf IIC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliofheek, Den Haag. 

445 C 19 [1] 



78 Abrahami Heidani 

bctuight, dat het tc verwonderen is, dat ecnigc heet-hoofden, 
die haar Broeders by Politycke Hecrcnfoecken verdacht tc ma- 
ken , haar daarmede noch niet willen geruft Hellen. 

De achfie Pofitic. 

De achftc ftellingc is, Dat de overal-tegemvordigheyt Godts 
(foo moeflc^twoordt omnipr^elentiaovergelet worden) ^ de al^ 
lerkjrachtighfte wille Gods^ waar door hy alles onderhout ende regeert^ 
die verbaart moet worden van de werckinge , waar door hy yets bui^ 
ten fich felvevoorbrenght. Om tc bcwyfen , datfc in de Academie 
van Lcyden is gelecrt, wort bygebracht een plaatfe uyt Wittichii 
Theol. Pacifica, alwaar defclve woorden, foo alffein de ftellingc 
ftaan , niet gevonden worden , endc die dan noch verminckt wor- 
den gecitccrt : fullenfe in 't geheel aentrecken , vertrouwen- 
de, datfc nicmant falkonnen ontkennen, cnde datoock dien- 
volgens de H. Curateuren , dit tc feggen endc te fchryven , niet 
hebben willen verbieden. Hy feght dan pag. 1 70. Verklarende de 
manieren van G ods overal- tegenwoordigheyt beginnen ivy van de God^ 
delt'jche werckingey ende feggen ^ datGodt overal- tegenwoordigh if 
un aanjien van fijne werckinge , overmits hy alles in aUen werckt , al^ 
len creaturen haar wefen geeft (hier volght nu een O" catera by dc- 
fc Uytgcvcrs van 't Extraft met aenwy fingen , maar wy fuUen ''er 
de volgende woorden van ^)^'ittichius by voegen) alle dingen on- 
derhout i allen de macht geeft ende krachten om te werckenj ende met 
alle werckingen medewerckt. Want defe y gelijck^ivy geficn hebben^ 
is U fundament van defe overal-tegenwoordtgheit , die uyt G ods nature 
alfoê afvloeyt y voor foo veel als hem defe volkomentheidt toekomt^ 
dat alle dingen , die \r fijn , van hem in alles af hangen , dat 'er geen 
wefen , geen dinck^dat reëel is , geen werckinge is , die van Godt niet 
gemaac\t ende voortgebracht wort. Op die maniere en ordre verklaart 
de Schriftuire Godts overal- tegenwoordigheidt AÜ. Xni. 17, 28. 
Op dat fy den Hcerc foudcn foeken,of ly hem immers tuften endc 
vinden mochten: hoewel hy niet verre en is van een ycgelick van 
ons: \^'aot in hem IcTcn wy , endc bewegen ons, endc fijn wy: 

Want 



Consideratie N. 

Want den Apofiel hewijjl de arveral-tegenwoordigheidt Gods 
ofie, dat Godt niet verre af is van een y der van ons, daar uyt 
êm dat wy alles wat wy hebben, 'tfy het leven, 'tfy de bewe- 
gmge 'tfy het wefenfelfs, ende alfoo 't Jijn felfs ende 't ver- 
der fijn en' twercken , van hem hebben. Maar hoe hebben wy V 
van hem anders, als door fijne werckinge ende aftie> Dit fegjrenwy 
'tvoornaamfletefijn,om de overal-tegenwoordigheidt Gods te 
verftaen, dat hy alles in allen voerckt; alhoewel wy 'tfelve niet 
legrypen, hoe 'tgefchiedt, alfoo de binnenfle nature van Godt 
ende fijne mamere van wercken ons onbegrypelick is. Maar wy 
Jtaan hy defe mamere van over-al-tegenw9ordigheidt niet Jlille 
maar wy worden door defelve verder geleidt: want alfoo Godt 
alle defe dingen , die hy in allen we rekt , door fijne macht werckt 
feggen wy oock ten tweden, dat Qodt overal te genwoordtch u 
ten aanhm van fijne macht. tVant defe Godtlicke macht werdt 
ten rechten, volgens 'tgene in den voorigen artyckel gefeohtis 
gefeidt tegenwoordich te fijn omtrent alle die dingen, over de- 
welcke hy forge draeght. Ende defelve betrachtinre der te^en- 
woordigheidt, die de Godtlicke macht heeft tot alles, leydt ons 
oock tot 'twefen Gods:foo dat wy ten derden feggen, dat Godt 
overal-tegenwoordich is, ten aenfien van fijn wefen, voor foo verre 
als defe macht, die iiy gctoont hebben overal-tegenwoordich te 
fijn, met onderfcheidcn is van '/ Godlicke wefen, 'twelck we- 
fen genoemt wordt de macht, voor foo veelealshet opficht heeft 
tot de voorwerpfelen ende werckingen , die van haar komen af- 
vloeyen ende gewerckt werden. (Dit alles hadden defe luiden 
uytgelaten ende door een Cr cetera beteeckent, oordeelendc 
buiren twijffel ; dat daardoor defe ftcllinge, foo alffe daar leydt. 
en loo als fc fchijnt genomen te vf'orden , wordt tcgen-gefproken, 
alleen hebben fy volgende daar bygevoecht.) Maer oock voor 
Joo ver re feggen wy, dat Godt tegenwoordigu ten aenfien van fijn 
^eJen,voorJooveel de godlicke werckinge, foo alffe wcr kliek ende 
in Godt aengemerckt wordt, niet anders u als' de krachtdadue 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuesf IIC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliofheek, Den Haag. 

445 C 19 [1] 



8o Abrahami Heidani 

ende voerckfame Goddelicke wille ^ die oock het wezen Gods felfs 
is. Ende op die maniere hejluit Chrijlus uyt de werckinge in de 
herten der gelovigen , dat hy met den Vader in haere herten 
woont Joh. XIV. z^. Soo yemandt my lief heeft ^ die fal myn 
woordt bewaren : ende mijn Vader fal hem lief hehhen , ende 
wy fullen tot hem kfimen, ende zullen wooninge hy hem maken. 
Hier uyt is klaar cn openbaar , dat Wittichius dc ovcral-tcgen- 
woordigheidt Godts niet alleen verklaart door fijne werckinge, 
maar oock door fijne kracht ende door fijn wefen ; wie derf nu 
fcggen, datfe door dit alles niet mach verklaart worden ? want 
foo hebbenfe tot allen tydcn niet alleen de Scholaftyckc , maar 
oock alle rechtfinnige Gereformeerde Theologanten verklaart. 
Indien hy leydc, dat de overal-tegcnwoordigheidt Gods alleen 
door fijne werckinge moefte verklaart worden, ende dat Godt 
alleen ovctal-tegenwoordich was, ten aenfien van fijn werckin- 
ge ende macht, maar niet ten aenfien van fijn wefen , 'twelckc 
defe ftellinge fchynt te willen feggen , ende ^twelck eertydts 
't gevoelen was van Vorftius, foo ioude hy billick bcflraft wor- 
den ; maar hy verfoeyt wel expreffclijck defe mecningc van 
Vorftius, g^lijck 'tblijckt uyt fijne Theplogia Pacif. pag. 133. 
Vorjiius fchrijft aen Godt eenige groot e toe, waerom hy oock fijn 
rvefen in den Hemel injluitj ende meent y dathy alleen ten aen- 
fien van fijne kracht ende macht opaerden is, maar dat het Gods 
Ma)efi:eyt nadeeligh is , dat fijne fulfiantie foude tegenwoordich 
fijn hy de aldervuilftc dingen. Met defe meeninge heeft groote 
gemeenfchap de meeninge van die gene , hoewel fy V mijjchien 
niet weten , die de tegenwoordigheidt Gods hegrijpen door ma- 
niere van tiithreidinge , gelijck^ als een dun Uchacm. IVant ge- 
UjcKhem Vorflius eenen lichaemelickcn Godt heeftverheeldt , Joo 
moet hy oock. volgens defe meeninge lichamelicK. begrepen wor- 
den; hoewel datter daarin met Vorflius eenflrijdtis, dat daar 
hy aen Godt een eindigh lichaam toefchrecf, V welck in den 
Hemel was in gefloten, volgens defe meeninge aen Godt een on- 
eindigh lichaam moet toegefchreven worden y 'twelcK oocK hui- 
ten 



Consideratie N- 8i 

ten defe Wereldt is uytgehreidt. Maar onfe meeninge gaet veel 
verder daervanaf: wantwy feggenheyde j en dat Goot overal- 
tegenwoordkh is y tenaenfien van fijn voefen^ en voy ontkennen^ 
dat het Go dikke ivefen van fijn macht kan gefcheiden worden , dat 
jijn macht ftch Joude uyten , alwaar fijn wefen niet en is , ende 
ivy werpen feenemaafhet fundament van defe dwalende mee- 
ninge van Vorflius om verre ^ 'twelck is dat Godt lichaemlijck 
is, alswy neerfiich ende zorghvuldelick alle lichaemelicke eigen- 
fchappen van hemafkeeren. Dc quseftie , die alhier overblijft , is 
alleen aengaande de ordre van onfe gedachten , op de welcke 
>3ryde over-al-tegenwoordigheidt Gods moeten begrypen ; of 
men moet beginnen van de werckinge ende foo voortgaan tot 
de macht ende *t wefen van Godt, of dat men moet beginnen van 
Gods wefen ende foo voortgaan tot fijn macht ende werckin- 
ge, waar van Wittichius 't eerfte meent beter over een te komen 
met de ordre, die de Schriftuur hout inde aengetogene plaatfen 
Aót. XVII. ende Joh. XIV. en oock met ons begrip , alfoo 
uyt de werckingh Gods fijn macht ende wefen konnen Icercn 
kennen , volgens 't geene wy lefen in^t eerfte Capittel aende Ro^ 
meynen. 

Door de overaltcgenwoordigheit Gods moet men verftaen een 
foodanige eygenfchap Gods , die relatyf is , ende een feker opficht 
hceh tot alle creaturen, gelyck hy genoemt wordt de Schepper 
en Onderhouder van alle dingen. Defe eigenfchappen hebben 
lothaar fundament de algenoechfaamheidt Gods, die vaneeu- 
w^gheidt in Godt is , ende fijn eeuwigen raadt ende wille, 
maar voor foo veel alffe voor een feker opficht ende relatie wor- 
den opgenomen , haar betreck hebbende tot de creaturen , kon- 
nenfe van Godt niet gcfecht worden , als wanneer hy de crea- 
turen heeft gemaackt , foo dat Godt niet kan gefecht worden tc 
fijn dc Schepper of Onderhouder van alle dingen , voor en aleer 
hy dc creaturen heeft gefchapen ende de felve onderhout , gelyck 
"^tfelve by alle Theologanten bekent is. Eengelyckc g^ legent- 
heidt heeft het met deOver-al te<?enwoordigheidt Godes, die 
uyt haar felve vereifcht , datter alle de creaturen zijn, by dc 
welcke hy tegenwoordich is, 'twelck niet kan begrepen wor-» 

L den 



Bz Abrahami Heidani 

den anders te gefchicden, als door de krachtige forge , onderhou- 
dingc ende rcgeeringc vanGodt, die alleen af-hanghtvan fijn 
krachtdadige wille ende woort, door ''t wclcke hy alles gefcha- 
pen heeft ende onderhout, fonder ycts anders te.gcbruicken, fon- 
der hulp vaneenigc inftrumentcn ofte middelen , gclijckwcldc 
menfchcn van wegen haar onmacht van doen hebben. Dit is 't, 
dat de Schriftuur over al leert Pf. 148: 5. ^Is hy 't beval^ foo wier- 
den fjf gefchapen. Apoc^IV. 11. feggende 24. Ouderlingen tot 
Godt: <3hy hebt alle dingen gis jch apen ^ ende door uwen wiUe ftjn fy 
ende ftjnfe gefchapen ; foo wort oock van den Sone Gods gelecht 
Hebr. I. 5. dat hy alle dingen draeght door het ivoorf ftjner kracht 
Door defclvc krachtige wille dan, door welcke Godt alles heeft 
gefchapen , door welcke alle dingen fijn ende onderhouden wor- 
den, is hy oock by alle dingen tegen woordich. Soo fcght den 
Catechifmus van de K oorjienigheidt Gods Vrage 27. datfe is de al-- 
machtige ende over-al-tegenwoordige kracht Gods , waar door hy 
Hemel ende Aarde met alle Creaturen gelijck^als met ftjn hant on^ 
derhiHt ende regeert. Door defe over-al-tegenwoordige kracht 
Godes kan anders niet vcrftaan worden, als fijn over-al-tegen- 
woordige wille , want fijn wille is't, gelijck boven is aangewe- 
fen , door de welcke hy alles onderhout ende regeert , gelijck hy 
door defelve alleen oock alles heeft gefchapen. Soo is dan Godt 
door defe fijne alderkrachtichfte wille tegenwoordich by alle 
creaturen , fonder dat ycts anders tuffchen beyden komt. 

De negende Pofitie. 

Volght de negende ftellinge , dat de Engelen konnentegenwoor^ 
dich fijn in verfcheiden plaatfen^ tndein defelvetegelijc^wercken 
konnen. Hier worden Wittichii woorden bygebracht, om te 
bewyfen, dat hy die ftellinge gcleert heeft, die nochtans al vry 
wat verfchillen van dc ftellinge felfs, fo alffc in^'tExtraól voor- 
komt. Dc woorden van Wittichius fijn: Daar en is geen con- 
tradiSliey dat d' Engelen veele werckingen bujten haar te geUjckyer- 
richten y ende dienvolgens in tivee plaatfen ftfn konnen^ »De ordre 
van de woorden verfchilt veel: Hy confidereert cerftde werc- 
kingen van dc Engelen, en daarna haar relatie tot een plaatfe. 

N[Iaar 



Consideratie N. 8j 

Mftar in 'tExtraét wort ecrfl gefproken van de relatie tot plaat- 
fen , daarna van haar werckinge. Hy ftclt defc werckinge tot een 
fundament van die relatie tot vecle plaatfen, ende fcght, dat de 
Engelen op twee plaatfen fijn konnen. Ditftaatin dc 

pofitie foo niet, ende 't fundament van hare tegenwoordigheyt 
Wort in de felve niet aengewefen. Wy houden 't daar voor , dat 
het aangaande de valfhey t ofte waarhey t van defe ftellinge t'eenc- 
maal aankomt op 't recht begrip van een ende van de f^- 

gcnwóordigheyt. Die haar dc Engelen verbeelden als dunne li- 
chamen , gelijck daar is de waeiïem ofte lucht , of die dc Engelen, 
als met foodanige lichamen vercenight fijnde , begrypen, verftaait 
door dc tegenwoordigheyt een plaatfelijck bcflaan van eenigc 
ruy mte , ende een indiftantie of bygelegentheyt , daar doorat gc- 
fchiet, dat de eene fubftantie, die foodanigen plaatfe bcflaat, 
alle de anderen uyt delelve uytfluyt, ende wat dichter by of wat 
verder afgelegen is van eenigc andere fubftantien. Soo is'^t, dat 
het cene lichaam het ander uyt fijn plaatfe dryft, ende deffelfs 
plaatfe inneemt, ende daar door aan eenigc andere lichamen of 
dichter bygclegen is, of verder van defelve afwyckt ; ende foo 
kan der van nietandcreygentlijckgcfeght worden, dat het een 
plaatfe beflaat , ende andere lichamen uyt defelve plaatfe uytfluit, 
of dat het bygclegen of afgelegen is, als van lichamen. So is 't ge- 
legen met alle lichamen , fy fijn dan dick of dun ; doch dit onder- 
fchcyt ifTcr, dat een dun lichaam met een ander dun lichaam fich 
licht kan vermengen , gelijck den roock met de lucht, foo datfc 
beyde dan maar een plaatfe fchynen tc beflaan , ^twelck alleen 
hier van daan komt, dat die deeltjes van ^t dunne lichaam niet 
gefien worden, die door de deeltjes van ''t andere worden uyt- 
gedreven; anders is ''t onmogelijck, dat daar het eene deeltjen 
is, dat oockhet andere op defelve plaatfe foude konnen wefen. 
Indien dan dc Engelen als dunne lichamen begrepen wordeni 
konnenfe niet tegenwoordich fijn in verfcheiden plaatfen , an- 
ders foude daar uyt volgen , dat een lichaam in verfcheiden plaat- 
fen kan tcgenvoordich zyn. Ende alfoo demenfchen in^t ge- 
meen de Engelen bcgrypen als dunne lichamen , alhoewelfc dirk- 
wils anders feggen, loo is 't te duchten, dat oockonie tegen-» 
party dcrs, die deie ftellinge in hancen van de H. Gurateuren 

L z OYcr- 



84 ABRAH AMI HEID ANI 

ovcrgclevcrt hebben , de Engelen haar verbeelden als dunne li- 
chamen , en dieshalven defe ftellinge verwerpen, om datfe mec- 
nen den fin daar van te wefen, dat een lichaem in verfchciden 
plaatfen te gelijck foude konnen tegenwoordich zijn, wekken fin 
wy oock gaarne verwerpen. 

Maar die de Engelen begrypen als dienftbare Geeften , niet 
anders hebbende als verftant ende wille, fonder eenige formc 
ofte uyterlicke gedacnte , die konnen niet fien , wat voor fwarig- 
heyt daarin foude fteken, wanneer men fcght, dat de Engelen 
konnen wercken in verfcheidcn plaatfen te gelijck, ende aUoo in 
defelve konnen tegenwoordich zyn. Onfe fielis bepaalt tot ons 
lichaam, en heeft geen kracht , om yets te doen buyten ons li- 
chaam en fonder het felve , nochtans fchy nt het onfe tegen-par- 
tyders niet ongelooflijk , ja fy ftcllen ^t voor vaft , dat onfe fiel in 
alle partyen des lichaams tegenwoordich is; ende dieshalven in 
verfcheiden partyen, en alk)o in verfcheidene plaatfen van^t li- 
chaam: wat fwarigheyt iffer dan, alsmenfeght, dat een Engel 
op vele plaatfen kan tegenwoordich zijn , daar de krachten van de 
Engelen haar vry wat verder uy t ftrecken , doch alles onder Gods 
wille ; ende dieshalven worden fy genoemt krachtige Helden ^ die 
Gods woord doen ^gehoorfamende de Jlemme ftjnes ivoords Pf. 103 .20. 
Defe kracht , die fy hebben , beftaat in haar wille , die foodanlge 
kracht van Godt heeft ontfangen , datfe alle ""t gene konnen uy t- 
wercken, wat Godt wil, dat door haar uytgewerckt worden fal. 
Defe kracht uyten fy dan, wanneer fy willen wercken ^tgenc 
Godt wil datfe wercken. Indien dan Godt wil , dat een Engel in 
cene nacht een heirlegcr van 1850CO. menfchen verflaat ende 
doodet, 't welcke buyten allen twyffel eenige my len uytgeftreckt 
lagh, foude het dan boven de kracht van dien Engel fijn, dat hy 
in een en defelve oogenblick twee ofte meer menfchen verfloeg, 
die aan de uytcrfte tegengeftelde einden van dat heirlegergelc- 
gert waren? foude men wel feggen, dat het onmogelijck was? 
wat fchyn foude daar van doch wefen? of men moeft meenen, 
dat de werckingh van een Engel door yets anders wierde voort- 
gebracht als door fijn kracht, ofdat die kracht in yets.andcrs van 
den Engel was te foecken als in fijn wille; 't welcke onbegrype- 
Jijckisj alfoo in een Engeioehalven fijn verftandt en wille niets 

po- 



Consideratie N. 8^ 

pofityfs cn reëels is te vinden , ten ware men hem al wederom als 
een dun lichaam wilde begrypen. En feker, is't wel gelooflijck, 
datter niet meer menfchen als een opeen en'tfelvcoogenblick 
in dit grooteheirleger van Sanherib door dien Engel fijn verfla- 
gen? Soooock, doen een Engel, wclcke den Verderver worc 
genaemtExod. 12:23. en i.Cor. 10:10. ineen nacht alle de eerft- 
geborcnc in geheel Egypten, ""t welcke wytende fyt uytgebreyt 
is, verfloegh, van den menfchen tot op^'tvee Exod.ii:^. en 
cap. 12: 19. 'tis onmogelijckte begrypen, of daar moeten \v^el 
op eenen oogenblick cenige eerftgeborene van dien te gelijck 
gedoodt fijn , die derhalven op verfcheidene plaatfen geweeft 
fijn , foo dat dien Vcrderver in een en defelve oogenblick op ver- 
fcheidene plaatfen heeft gewrocht. 

Dit nu vaft gcftelt fijnde komt het alleen aan op de tegemvoor^ 
dighejt. Defe tegenwoordigheyt ^ eigentlick genomen fijnde , heeft 
alleen plaatfe in die dingen , die verftant ende wille hebben , dien 
yets tegemvoordigh is , wanneer fy daar omtrent met haar verftant 
en wille befich fijn. In dien fin fijn Godt alle dingen tcgenwoor- 
dich , alfoo hy op alle defelve denckt j voor alle forge draaght , en 
omtrent alle befich is; maar aan de Engelen en Zielen der Men- 
fchen fijn alleen eenige dingen tegenwoordigh, waar overfy haar 
bekommeren ende over dewelcke fy forge dragen. Maar alfoo 
defe tegenwoordigheyt in fich begrypt een relatyf opficht , foo 
is't, dat diemaniere van fpreken oock in een anderen finwort 
gebruickt , en foo wert oock gcfecht , dat de dingen , die verftant 
ende wille hebben , tegenwoordigh fijn by die dingen , omtrent 
dewelcke fy wercken ende befich fijn. Dus hebben wy te vooren 
aengemerckt , dat Godc tegenwoordich is door (ijn^n krachtigen 
wille , die niets anders is als fijn vvefen , omtrent alle \ gene , dat 
hy heeft gefchapen en noch onderhout en regeert , ende alfoo 
krachtighlijck omtrent defelve vverckt; en indier voegen kan oock 
een Engel gefeght worden tegenwoordigh te fijn door fijn 
kracht , die in fijn wille bcftaat , (alfoo in hem niets pofityfs of 
reëels behalven fijn verftant en wille is te vinden) door dewelcke 
hy komt te wercken, ^t vvelckc God wil, dat door hem gewrocht 
fal worden. Als dan nu een Engel met fijne kracht of krachti- 
gen wille befich is omtrent het heirif ger van Sanherib , ofte om- 

L 3 trcnt 



85 Abrahami Heidani 

trcnt dcccrftgcborenc van Egypten , ende , gelijck te voren aen- 
gewcfen is , in een en 'cfclve oogenblick verfchcidene van dien 
verflaat, die in venfchcidene plaatfen fijn, foo kandcr gefeght 
worden , dat hy in een en ""t felfde oogenblick tegenwoordich is by 
die lichamen , die verfclieidene plaatfen hebben , of, 't welckc 
op «en uytkomt, dat hy in die verfchcidene plaatfen tegenwoor- 
dich is. "Want dit tegenwoordigh fijn van dien Engel , wekkers 
^efcD niet lichaemlick maar geheel geeftlick is, betekent niets 
anders als een fekcr opficht ofte relatie van dienEngeltot ver- 
fchciden lichamen , die in verfcheidcn plaatfen fijn , Iteunende op 
fijn verfcheiden werckingen ; foo dat dit den rechten fin van dcfc 
llellingeis, dat de Engelen kunnende, als het Godt wil , te ge- 
lijck wercken omtrent verfcheiden lichamen, die in verfcheidcn 
plaatfen fijn , tot die plaatfen opfichten ofte relatien kunnen heb- 
ben. ^>^^atfv/arigheytkan doch hierin fijn, dat een Engel te ge- 
lijck verfcheiden relatien heeft tot verfcheiden faken ? of is defc 
quxftie miflchien al te 1'ubtyl, en moetfe daarom verboden wor- 
den ? of is dit de reden , om dat door dit Teggen foude bevefticht 
worden, dat een lichaem in verfcheiden plaatfen te gclyck kan 
tegenwoordich fijn, alfoo de Engelen niet anders van de men- 
fchen in ''t gemeen als dunne lichamen begrepen worden ? Laec 
het danaendie verboden worden , die foodanige concepten van 
de Engelen hebben , maar niet aen ons , die in de Engelen an- 
ders niet bcgry pen als verftant ende een krachtige w ille , ''t welc- 
ke mee het lichaam geen gemeynfchap heeft. Dat defc quseftic 
fubtyl is willen \v^y niet ontkennen, maar dat komt daar van 
dacn, om dat men in ''c gemeen gewent is de Engelen onder een 
concept van een dun lichaam te begrypen , maar laet hem ye- 
mant maar gewennen, om de Engelen te begrypen in haar cy- 
gen gceftclijck wefcn , haar anders niet toelchry vendc als ver- 
itant en wille, ick derve hem verfccckeren , dat dan defc qua:ftic 
niet te fubtyl fal vallen, om veritaan te worden. Doch foude 
defclvc om fijn fubtiliteyt moeten verboden worden, wat fal- 
der niet al te verbieden vallen aen diegene, die deScholaftyc- 
que Philofophie ende Theologie volgen , in de wclcke hon- 
derden van fubtyle qua^fticn worden verhandelt ? Dan foude 
men de Di^utanortes Sclefla^ Foctti nevens fijn SylUbw Pro- 
bit^ 



C O N S I D R R A T I E N. 87 
blematum TheoUgtcorttm moeten verbieden , in de welcke een 
ontalhke mcnichte van fubtyle quxftien warden verhandelt 
Hier moet eenige vryhcyt phatfc hebben, of men foude allé 
goede vcrftanden uytbluffchcn door een al te groot* bepaelingc 
voornamelick , wanneer 'er in 't verhandelen van foodanige quS- 
ftien alle fedicheit wort gebruickt, en datter geen fwarigheyt 
in de fundamenten van de Gereformeerde religie daar uyt met 
recht kan gcvreeft worden. Endefoo is 't met defcquzftie sc- 
legen, die alleen op de baan is gebracht, door dien Vittichius 
meen Ickereaanmerckinge, die hy aan fijn Difcipclen totNim- 
megcn hadde gedifteert, gefeght hadde : Mfoo dememvoordht 
heyt der Engelen aüeen heftaat inde iverckinie nae huyten , foo tl 
hct geene contradiElie wefen , indien wy feggen dat een EnJteae- 
Ijck nvee werckingen nae buyten kan voortbrengen , endealffo in twee 
plaatfen kan wefen. De Heer Marcfius, dcfe aanmerckinge ter hant 
gekregen hebbende , heeft hem daar tegen geftelt , in len vinni« 
Travaat genaamtD./^rM^ö de abufu Philofophic Carteftanc, cn' 
foois daar over van Wittichius yetsin 'tkoVten feer moderaat 
verhandelt m fijn Thcologia Pacificajf; 183. 184. waarin hy met 
een getoont heeft dat in foodanige ftellinge geen fwarigheyt 
ftccckt , gelyck 't fel ve oock in 't br?ede boven is bewefen. ^ ^ 

De tiende Pofitie. 

De tiende ftellinge , Dat aüe Philofophie fonder GodtsdienB is, 
en dat s Menfchen hooghfle goet in een gemoet begaat, dat met 
jtjnjtaaten condttie tevreden is. Dit Artyckel beftaat uyt twee le- 
den diein't alderminfte geen gemccnfchap met malkanderen 
hebben , fijnde daarenboven elck van defe twee leden foo dubbcl- 
linnigh , waar van de eene fin goet , de ander noy t gelcert is , dat 
hetonmooghhjck is te begrypen uyt defe woorden alleen, in 
wat voor fin het hier verboden wort. Want voor eerft, dat alle 
Philofophie /W^rG-^^/j^^Vw/iF is, bcteeckent een ran beyde of 
dat de Philofophie voor foo veel alfie Philofophie is , en op reden 
iteunt , ondcrfchcyden is van de Religie , Theologie , en wat des 
'^i"" op openbaring ruft j ofte dat de de Phifophie alle 
Godtdicnit uytfluyt, in fulck een fin eveneens of een Philo- 

fooph 



8S Abrahami Heidani 

fooph geen Religie kon hebben. Hetccrfteis een faack foo fc- 
kcr en evident, dat de Hceren Staten van HoIIant in haar Refo- 
lucievan denjaare 1656. dit felvigc met cxpreffe woorden ftcl- 
Icn , als een fondament en een fckerc waarheit , waar op haar ge- 
heele Refolutie gevcfticht wort, feggendc , Nademaal alle Facul- 
teyten ende Scientien , ende fulcx mede de Theologie ende Philofophie^ 
hebben haar eygene endegefette paelen ende limiten , binnen de welckg 
de felve rejfeBivelyck , om alle confujte te vermyden , moeten tverden 
trecontineert t fonderd'eenein d' andere intefchry den, derhalven Crc. 
op wclck fondament haar Ed. Groot- Mog. dan vorders ordonne- 
ren, dat de materiën ende tjuaftien, die de Theologie eygen zjjn , en 
alleen door openbaringe uyt Gods H. Woort bekent worden , als t'eette- 
maal onderfcheydenvan die quttjlieny die uyt de nature door deredeft 
konnen en moeten onderfocht en geweten worden , den Theologen al- 
leen werden gelaten. Enfeecker wat kander klaarder fijn, als dat 
de natuurlijke reden , ofte de Philofophie , van een boven natuur- 
lijcke Goddelijcke openbaringh, t' eenemaalonderfchcyden is? 
>5rat de tweede fin aengaet , hoéwei ick niet kan vatten , hoemen 
defe woorden foo nemen kan, ten fy men diegeene, op wiens 
rekeningh fe gettelt worden , voor puurftcken lot wil uytmaken, 
die is foo vervreemt van alle waarfchynlickhey dt , dat ick niet ge- 
love dat 'er ymant fal werden gevonden , die fich fal konnen in- 
beelden, dat 'er oyt menfchen geweeft fyn, die geleert fouden heb- 
ben, dat het met de Philofophie niet accordeerde een Chnften 
tewcfen, of eenige Religie te hebben. Soo der ymant was, die 
gefeyt hadde dat de Bouw-konft fonder Religie was , fouw't met 
belachelijck fijn, datmen daer uyt fouw willen befluyten , dat fijn 
meening was , dat de Bouwkonft ende Religie met famen konden 
eaen of dat een Bouwmeeftcr geen Chriften fou konnen fijn ? 
Souw'fodanigeen uytlegging niet klaer betoon, n cengemoet, 
dat vol van liefdeloonieyt nergens op uyt was , als met fu cke on- 
cerymdc en hatelicke verdrayingen der woorden fijn naeüen ver- 
dacht te maecken? Daar't notoyris, dat de fin met anders fijn 
kan als dat de Bouwkonft niet gemeens heeft met de Re igie, 
mztt daer foo van ondcrlcheyden is . datfe alloo wel in een Hey- 
den als in een Chriften kan vallen. Seeckerlyck foo nu alle kon- 
ften Religie moeten infliiyten, foo verwondert het my , daton^ 



Consideratie N. 89 

noch noyt een Chriftelijckc Cyfer of Meet-konft voorgekomen 
is , ofte dat het mede niet een fchelmftuck is geworden te fcggcn, 
dat de Cyfer-konftfonder Religie is, dat is, uytfijn natuur geen 
Religie influyt. Dclc Pofitie nu wort getrocken uyt een Difpuit 
van den Heer Cr^anen , die diergelijcke woorden heeft gebruykt, 
buytcn twyftel in de eerfte fin , die de Heren Staten voor de hac- 
re keuren. Waarvan, indien geen ander blyck was, dit ge- 
noechfaam fou fijn, dat het niet te prxfumeren is , dat den Heer 
Craanerty fijnde in die lydt Profefor Philofophia y fichfoude wil- 
len publicq ten toon ftellen , en fich felven loo grof lafteren , als 
of hy profcUïe vande Philofophie makende geen Religie hadde. 
Wat waarfchynlijckheyt kan dit hebben? ja wat twijffel kanjer 
overblyven , indien men daar by voegt de eygen woorden ran den 
Ueer Craanen , die in het felfde Difpuit , inde KThefts , daar vanfc 
hier de-.^rky?^bybrengen, dit felvige klaar uytdruckc. Differunt 
itaque toto ccelo Philofophia Cr Fides , ut diverfa habeant omnino 
frincifiay illa rationem evidentemy h^cfidem ; adeo ut necjuaquam 
mifceri deheant ^ ntc citra éibfurditatem altera alteri anciliari pof- 
Jït dici : cum utra^jue propriis nitatur Cr fufficientihus principiis. 
Dat is : De Philofophte dan en het Geloof jtjn t^eenemaal onder fchey-^ 
den^foo datfe felfs geheel verfcheyden beginfelen hebbent gene de klaere 
reden y defe het geloof \ foo datfe in geenerlej maniere gemenght moe-- 
ten worden y endatmenoochnietfonderongerymtheytk^nfeggeni dat 
den een den ander ten dienjl fiaat y Uewylfe beyde op eigene en genoech- 
fame beginfelen fleunen. Uyt welcke ftellingh hy daarna defe fijn 
VIII. Thefis deduceert. 

Het tweede Lit van defe Pofitie is mede getrocken uyt een Co^ 
roUarium van den felfde Heer Craanen , in welcke Corollaria fijnde 
maar flellingen fonder eenige dedudie ofte bewys opgeftelt , men 
niet gewoon is de netfte accuraatheidt tegebruicken, om dat- 
men niet foude benemen alle occafie aen de Opponenten , om 
haar krachten toonendc foodanige antwoorden uyttelocken, 
die de faeck cndc duitterheyt van dien, foo der eenige mochten 
fijn, klaarder uytleggen. Hy fteltdan, dat het hooghfie gêet van 
ten yder menfch is een gemoedt dat met fijnen ftaat vergenoeght is* 
En voorwaar >w at is er gemeender ? >^at leeft men meer felfs in 
de befte Boccken^ die van des mcnfchen geluckCiligheyt khry- 

M ven? 



9^ Abrahami Heidani 

ven? wat hoortmen meerder prceckcn op de Prcdickftoclcn? ja 
VKTZt iffcr, dat y der in fich felven klaarder beviot, als dat geruftheyt 
hetgrootfte goetis, dat een metifchc op de werelt hebben kan ? 
En waarlyck defc vergenocgingc moet den ylpojtel Paulus een 
groot goet gedacht hel^ben , als hy roemt^dathj gdeert heeft vérge- 
neeght te fijn , in 'tgeene hy ts^ en dat hy weet evervloet te hebben Phi- 
lipp. 4: 1 2. Tcti waar men miffchicn, om doch een fchijn van on- 
waarhcit dcfe ftelling aantewryven , defe woorden fo wilde ne- 
men, dat het hoochfte goet vaneen menfche/t geen hy of hier, of 
hier naemaals kan bekomen , daar in bcltaat , dat hy vergenoeght 
isw wclck wederom een van de vileynfte verdracyingcn foa 
fijn van de Werelt- Want feker 't is onmogelijck , dat defe woor- 
den anders verftaan konnen worden , als va4i onfe ftaat hier op der 
Aarde , terw ijl de felfde gefproocken fijn van een Philofooph, die 
alleen de natuurlijcke reden volghtt envoorfoo veel van onfe 
geluckige ftant na dcfen niet bewuft is, zijnde hy oock een van die 
gene , die volgens exprcffe ordre en laft der Heercn Staten , fijne 
Hoogc en Wettige Overigheden 5 fich met geen Theologifchc 
faacken en moeyt, noch fich de faacken door revelatie bekent 
aantreckt, gelijck't nu de mode wort om regelrecht tegen de 
bekende relolutie , alle Philofophifchc Lefien en Difputen foo tc 
door fpecken met Theologifche faken, datmen nergens anders 
als uy t de plaats , daar fc \f^erden gerentilecrt , bemcrckc n kan, 
datfe Philofophie en niet Theologie doceeren/ T welck indien hy 
hadt nagevolght , dan foumeneerft geroepen hebben, dat hy fich 
in faken ftack hem niet raakende, dat hy de Philofophie en 
Theologie onder een fmeet, en dat hy foo doende regelrecht aan- 
gingh tegen degcfeyde ordre der Hceren Staaten , foo menich- 
maal vande Heeren Curateuren en Burgermcefters vernieuwt, 
en noyt, als van die gecne, die nu foo hart hier over kryten, 
overtreden. Waar by dii noch komt, dat het een heel andere 
quasftie is, en die alUen de Theologie raackt, daar dit Cêrollarium 
niet van fprceckt; of een Sondaar door de Philofophie alleen foo- 
danige vergenoegingc fal konnen verkrygen ? in welcke fin fo de- 
fc Aan wijiers deft ftcllinge taxeeren , alsof foodanigheen men- 
fche vergenoeght fijnde met fijn fondige ftaat even daar door 
hoogfte goei foudc befittcn , foo verdraayen fe defe \roorden 

tot 



Consideratie N. 91 

tot een fin , die dc ongcrymiheyt fclfs fijnde noyt van ymant oyt 
gcdocecrt , maar van allen , felfs oock van die geen, op wiens re- 
kening dat dcfe ftclling ftaat , verfoert en vcrw orpen wort , fijnde 
klaar en evident, dat defe vergcnoeginge onmooghlijck plaatc 
hebben kan in dcfe ^5f^e^elt, daar alles foo veel veranderingc en 
ongcmack onderworpen is , ten fy in die gcene , die een fekerder 
goec voor oogen hebbende, en daarop alleen doelende, al wat 
ons hier overkomt geleert hebben met verachtingh aan-te-ficn, 
als fijnde faken, die ons van dat goct, waarop wy vafte hoopc 
hebben, niet konnen afleyden. En voor vaar aan defe eene po- 
fitie is klaar genoech te fien , hoe quaadtaardigh die luyden moe- 
ten fijn, die defe fimpele ftellingen, die foo licht in de befte vouw, 
ja fonder malicicusheyt in geen andere konnen gcflagen worden, 
de Heeren CuratcHven en BHrgermeefieren , die met andere faken 
overrompelt defe kleynigheden niet hebben konnen examine- 
ren, metfukk een valfche glimp hebben weten voor te houden, 
dat die daar op hebben gerefolveert de felfde te verbieden. Daar 
nochtans niemant ontkennen kan , dat foo men op fodanige wyfc 
ftellingen examineren en verdraayen magh , dat 'er dan niet een 
Boeck mde Werelt , felfs niet de H. Schriftuur vry fal fijn van dc- 
fer luyden haar klauwen, indienfe fich maar konden inbeelden, 
dat daar voordeel mede te doen was. 



De elfde Pojitie. 

Wygaan voort tot de elfde ftellinge, dat deWerelt ujt feeckfre 
biginfelen als zwaden voortgekomen u. In 't eerfte was onfe mee- 
ning, dat defe Pofitie fach op de Philofophie van Democritus en- 
de Èpicurus, die welcertyts yets diergelijtks hebben gedroomt, 
maar daarna hebben wygefien, dat die 'tExtraSl mf t de aamvy^ 
firigen hebben uyr gegeven, defe pofitie met de grootfte onbe- 
fchaamheyt van dc Wcrelt aen Cartefius ende Wi tichius derven 
te lafte leggen. fullen dan de geciteerde plaatlen eens over- 
wegen, op dat alfoo die onbefchiamde booftieyt van dele men- 
fchen voor dc geheele Werelt mach openbaar worden , ohe mif- 
fchien hooch-aanficnlijcke Hcerende oogen opengedaan wier- 

M 2 den. 



9^ Abrahami Heidani 

den , om foodanige lafteraars , die haar tegcns ons foecken op te 
hitfen en ons by haar verdacht te maken, noch geloof noch gun- 
ftige ooren meerder te verleenen. Men fal voortbrcni^en Au- 
teuren , met defelve woorden in defe ftcllinge bevat , cnde men 
brcnght niet alleen foodanige woorden niet voor den dagh , maar 
men gaat oock de voorgaande woorden, die defe ftellinge wel 
expreffelick tegenfpreken , voorby. Wy fullende woorden van 
des Cartes 'm't geheel, foo alffe in den 45. Artyckel in't derde 
deel van fijne Principien fijn te vinden, alhier voor oogen ftel- 
len. Ia ick fal oocl^ , om de natuurlycke dingen beter te verklaren^ 
hare oor faken hooger ophalen , als ick ver trouwe dat fe oytgeweejl Jtjn. 
Want daar en ts geen twyffel , of de IVerelt is in 't begin ge fch apen NB. 
met alle hare volkomentheyt , foo datter in defelve en Sonne en Aarde 
en Maan en Sterren gcwetfi pjn , en dat oock in de Aarde niet alleen 
geweeji fynz^aden van de planten ^ maar 00 ck^ de planten felfs; ende 
dat Adam en Eva niet Kinderen geboren fijn , maar dat fy volwajfen 
menfchengemaekt fijn. Dit leert ons het Chriftelicke gelove^ ende daar 
van overtuygt ons oockgeheelde natmrlicke reden. Want als men let op 
di oneindige macht Gods , kpnnen ivy niet geloven , dat hy oyt yets ge-- 
maackt heeft V twelcke niet in alle Jyne deelen volkomen is. Maar noch^ 
r^;7j-(hiernae volgen nu eerft de woorden , die in de Aanwy fingen 
worden bygcbracht) gelyck het beter tSy om de natuur der Planten 
ende der Menfchen wel te verftaan , dat men defelve aanmerckt , foo- 
aljfe allengskens uyt fekere zwaden konnen NB. voort komen , als dat^ 
menfe aanfiet , foo aljfe van den beginne gefchapen fjn. Alfoo mede^ in-* 
dien wy eenige eenvoudige beginfelen konnen uyt vinden ^ die licht om 
te verftaan fyn i uyt dewekhe y gelyck^als uyt fekere zwaden wy konden 
demon ftreren^ dat de Sterren y de Aarde y ende alUs wat wy in defe 
Werelt fieny haren oorjfronck konden NB. hebben y alhoewel wy wel 
weten , datje foo niet N B. voortgekomen fijn , fo€ fulien wy nochtans 
door dat middel hare natuire veel beter uy t leggen y als wanneer wyfe 
alleen befchryven [ouden fooalffenu fijn. Ende alfoo ick^meenefooda-- 
vige beginfelen gevonden te hebben 'y foo fal ick defelve hier kortelt jck^ 
verklaren. Hier uyt blyckt , dat des Cartes va(t ftelt i. dat^^ 
Wereldt in ^t begin met alle haere volkomentheyt is gefchapen. 
2. dat dit ntet alleen het Chrijielijckegelove y maar oockde natuirlijcke 
reden leert. 3 * dat alles , wat wy in de Werelt fien , ftjn o.orj^ronck foté. 

kon- 



C O N S I D R R A T I E N- 93 
konnen gelóadt hebben als uyt fekere zaden , maar dat wy weten , datfc 
foo niet voortgekomen fyn. In dien nu te feggcn , dat uy weten ^ dat 
de JVerelt niet uyt beginfeten als uyt fekere zaden voortgekomen is , foo 
veel is als te feggen , deWerelt u uyt fekere beginfelenals uyt zaden 
voortgekomen , ende dat neen jae is, bekennen wy dat defe aanwy- 
finge met woorden van ^(fj- Cartes is bewefen. Doch miflfchica 
meencn defe luiden, als men gelooft, dat de Wereltuyt niet 
gefchapenis in.haerc volkomentheyt, foo als^t Mofes bcfchryfc, 
dat men dan, om de natuire der faken te verftaan , defclve noch 
maeh noch moetinfien foo alflfe hacren oorfpronck konden gc- 
hadt hebben ; maar dan moeten fe voor eerft bekennen, datfc de- 
fe ftellinge niet bcwefen hebben met woorden van des Carter^ 
gelijckfc belooft hadden; ten tweeden, machmen dit niet doen, 
waarom mach danDn.Hulfius in lijn Examen Catecheticum (eg- 
gen pag. 77. Godt begint in de executie van de middelen ende hout 0^ 
met het einde , maar in't decreet begint hy van 't einde ende houdt op 
in de middelen'^ Mach men Gods eeuwigh decreet, "^twelcke ia 
een eenvoudigen adus beftaat , foo inlien, dat men hem eerft toe- 
fchryft het ftcllen van't einde en daarna 't ftellen van de midde- 
len, om dat wy het te beter mogen verftaan , daar^t nochtans fe- 
keris, dat dit eeuwige decreet Gods door foodanige verfchei- 
dcne aftus niet heeft konnen voortkomen ; waarom mach men 
dan de natuirlijcke dingen foo niet infien , gclijck fy hadden kon- 
nen voortkomen, in dien ""t Godt maar belieft hadde, ende gc- 
lijck daar nu noch eenige daar van dageiijcks voortkomen, als 
planten , boomen, dieren, mcnfchen en foo voorts? Waarom 
nu de Heer Wittichius hier oock wort bygebracht , die alleen de 
woorden van des Carrés Dif de Metho'do pag.^i. citeert, ende 
verklaart, ende niet des Cartes fclfs ^ diens woorden het fyn, is 
niet wel te befefFen , als darmen moet geloven, dat mén uyt 
enckele quaadcaardighevt geen occafic heeft willen laten voorby 
gaan, om hem by de Hooge Overigheidt fwart temaken. De 
woorden van des Cartes nu iijn defe : Hoewel Godt in den beginne- 
aan de Werelt geen andere forme hadde gegeven als van een Chaos ^ 
indien hy maar (hier worden de volgende woorden uitgelaten) ns 
de geftelde Wetten der Nature fijninvloet om te wercken ^ gelyck^ 
hj nugeurooH is , da^r bj voeghde , men foude mogeft geloven y [onder 

M 3 eenigh 



94 Abrahami Heidani 

eenigh ongelijchjc doen aan het mirakel van de Scheppingen^ dat daat 
J^or alle natuurlij cke dingen^ foo aljfe nu ffjn^ metter tyt voortgebracht 
hadden konnen worden. In dewelcke wederom alleen gefecht wort, 
vattcrhaddekonncngclchicden, maarniet, wattcr gefchiet is, 
gelijck defc ftcllinge bchelft. 

De tvoaelfde Pojitic. 

Aangaande de twaclfdeftellingc, die is wederom tweelcdigh: 
het cerftc lidc is , dat de ÏVerelt onetndich van ujthreidinge is. Wien 
falmen doch nu die optycn ? Wittichius moet het al wederom ge- 
daan hebben, alhoewel maar woorden by-gebracht worden , die 
hy uyt des Cartes citeert , en die noch verminckt , ende nochtans 
niet behelfende de woorden, waarmede dcfe ftcllinge is uytgc- 
druckt. Wy fuUen de woorden dan uyt de Thcol. Pacif. van^t 
begin van den 89. Ariyckel ophalen. Dusfcght Wittichius : Soo 
heeft danRenatus des Cartes gephilofophcert van de groote des 
-vjrerelds en wy met hem, nochtans heeft hy de bereidt liever 
onbepaalt willen noemen als oneindigh, op dathetwoort van 
oneindigh alleen voor Godt bewaart wierdc Princip.I. ƒ.27. Om 
datvjyin hem alleen omni ex parte in allen deele niet alleen geen ein^ 
den kennen y maar oocl^pof%ttve flellender wjfe verfiaan ^ datter geen 
ftjny 'twclckehy in den negenfeftichften Brief aan Hcnricus Mo- 
rus op die \ryie uytdruckt: lek fegge dies halven ^ dat de Wereh 
onbepaalt ^ , om dat ick cr geen paaien in kenne , maar ick^ z^oude 
hem niet derven NB. oneindtgh noemen y alfoo ick^vnflae y dat God 
grooter is als deWereldt ^ niet ten aan fx en van de uitbrtidinge ^ die 
fcky geltjck^ich dickvjils gefeght hebbe ^ geene eigentlijcke in Godt 
begrype ; maar ten aanfien van ftjn volkomenheydt \ ende in den 
56. Briefin het cerftc deel ondcr(cheyt hy alfoo tuffchen Onein- 
digh ende Onbepaalt : Om te [eggen dat een faecke oneyndtgh is^ 
moeten 'wy een reden hebben y die te wege brenght ^ dat wy fe als foo-* 
danige erkennen , die wy niet als van Godt alleen hebben linnen ^maar 
om te feggen dat fe onbepaalt is , foo is het genoegh , dat wy geen red- 
den hebben y door dewelcke wy kpnnen bewyfen j dat fy paaien heeft. 
Al dcwckke woorden de Aenwyfers, fy mogen weten, om wat 
reden , plotfclijck voorby-gaan , citeerende alleen defe vol- 
gende. 



CONSIDERATIEN. 

gf ndc , die nochtans in de plaatfe van des Cartes, van Wittichius 
gcallegeert , van de voorige immcdiatclick af hangen : Soo dunch 
rnjfy dat wj nitt en kannen bewyfen noch ooch begrjpeny dat ter 
f aaien in de materie Jijny ujt deivelcke de Wereldt is gemaackt. 
Het volgende, dat van >X^itichius uyt des Cartes wordt voort 
gebracht, wordt oock verby gegaan: maar ich kan daarom niet ont- 
kennen , datter mifchien paelen Ji)n , die Gódt bekent zj^n , hoe wel 
fj voormj onbegrijfelijck^ pjn. De Leferkan dan hier uyt weder- 
om een ftaaltje van de ontrouw van defe lieden fien, datfc , ful- 
lende bewyfen datter geleert wort, dat deWereldt oneindigh 
woorden by brengen in dewelcke alleen gevonden wordt , dat 
men niet kan begrtjpen , dat ter paaien in de materie van de Wereldt 
xjijn^ welcke van de woorden van de ftellinge feer verfchillenj 
cndc datfe verby gaan woorden die immediatclick voorgaan, 
inde welcke wel expreffelick ontkendt wordt, datmendeWerelt 
kfin oneindigh noemen. Doch daar worden noch twee plaatfen uyt 
>>C^itiichii eigene woorden by gebracht, uyt de welckc 't mif- 
fchien beter fal blijcken, dat hy defe ftellinge leerc. De eenc 
wort genomen uyt ^X^ittichii Theol. Pacificapag. 52. maar die 
woorden worden al wederom verrainckt bygebracht , die wy ge- 
heel fullen voorftellen ; u^lfoo wy dan volgens ons denckbeclt moe- 
ten oordeelen , ende ^tgene wjf in 't denckbeclt van elcke fake bevin- 
den haar moeten toefchryven ^ foo is ^tvan nooden , dat y deivyl ivy 
foo eene groote uytbreydtnge in't denckbeeldt van de Wereldt bevin- 
den , dat uy geene grootere konnen begrypen , wy die aan de- 
felve oock toefchryven , en dien volgens moeten wj geene einden in 
de Werelt begrypen ; ivant indien wy dat deden , fouden iwy eene 
grootere uytbreydinge begrypen als die van deWereldt is. Maar hier 
\vorden al wederom de woorden van defe ftellinge niergelcfen, 
'twelcke nochtans moefte bcwefen worden ; en^'tis yets andejs 
tefeggcn: dat men geene grootere uytbreydinge kan begrypen als die 
van deWereldt^ waar uyt alleen volght, dat de wereldt onbe- 
paalt is, en yets anders te feggen, dat deWereldt onetndigh is^ 
't welcke uyt het voorgaande gcenfins volght. De andere plaats 
is uyt Theol. Pacif. pag. 68. genomen : lek [egge, dat het met 
tegenflrydigh is ^ foo de Wereldt ontyndigh in uythreydingh genoemt 
werdt, al wederom noch defelve woorden van de ftellinge , noch 

•ock 



9^ Abrahami Heidani» 

oock vc^^oorden , die even felvc feggen. Defe woorden brengen 
niec alleen mede , dat het niet onmogelijckis, datdeWerclt in 
uy tbreydinge oncyndigh is , maar daar uyt volght piet , dat (c in- 
der daat oneindigh is. Daar kanwel yets mogelick wefen, dat 
daarom foodanigh nieten is. was mogclijck, dat de inftelders 
van de aanwy fingen de waarheit beminden , en feiden , maar daar 
uyt volght niet dat fy het doen , en 't contrarie is ons nu al dick- 
wils gebleken. 

Het tweede lidt is , dat het onmogelijck is , datter meer Werelden 
konrjenz^'m» Dat dit demeeninge van des Cartes en aller der ge- 
nen , die 't met hem houden, is, willen wy niec ontkennen; dc 
HeerMarelius heeft oock dit felve vecle jaaren tegens Voetius 
ftaande gehouden, ende met grondige Argumenten beveftight, 
endcwy mcenen, dat dit wel verftaanfijndefoo klaar is , dat het 
niet kan in twyfFelgetrocken werden , als van diegene, diealffc 
eens een faackc qualyck hebben opgenomen, daar by namaals 
willen volhcrden, al worden fy van de waarheidt ovcrtuight. 
Maar alfoo ''t -wooi^tWereldt eenen dubbelden fin heeft , kan 
defe ftellingewel in eenen fekcren fin voor vals gehouden wor- 
den. De Wereldt wert dickwils genomen voor de Aarde alleen, 
ende in foo een fin is 't buyten twyffel \d\sy dathet onmogelijck^is^ 
datter meer Werelden y dat is meer Aarden ^ fullen honnen ftjnj en 
foo {al het buyten twyfFel van de gemeente aengemerckc wor- 
den, aen de welckc het overal bekent is gemacckt. Wy en ont- 
kennen dan niet, dat in dien fin meer Werelden , dat is, meer 
Aerden fouden konnen zijn. Maar door de Werclt wort oock 
verftaan dit geheel al , Hemel ende Aarden met alle Creaturen die 
daar in Cipy en in dien fin is het een contradiöie te feggen, dat^ 
ter meer Werelden fouden konnen Jjfn ; want genomen, dat Godt 
meer lichaemen ofte meer andere creaturen foude komen tc 
fcheppcn a die fouden doch gcene nieuwe Werelt maken, maer 
fy fouden tot het geheel al behooren. Wie kan dit tegenfprcken ? 
ende foo het ymant doet , die toont daarmede, dat hy maar eea 
woorden ftrydt wil voeren ; want aen beyde fyden wort toege- 
ftaenj dat Godt meer creaturen foude konnen fcheppen , blyft 
dan maar de vrage, of men die met recht foude een andere Wc- 
rclt konnen noemen- Als men oock aenmcrckt, dattcr boven 

die 



C O N S I D E R A T I E K. 9 7 

dien Hemel, die \vy (ren, en waarin wy de Sterren fien fiickerenynaot- 
fakclick moeten aangemerckt worden cenigc plaatfcn , hebbende haa-- 
xe uytbreydinge j 't wtlckc van onfe tegenpartijdcrs vi ort tocgcftaan^ 
dieoock défelvc als oneyndigh uytgebrcydt baar verbeelden, fo kan 
men lichtelick vatten , dat Godt in die fpaticn ofplaatfcn kan veel par- 
ticuliere lichamen Hellen , die nochtans alle tot het geheel al fullen be- 
vonden worden te bchooren. Alleen blijft hier dc quarftic over, of 
men defe fpaticn , die nootf:lkelick na onfe mceningc onbepaalt i^tge- 
brepj maar nac de meeninge van onfe tegenpartijdcrs , cncyndtgh ujtgt-^ 
brejt moeten begrepen worden 5 fal imaginair noemen of rccel; onfe 
tegenpartijdcrs leggen het ecrke, enwy het tweede: enwymeenen 
daarin gelijck tc hebben » om dat die plaatfen nootfakclick moeten 
als uytgebrcydt begrepen v\X)rden , gelijck het felve van onfe tegen- 
partijdcrs worttoegeftaan; want zijnfcuytgebreydt, foo hebbcnic al 
het geen tot een lichaam behoort , het wclckc anders niet begrepen 
kan worden als in een uytbreydinge te beftaan; en hcbbenfc tl het 
geenetot een licbiam behoort, foo zijn fc immers rccel^ nietbloa- 
telick 'imaginaire. Immers uyt dcfcn allen blijckt klaar genoegli-, 
dat die fake van foo grootc aangclcgenheyt niet is , dat de H. Curateu- 
ren foudcn reden gchadt hebben , om dcfelve te verbieden , in dienfe 
al tc vooren ons hadden gelieven hier over tc hooren. Want ons fon 
dan licht geweeft zijn haar te demon ft rceren, dat defe Werclt allc 
plaatfen vervullende, dat is , alle lichamen in fich bcfluytende, niet 
toe en 'Iaat meer Werelden ^ dat is te fcggen , meer lichamen. Waar 
dat by komt, dat alsmen twee Werelden confidereert, dat men dc 
felfde ftelt of van ntalkandcr gefepareert , ofte aan malkander vafl:. 
Soo 't laatfte , wat is'cr klaarder als dat die lichamen t' famen ge- 
connetfteert zijnde maar een Werelt maken ? Soo't cerfte, foo isVr 
feker een af-ftandt, een langhte , een breette, een diepte, dat is, 
een lichaam tuflchen Ipeyden^ cn voor foo veel zijn die lichamen 
niet i^cfepareert , maar door een taflchen bcyde lichaam aan malkan- 
deren verbonden , en daarom weer maar een Worclt. lek cn fal nu 
niet ftaan op .die objecflie, dat men foo doende Godts maght bc- 
fnijt, om dat my licht ftaat het fclfdc antwoort daar op tcc te paf- 
fen , 't geen fy geven foudcn , als ick die felfdc objcdie voortbraght , 
t^^gcfi het algcmecne feggen , Godt kan niet bedriegen. Dit fal 
iet* er alleen by voegen., dat het defe luyden , indienfe foo op haar 

N faackcn 



9» ABRAHAMI HEIDANI 

feacken flaan » beter vcKghdehaar partijen met reden tc overtuygen , 
cn haar argumenten te wederleggen , als de felfde niet aanraacken^ 
de , en haar faack mistrouwende te gaan klagen by de Regenten » 
haar maght te implorceren , haar ooren met een deel valfchc en vcr- 
fierdc aanklaghten te vervullen , om foo met gewelt te onderdrucken 
dat, 'tgccn fy niet derven hoopen met reden enwaarheyt te fullen 
konnen dempen. Noyt heeftmen gehoort, dat Mathematici , wiens 
faacken op feeckere waarheyden aankomen j oyt hebben gefocht met 
gewelt haar dingen voort te fetten, als wetende, dat haar waarheyt 
foo helder cn klaar is , datfe met haar fchijnfel de harten der menfchcn 
beftralende , haar felven wegh fou baanen. Het felfde (poor fouden 
defeluyden buytentvvijffel mede volgen, indien fevaft in haar fchoe- 
ncn gingen , en van haar ftellingcn verfeeckert waren, daarfe nu ter 
contrarie bewuft zijnde van haar fwackheyt, en hoe onnoofel. Ja be- 
lachelijckdemeeftevanhaareftcllingen gefiindecrt zijn , geen ander 
middel fien , om de felfde te mainteneercn , als met bedrogh en pidt 
fraudes de Regenten in-te-nemen , en foo *t geen fy met reden , met 
waarheyt, en fatfoen niet fien te bekoinen , door gewelt, valfche 
befchuldingen en alderhandc ongerijmtheydt , mecfter te wor- 
den, 

7)e dertiende Tajïtie. 

Inde dertiende flellinge vinden wy wederom twee Icdcn : }let eer- 
fte is y dat de zacI van de menfche niet dan een gedachte is. Defe ftellin* 
gewortvan onfe tegenpartijders fooverfhan, dat de ziel maar zijn- 
de eenc gedachte, die licht verby gaat , dan ophout in wcfen , als defe 
gedachte ophoudt: het wel^ke wel eertijts gcweeft is de meeninge 
van deSadducaren , die oock onfe partijen fich niet fchamen ons aen 
te wryvcn , foo dat hier uyt dan volgen foude , dat dc ziel van den 
racnfche fterflick ware, en dat fy ophielt tc zijn, foo haaft als dc 
menfche ophieldt tc leven. Defe meeninge betuygcn wy, dat vry 
verfocyen , en wy derven wel feggen , dat wy dc onfterfiickheyt van dc 
ziele met betere argumenten bcwecren , als d'C dcfelve of als een drn- 
ne ftofte begrijpen , of felfs niet weten tc feggen, wat reëels jn de ziele 
is, wanneer fy dcfelve willen fonderallc gedachten bevatrcn. Maar 
is het gene dat wy fuftineeren ende feggen , dat de ziele is eene 

fubftan- 



CONSIDERATIE N. 

fubftantic, beftaande in verftant cn wille, en alfooin dcncken, bly ven- 
de altijt denckende, alhoewel defe en gene gedachten vcrby gaan endc 
veranderen > en alhoewel wy dickwyls vergeten het gene vjy van te 
vooren gedacht hebben. En feker , indien het lichaain beflaan kan 
door fijn uytbrcydinge, waarom foudc de ziel niet beflaan konnen door 
het dcncken ? of isler minder realiteyt in het dencken als in de uy t- 
brcydinge ? het welcke indien het waar is ^ foo isfer een meerder per- 
fedie in de uytbreydinge , als in het dcncken > cnde derhalven zijn de 
lichamen heerlicker , als de zielen, dat immers feer ongcrijmt i$. Laat 
ons eens ter dege aanmercken , wat een {ubftantie is : Die wort in *t 
gemeen alfoo befchreven , dat fy is een faak, die door haar fel ven bc- 
ibat , ende w^ort daar door onderfcheyden van de accidenten ofte toe- 
vallen, die niets hebben waar door fy beftaan , als de fubftantie , fonder 
devvelckc fy niet konnen begrepen worden , ende alfoo oock niet rijn ; 
foo dat ecnc fake door haar (elven beftaande niets anders is , als die in 
fich felvcn heeft dat gccne, w^aar door fyis. Soo heeft het lichaam 
fijne uytbreydinge , cnde door defelve is het een lichaam. Wy begrij* 
pen dan oock in dier voegen in de ziele het dencken , als ycts door het 
welcke de ziele is de ziele. Het wcfen van de ziel feggen w-y te beftaan 
in dencken. Door het wefen moet verftaan worden ycts reëels, het 
welckc altoos is en blijft , foo lange als de ziele is , *t w^lcke noyt van 
de ziele kan gefchcyden worden. Als wy nu eens infienal het gene 
wy in de ziele vinden, foo fal het klaar w'efen, dat het dencken is 't gene 
altijds de ziele by blijft , hoe cn op wat maniere defelve oock wort ver- 
andert. Wy vinden in de ziele oordeelen , toeftemmen , ontkennen , 
verftaan , willen , haaten cn foo voorts. Defe alle konnen verandert 
worden , maar het dencken blijft altijdt by haar. Als de ziele oor- 
deelt fy denckt , alsfe ycts tocftemt fy denckt , als fy yets ontkent fy 
denckt, alsfc verftaat> alsfe wil dcncktfe, alsfe bemint alsfe haat fy 
denckt. Het dencken blijft haar dan altijdt by, hoew'cJ alle de ande- 
re veranderen , ende aHo is het dencken yets reëels , de ziel altijt by 
blyvende, daar door dan het wefen van de ziel moet wwden verftaan. 
En feecker indien men de ziel op defo maniere niet begrijpt, fal men 
geen goet concept oyt daar van konnen maken , of men fal niet weten, 
wat fè is , daar nochtans niet is , dat ons gemcenfamer cnde bekender 
behoorde te Vvcfen als defelve > ende oock niet lichter is om te vatten » 
^1^ men maar eens kan komen tot't afleggen van alle vooroordelen, 

Ni die 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 11] 



loo ABRAHAM! HEIDANI 

die men door 't misbruyck der uyterlicke finnen komt te hebben, 
want dat men de ziel foo niet bevat ^ als wy hier hebben vertoont >- 
komt daar van daan , of dat men gewoon is de vooroordeelen van de 
Uyterlicke finnen te volgen , ende van kmtsbeen af al ons begrip van 
faken g^voeght lieeft ntie't begrip, datwy door de uyterlicke finnen 
gewoon zijn te maken , ofte dat men door de vooroordeelen , welc* 
ke de Scholaftijcke Philofophie in de gene, die geltudeert hebben^ 
isvervveckende, fich Iaat mijleydcn. Die de vooroordeelen van dc 
uyterliclcc finnen volgen mecnen 3 dat daar niets is als *t geenc fe ücn y 
of hooren , taftcn en voelen , of door eenige andere fmnen begrijpen y 
ofte altijdt >-dat hct-geene op de linnen niet cn werckt g€cn rcèle fub- 
ftantie is; ende alfoo fe de ziele doorgeene uyterlicke finnen kon- 
nen begrijpen , meeneii feoock, datfc niets is van h?var lichaam y 
""twelck fy door haare finnen bevatten, ondcrfcheyden ; en foo bc* 
grijpen fe dan dc ziele wel licht als ecne qualiteyt of hoedauighcyt tot 
het lichaam behoorcnde , die met het felve blijft en vergaat , ofte , in- 
dien fe oordeelen > dattcr -oock eenige lichamen ^ijn, die v\yjuyft niet 
fien 5 noch hooren , noch met -cenige uyterlicke finnen konnen begrij- 
pen > als daar is dc lucht, wanneerfe IHl ende fonder bewegingcvan 
winden is, begrijpen fydc ziele als een dun lichaam, 'twelck dooi» 
ons grof mcnkhctick lichaam verfpreyt is ^.cn foo gebeurt het dai> 
licht, dat men tot die gedachten vervalt, dat, als ons lichaam ver- 
broocken wert , ootk de ziele , die door 't felve verfpreyt is, komt te 
rergaancn te verdwijnen. Maar onder de eeenc, wckke deSchoIa^ 
flijcke Philofophie hebben ingefogen , ende uyt dc felve vsele woor- 
den ende rclatien hebben gelcert , wordender gevonden , die wan- 
neerfe het w^fen van de ziele alredc hebben begrepen, nochtans 
't fclvcdaar voor niet houdende, maar noch yets anders {occkcnde , 
in plaats van 't felre eenige woorden ende relatien nemen , in dc- 
weickefy de natuur van de ziel' ftellen, ende alfoo met den hont va» 
'itfopus nac de fchadiwc gapende , oock felfs *t vlees ea de fake , diefc 
aircde begrepen hadden verlicfcn. Want datin de ziel alle dcfe boven 
opgetelde werckingcn, verftaan , wiHcn, oordeclcn, gevoelen, bemin- 
nen en foo voorts zijn , ende dat in allen defen het dcnckcn wort ge- 
vonden, kan van niemant ontkent werden ^ wat heeft men dan van 
noodcn, omme yets anders te foecksn? En feecker alle 't gene , dat 
Uien behalvoi denckenwil flcllcn voor'twcfen van dc zide^ be- 

itaat 



C O N S IDER ATIE N. ioï 
ftaat maar m een fekere relatie en opficht van de ziele , die aircdc be- 
grepen wort haar wcfcn te hebben ; als daar is do macht om te dem- 
ketif of dcredclickl^ej'ty of yets diergelijcks; want defe alle zijn maas; 
opfichten van 't gene dat denckt tot vets anders. By exemjpel ; dêy 
macht om te denckcn beöaat daarin , dat de felfftandigheyt r- wclckc 
men die maghrtoefchrijfi: , yets, ick weet niet wat, in fich heeft y waar 
uyt het dencken vloeyt ; 't wclck voorwaar niet met al gefeyt is. 
Want gclijck het fcer onnoofcl fou zijn , dat men gcvraaght zijnde na- 
de natuur des Zeyllteens niet antwoorde , hoe die rn fich fclven ge- 
ftelt is , en wat voor eygcnfchappen die heeft, maar alleen datfe maghf 
heeft van het Yfer noe nch tc trecken, en gelijck 't ongerijmt fou zijn 
dat men op de vraage , waarom dc incnfciie fich beweeghde , niet an- 
ders antwoorde ^ als om dat de liienfch de macht heeft, fonder'er by 
tc voegen op wat voor confiitiirie van zenuwen, miifculen, pefen en 
wat des meer is die mncht rufte , foo is 't oock onnoofcl , dat men om 
tot kennis van de ziel tc komen , niet by brenght , als dat de ziel mach^^ 
heeft om tc dereken, fonder te ftggen, wat in de ziel is daar die 
macht uytvloeyt. Zijnde dit in effect niet anders , als, dc ziel is een' 
diufr / ick weet niet wat , dat kan dencken. Soo oock de redeüchhcjt 
begrijpt alleen in haar een macht om te dencken op eene fecckcre 
manierc, tc weten dat men foo denckt, dat het met de reden over- 
een- komt , *t welck andere, niet is als en feeckerc foort van oordeelen » • 
die namentlijck met het verdant gcfchiet. Soo dat dan, hcc men 't 
oock nemen wil , vaft Raat , en voor vaft gehouden moet worden , 
dat *t w^efèn van de ziele t' eenemaal in 't dencken is te vinden. En 
feecker de ziel in dier voecrn te begrijpen heeft in fich eene grootc 
nuttigheyt, voornaamlick in de Theologie. Daar zijn veel kette- 
rijen daar uvf ontfiaan , dnt men geen g( ncechHiam ondcrfchcyt heeft" 
begrepen tuflchcn een Hchaamelick ende geefteück weftn, fou 
te langh v:^llen dit in 't brecde aan te wijfen 't welcke nochtans licht 
gefcLiedèn koixie. In dien de Anthropomorphiten, die Godt een 
menfchehck lichaam toc-eygenden , dit ondcrfcheyt wel verftaan- 
hadden , fy ïouden noyt tot foo een grove dwalingh vcrvplirn zijn. 
Bat de Socinianen ick weet niet van wat geeftelicke lichamen droo- 
mcn5- die de menfch^n in dèopftandingefullen ontfingcn , komt daar 
Van daan , datfe het onderfcheyt tuiTchen een geeft en lichaam niet wel 
begrijpen. Hadden die geenc , die de onfterftclickhxyt der zielen 

N 3 . vc>* - 



loz ABRAHAMI HEIDANI 

verloochenen , of die mecnen, datfe flapcn tot de opftandinge der doo- 
den , ter degen verftaan , dat de zielen in geen dingh 'c lichaam gelijck 
ende derhal ven van een geheel ander wcfen zijn , fy fouden tot defe 
gevoeleiis noyt zijn vervallen ; want de flaap is eygen aan *t lichaam 
en niet aan de ziele , en 't gecne geen lichaam is heeft geene dee.'en , 
cn kan alfoo in geen deelen verdeelt worden j ende vervolgens niet 
fterven. Uyt vvelck alles blijckt , dat het *er foo ver van daan is , dat 
dcfc flelh'ngh onwaardigh is , om op de Univerfiteyt gedoceert tc 
werden, dat ick afleurant dervefeggcn, dat*er niemant, alsdiegee- 
nc die defe ftellingh voor vaft houden , oyt (èeckerlijck fuick een im- 
portante wanrheyt , als is 't onderfcheyt van ziel en lichaam fal konnen 
dcmonftrercn. En Rkodus^ en Saltw. Hier komt de faack op aan. 
Dicnufichinbeelteenigekennilfe des ziels te hebben, en nochtans 
Monfieur Des Cartes dvvalingh te fien , hy vange vverck aan. Daar is 
fcccker geen faack , daar een eerlijck man fijn gedachten met meer- 
der nut kan opleggen. Daar is niet in de vverelt , dat Atheiften , Li- 
bertijnen cn fulck flagh van mcnfchen , die fich inbeelden, dat de 
ziel met het lichaam fterft, beter overtuygen kan, als foodanigh een 
bewijs. Op *t vvelck fich felfs te leggen veel beter fou voegen aan 
Theologanten , nis foodanich een fondament , waar uyt dele faack 
Sonne-klaar volght , met ick weet niet wat voor lafteringen tc be- 
kladden en te vervolgen. Aan foodanige vruchten foumenbefl kon- 
nen fien , weicke manier van raifonneren te verkiefen was , of de 
Scholafticquc , die dit noyt fullen uyt haar beginfelcn feeckerlijck 
bewijfen, of die van Des Cartes , die klaarlijck aantoonende, dateer 
in de ziel buyten het dencken niets is , met eenen feeckerlijck dit ge- 
feydc onderfcheyt I foo nootfaakelijck tot alle Religie en Theologie, 
vaft maackt. 

g^?,Wai: het tweede aangaat, namentlijck, dat de zjelwegh-genomen 
zwijnde v een menfch nochtans [oude konnen leven en heweeght worden , 
is een ftellingh , foo als de woorden leggen genomen , foo abfiird en 
contradictoir , dat yder daatlijck fal konnen fien, dat het onmoogelijck 
is, dat de felfde oyt van ymandt geftelt foude zijn. Want is 't niet 
feecker , dat een menfch beftaat uyt ziel en lichaam , en dat de doot 
des menfchen met fich fïecpt een losmakingh van die knoop , daar 
ziel en lichaam mede vereenight zijn , ofte een fcheydingh van ziel cn 
lichaam? Hocis *tdan mooghlijck, dat de ziel wech-genomen zijn- 
de, het 



CONSIDERATIE N. joi 

de, het lichaam alleen als een menfche kan geconfidercett werden ? 
Hoe kan 't in ymants gedachten vallen , dat een menfch , dat is te feg- 
gen, een faacke uyt zielen lichaam bclbande, foudeoverblyven, (oude 
leven, (oude beweeght worden, als de ziel vvech was ? Want feeckcr- 
Jijck de ziel wech zijnde , foo is de famcnftellingh van ziel en lichaam , 
dat is de menfchelijcke natuur , gebroocken en wech-genomen. Wel 
IS waar , dat het leven cn de mcclte bewegingen, niet van de menfche, 
maar van het menfchelijck lichaam , niet komen te vloeyen uyt de 
ziel, maar uyt de toeftellinge des lichaams alleen. Want feeckerlijck 
hoe is 't te bedenckcn, dat de ziel oorfaack fou zijn van de veranderingh 
der fpijfe , die in de mangh en gedarmte gefchiet, van die bloetmaac- 
kmge in 't hart , en wat'er meer voor lichamelijcke bewegingen in ons 
lichaam zijn , daar dc felfde , niet alleen hier van ganfch niet bewuft is , 
maar oock klaarlijck bevint , dat fdf alle haar krachten infpannende 
fygeen vnn dcfe werckingc kan of voort fetten ofrtuyten , of dc min- 
Ite veranderingh aen de felvige toebrengen. Hoe is het te bedcnc- 
ken, dat de ziel oorfaack van 't leven fou zijn, daar men bevint, dat 
het verlengen of verkorten van dien, noyt van des ziels poogingen, 
maaralleen van lichamelijcke oorfaaken komt? feecker, foodit.ilies 
vandezielaf-hingh, hoe fou het konnen gebeuren , dat dc menfch, 
voornamentlijck wulps cn welluftigh zijnde , en niet als aartfe dingen 
bcoogende, tegen fijn wil en danck, 't wclckeygenfchappen cn uerc- 
kingen des ziels zijn, foude komen tefterven? fou men niet beter als 
mfieckte een Medicijn- meefter te halen, om het lichaam te rechtte 
brengen , een wclfpreeckend Oratcur by de patiënt roepen , die dc 
liecke ziel met fraaye harangucs in ftedc van vadfige drancken per- 
fuadeerdc te willen leven, foo namcntlijck het leven van dcziel, en 
niet van 't lichaam, af hingh. Maar fondcr jock. WatisVr feeckcr- 
der , als dat de omloop van 't bloct , uyt welcke alle wcrckingen vloe- 
yen , en daarin eygentlijck 't leven beftaat, volght uytdeconftituric 
van 'chirt, aderen , cn uyt dc natuur des bloets fel fs cn niet van de 
ziel ? Manr genomen dit was ralfch , is 't daarom genocch om v-rbn- 
den te worden 5 wat heeft defe faack gemeen met de Theologie? 
met ConfcfHe of Catcchifmns?fal men in de Confeflie difpL;rercn,waar 
in dat het leven des lichaams beftaat, of fil men dit niet mogen fcc;- 
gen , o-T) dat het in de Confeffie fjo niet en ftaat? 'T weick foo 't 
volght foo magh men van de omloop van *t bloet, van fajkcn dè Mc^" 

dicijnc, 



104 ABRAHAMI HEIDANl 

dicijnc, de Rechten, dc Mathematicque rakende mede niet fpreeckerb 
om dat die in de ConfclTic niet cxi ftaan ? Of doet defe faack mede tot 
de Religie? falmen beter faligh worden., als men weet de conüitutic 
van ons lichaam en waar uyt al haar bewegingen vloeyen , dan wanneer 
jnen van dciclfdeonbemiil: is ? Maar om koit te tïjn , *t is klaar dat 
dcfe ftellingh , foo als de woorden leggen , de ongerijmtheyt felfs is , 
cn evident toont, dat het opftellcn van defe pofitie Icomtayt een koker 
van ymant, die 't wcrek ganfch niet verftaat ; blijckendc dit oock klaar 
van dc Aanwyfers , die om defe faack wat fchijns te geven by brcngcrt 
^.plaatfcnvan Wittichius , in v^elcke hyduydelijck fprceckt van het 
leven niet des menfchens, even of dat fonder ziel beilaan kon,maar dcsi 
Jichaamj, 'cwclck, gelijckgefeytis, vandczielnietenvloeyt. Is dan 
het lichaam des menlchens nu de hcele menfch gew^ordcn ? Is nu al van 
dc menfche waar, dat van het lichaam alleen geteytwort? 't welk noch- 
tans defe Aanwyfers Hellen moeten , indien fy meenen defe plaatfen 
recht geallegeert te hebben. Waar uyt wederom volgt, dat fy bottelijck 
meenen, dat'er in dc menfche niet als lichaam is, of dat fy 't geen alleen 
van *t lichaam gefe}t w^ort , in onderfcheydingh van de ziel en van den 
hcele menfch , malicieufelijck op de gcheele menfchelijcke natuur toe- 
paffen. Want hoe kanmen fonder een van beyde defe fouten te begaan 
defe ftellingcnWittichius te lall leggenten uyt fijneThcologiaPacihca, 
daar nochtans defelvc w^oorden niet gevonden worden , die foccken t€ 
bevvercn? Sy brongen voort pag. iip.eenigc w-oorden van Wittichius, 
die veel verfchillen van de woorden van defe ftellingCj endc indienfc 
*erde voorgaande woorden hadden bygevceght dan foude gebleken 
hebben, dat Wittichius het contrarie van die ftellingh heeft gelecrt, 
foo datter geen uytvlucht is voor defe luy den ^ of fc hebben de faack, 
niet verftaan , of gefocht moetwillens haren naeften met laftcrin^c te 
onderdrucken endle by de H.Curateuren fvvart temaacken. Soo fcght 
Wittichius: Nimatitvanom beeft gefeyty dat de menfch NB, na dat 
de ziele van 't lichaam is vvech-genomen , *t vvdck alleen door den 
doot gcfchiet, fijn levendige fiinctienkan oeffenen. Want door de dooi 
wort f lichaam onbequaam gmaackt , cm levendige funUun of btdknin^ 
gen te oeffewn , ]a door de doot houden aUe levendige bedieningen op. N/r- 
Jtnant heeft gefejt , dat 't lichaam Icvendigh blijft na de doQt , *t welck? 
ïetuemaal contradicioir is. ( Na dit alles volgen eerft de woorden , die 
ia dc aaavvyfiogen yvordcn geciteertx ) Dit vol^ht alleen en kan wel UH 



C O N S I D E R A T I E N. 105 

enfe-en Carte^i mceninge getrockjn worden y datur in menfchelukf li- 
chaam j in \twelc\ede bewegingen van *t bloet ende der geejlen ende fijne 
voornaamjle deelen wel gefielt fijn j en dat vervolgens levende ü y aüeli^ 
ehameUckc bewegingen konnengeoeffent worden f fchoon genomen hetgeen 
redelicks fiele had. Hier blijckt immers, dat Wittichius ontkent 't gene 
in defe pofitie ftaat , dat^i^ menfch fijne levendige funHien kanoeffenen, 
dith , leven ende bevveeght worden ^ nae dat de fiele van 't lichaam is 
wechgenomen. In *t volgende wordt wel geleidt , dat in *t menfchelick^ 
lichaam alle lichaemelicks bewegingen konnen geoeffent worden, fihoonge-- 
nomen hetgecne redelicke fiele hadt \ maar ick hoope immers , dat dcfe lic^ 
den een onderfcheidt konnen maken tuflchen \ menfchelicke lichaam 
cn de menfch felfs, alfoo de menfch behalven 't menfchelicke lichaam 
oock cene menfchelicke fiele heeft. En hoe dat dit te verftaan is kan 
klaar blij eken njt de andere citatie, dicuytWittichüTheol. Pacifici 
pag. 1 j8. maar al wederom kreupel ende rerminckt wordt bygebracht, 
die wy in fijn geheel fullen voorftellen. Het leven des Lichaams depen^ 
deert niet van 't leven der fiele ^ (dit volgende wordt voorby gegaan) 
terwijl gelijck^t lichaam van de fiely alfoo oock^'t leven van't lichaam van 
V leven van de fiel in haare geheele natuur e onder fcheiden is ^ (hierop 
volght nu *t gene deAanwijfers bybrengen) fT^tf^f het leven van'tH^ 
thaam befiaat in de beweginge des blceds ende dergeefien , maar > leven der 
fiele in de gedachten. Hier wordt wederom niet gefecht, dat de fiele 
4pechgenomenfijnde de menfch foude konnen leven ende beweeght worden $ 
om 't welcke te bewijfen defe woorden van de Aanwijfers worden by- 
gebracht; maar in die woorden wert alleen *tgene foo nodich is on- 
derfcheiden te wordeii , alhier onderfcheidentlick aangemerckt. 



jD^ veertiende Tofitie. 

Volght de veertiende ftellinge , dat tot de menfchelicke nature met be^ 
hoort als dencken. Diegene, die de Heer en Curateuren en Burgermeefle- 
ten hebben defe fteliingen , als in haar Univcrfiteyt geven tilecrt fijn- 
dc, vooroogengeflclt, hebben niet beter tot onfchult dergeener, 
die fy daar medebefchuldigden , konnen doen , als de felfde fuicke ftel- 
iingen op te dichten, die geexamincert fijndc, lichtelijck foodanigh 
fouden bevonden worden , datfe onmooghli jck vallen kennen in eeni- 
ce harflenen , daar *t minfte verftandt in is. Seeckerlijck die liegen wil 

O be^ 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by courlesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 [1] 



to6 ABRAHAMI MEIDANl 

behoort ten ininften hier op te letten 5 dat fijn leugen cenïgc fchijn vaft 
vvaarheyt heeft , welckc als hy te buy ten gaat, foo wdrtdefcIfdetcN 
ftont met handen gctaft , daar fc anders wat fatfoenelijckcr voorgc- 
(leidt fijnde^miflTchien veelc eenvoudige foude konnen bedriegen. Dit 
felfdc roordcel verwachten die gene * op wiens recckcningh defe ftel- 
iingen geftelt worden, van haar grove bot en ontfatfoenlijckheyt. Kan 
men fich wel inbeelden, dat de luyden fullen geloren , datter menfchen 
fijn die fouden willen fuitineeren , dat tot de menfchclijckc natuur ^ die 
als gefeyt is , uyt feci en lichaam bcftaat, niet fou behooren als denckcn» 
*t geen nochtans defc fclfde luyden , naar den inhoudt van d'ceven 
voorgaande pofitie, defielalleen toefchrijven. Maar fict hier een plaats 
van des Cartes , daar het (elfde klaar ncergeftelt is^ dewclcke alfóo fè 
door dc Aanwyfers nahaargewoonc candcuronvolmaacktbygebracht 
\voTt 9 wy in *t geheel vcrtoonen. Het aclitfte Artykel dan luydt aldus: 
UéLcque optimx via eSl ad mentiê naturam , ejufque a corpore difiinclionm 
agnofcendam : Exdminéntes enim , qumAm fimus nosy qui omnia , qua a no^ 
bU dherfa funhfupfenimtëfa^ifit effcjperjpicue videmus, nullam extenfionem 
necpguram-y necmotum localemnec qutd ftmile, quod corporifit tribuen^ 
dumy adnaturamnoftrampertinere y fed cogitationem folam j quaproindc 
pnui&certimquamuUa res corporta cogmfcitur; hanc enim jam per ccpi- 
tntiSy de altis autem adhuc duhitaitm. En dit is de befte wegh om de natuur 
der[iele^enhaaYonder[cheytvan't lichaam te erkennen. Want cnderfoec-- 
kende j wie tpj fijn die ar t geen van ons onder fcbej/den isrerduhtenvalste 
fijn.foo fien t^y klaar daier noch uytgeftrecktheyt , noch figuur ^ noch betpe^ 
ginghy nochyetjdiergelijcks dat het lichaam toekomt^ tot onfe natuur be^ 
Imrdt, maar alkenhet dencken , 'twelck^derhalven eerder en fee cker den 
gekant wert als eenige iichamelijcke faack y tpantdefe hebben wynubegn^ 
pen, en van allen anderen faacken ttpyffelen wy noch. Maar weten defe lujr- 
den niet 5 dat des Cartes per natmam noftram , door onfe natuur, daar niet 
anders verftaat als , de fielf Hebben fy dan de voorgaande en 

volgende woorden van dit geciteerde Artykel noyt gelcfcn, daar 't 
fcIWe middagh klaar in-blyckt ? Hebben fy oock noyt ingefien het daar 
opvolgende 12. Artyckel, daar hy met exprefle Woorden ftelt , dat- 
men door owy hier eygentlijck onfe (iel verftaanmoet? fcggcnde.: Et 
quamvisfil^i eer time Ife putarunt ^ fietpfos exificre y quam quidquam aliud ; 
tión tarnen adverterunt per fe ipfos ment es folas hocinlocoftiijfeinteUigen- 
/Us: Enhoewcl fy fecck?rder hielden y dat fy felfs w^areny als dat y ets 

anders 



CONSI DE R ATIE N. taj 
ênddfS$fi4s] foo hebbenfe evenwel niet hemerckty dat menbiet^ dcorficb 
felven^ tnoÜ verftaan de fielen alleen. Of hebben fy al defe dingen gcficn 
cn diÖiinulecren fy 't ? In welck cas wat van haar t€ houden 9 > ick 
den JLefcr laat oordcelcn* 

^e'vyf tiende Tojïtie 

Dcvyftiendcftcllingeis uyt het Latyn foo hcci ivcl van defc Aart- 
wyfers niet overgefet. In *c Latyn ftaat : Voluntatem hcminis abfolut^ 
liberam effc% dit vverdt overgefet , dat de wille des menfchenwaarlyckyr/ 
iSy even of twooxdt abfolute beteeckende waarl^ckj daar het eigent- 
lijck hier beteeckcnd t' eenemaal : 't waar beter geweefl , dat men in 't 
cverfbtten het vvoort abfoluit hadde behouden , terwyl dat in onfc Nc- 
derlanfche Talein 't gebruick is. Dcfe flelJingh dan moeft dusin*i 
Duyts overgefet worden : Dat desMenfchen wil abfoluit of t eenemaal 
rry en onbepaalt is j en ten aanfien van de vofjwerpen foo wel oneyndigh aU 
de wille Gods. DefeftcIIinge heeft twee leden; heteerfte is'^ Dat des 
Menfcben wil abfoluit vry en onbepaalt is-^ dit poogcn defe Aanwyfers nieo 
eens aan te wyfen , maar gaan \ ftillekens voorb}^> en fchynen dan al- 
foo te bekennen , dat defe woorden nergens te vinden fijn. Defaacke 
felfs aangaande *t is feker , dat indigp ymaSt wilde feggen, dat de wille 
desmenlchen, voor foo veel fe tot God haar opficht heeft , van hem 
niet foude af- hangen ende van hem in haare werckinge niet foude be- 
paalt worden, hydanyets foude feggen, 't welck met dc natuur van 
^od, en met de natuur van de mcnfchelicke wille, voor foo veel fe vaa 
Godt gefchapcn is , fou ftryden. Want alfbo Godt alle volkomcnt- 
heidt, op een oneindige wyfe ende oneindig maal meermals wy oyt kon- 
nen dencken, befït , foo moet volgen , dat hy oock die volkomentheidt 
heeftjdat alle dingen van hem af-hangen^want fou men anders niet yets 
konnen begrijpen , 't welck. defe volkomentheid , w^aar door alles af- 
fiangighgemaackt wort, befittcnde, daar door volmaackter als Godt 
fou zijn ? 't welck t' eenemaal ftrydigh is. En hoe foude 't konnen we- 
fen> dat démenfchelickc wiJlc, fijndc van Godt gefchapen ende van 
hem alles hebbende dat fy heeft, niet oock van hem foude moeten 
ftecds onderhouden worden, ende alfoo altijds van hem alles ontfangen> 
dat fy in' t toekomende fal hebben ? Want indienfe in 't toekomende 
foude op haar fclvcn konnen beftaan, fonder ran Godtaf te hangen, daü 

O 2r JS, 



iöS ABRAHAMI HEIDANI 

is, fonderaltydt van hem alles t*ontfangen en onderhouden tc wor- 
den , foo foufe oock te vooren alles uyt haar fel ven kennen gehadt 
hebben , alfoo den tydt hier in eeen onderfcheidt kan bybrengen ; *t 
welck met de natuure van de gckhapenc wille t*eenemaal is flrijdendc. 
Soo dat dan, om dat onfe wille van Godt ftecds onderhouden wordt 
cn alfoo van hem alles ontfanght, wat fy heeft, fy dan oock van hem 
altijdt bepaalt wort , even daar mede , om dat fy fteeds alle haarc 
werckinge van Godt ontfanght. Maar dit alles niet tegenftaande is *t 
oock onder alle Philofophen cnde Theologanten bekent ende aange- 
nomen , datter een onderfcheidt moet gemaackt worden tuflchcn dc 
oorfaken , die natuurücke worden genaamt , cn tuffchen andere , die 
den naam hebben van vrywiütghe. Wat aangaat de ecrftcn, die fijn door 
haar nature tot een ding alleen bepaalt , ende konnen anders niet 
werckenals een werckinge alleen ; foo kan *tvyer anders niet doen als 
branden , *fe water anders niet als nat maken , en foo voorts ; maar dc 
yrytviüige oorfaken fijn daar door van de natuurl^cke ofte nootwendig^ 
Borfaacksn onderfcheiden , dat fc door haar nature foo niet bepaalt eti 
fijn tot een^ eenige aétie y foodanigh dat de vTille , na haar believen , dit 
cn dat kan willen > en te geli jck oock yets willen of niet willen : welc- 
ke faacke foo klaar is , dat hier in alle Theologanten cn Philofophen 
met malkander over-een-komen. 

Het tweede Hdt van defe vyftiende ftellinge \s , dat de wille des men^ 
fchen ten aanfien van de voorwerpen foo wel oneindigh is als de wille Gods^ 
Ditfeggende Aanwyferstefijn deleere van€artefius en van fijn na- 
volgers. Om dit te bewyfen, brengen fy by de woorden in 'teerftc 
ileel van fijne Principien jf . 34. die fy eerft verminckcn; wy fullenfe foa 
als fe daar gevonden worden voorft ellen : Endf wat aangaat het begrip 
ies ferjtands r datjlrecktfich niet verder als tot die weinige dingen y die 
haar voorkanten y ende is altydt feer bepaalt. Maar de wille kan eeniger 
maeten oneindigh ge fejidtworden^ overmits wy noytyets bemenks^nytweUk^ 
bet voorwerp van eens anderen , ofte van den oneindigen wille > die in Godt 
iiyftjnk^ny of onfm willeken fuh oock^daar toeuytftrecken. Maar hier 
dient aangemcrckt , dat om de rechte meeninge van des Cartes te we- 
ten, men wat meerder moet letten op *t gene hy in fijne Meditatiën 
heeft % als wel op *t geen y dat in fijncPrincipien is te vinden , alfoo hy 
In de Meditatiën de faken vry wat netter heeft voorgcftelt > als wel in 
lijn Principien of beginfclen. Hy feght dan in fijne vierde Meditatie 

omtrent 



CONSIDERATIE R lo^ 
omtrent ^tcïnde van defelvc of pag.27. volgens de Editie van Elze- 
vier in *t Jaar 1654. Maar ick^k^n oochjiiet klagen > dat ici^ van Codt 
geen wille y of vryheidt van wille y die breedt ende volkomen genoech is y 
ontfangenheh: wantickhevinde fekety dat fe met geen paaien wort em^ 
tingelt. En 'tgene my dunckt y dat [eer is aan te mercken ydaar en [xjngeen 
andere dingen in mjfoo volkomen , ofte foo groot yofickhegrj/fey dat fe noch 
volkomener ofte grooterkonnen fijn. tVant indien ick^, bjt exempel y bedenck 
d$ macht om te verbaan > [00 erkenne ick^daadlick^ , datfe in myfeer klein 
in bepaalt i$ , ende tegelijck^formeere ick^ een denckbeeldt van een ander 
die veelgrooterjae degrootfie en oneindigh i$ y ende ickbegrjfpe ^ dat de fel* 
ve even daarom tot Gods natuur behoort y om dat ick^ het denckbeeldt van 
iefelve kan maken. Op de felve manier ey indien ick^de kracht ornaat^ 
jetstegedenckeny of y ets te verbeelden y of eenige andere klachten exa^ 
mineer y ickyindergeeny dieick^in my niet als feer klein en bepaalt, m 
Codt oneindigh begrype , de wille of de vryheidt van de wiüe alleen is 't , die 
ickjbo groot in my bevinde y dat ick^geen denckbeeldt van eenige , diegroo'- 
ter is y begrype ; foo dat defe voornaemltck^is , omtrent deweUke ickjer^ 
jUe het ivenbeelt ende gelijckenifft vanGodt te hebben: want alhoewelfi 
in Godt buyten alle comparatie groot er is als in my , ten deele ten aanfien ran 
de kenniffe ende de macht y die by de felve gevoecht fijn , ende die haar flerc^ 
ker ende krachtiger maacken y ten deelt ten aanfien van't voorwerp y om 
datfe haar tot meer dingen uytflreckt, foo fchynt fe nochtans in haar felven 
(^formaliter &prdcisejpe£tata) in fijn natuur endeprecys ingefienfijnde y 
metgrootery alfoo fe alleen daar in bcflaaty dat wy *t felve of te doen ofte: 
niet doen (dat i^ toeflemmen of ontkennen , najagen of vlieden) kannen , ofti 
veel meer daar in alleen y dat wy tot Ugene ons van 't verfiandt voor ge fieldt 
mrdt y om toe te fiemmen ofte te ontkennen y alfoo gedreven worden , dat 
wy gevoelen door geeneuyterlicke macht daar toe bepaalt te worden. Uit 
defen allen blyckt , dat al 't genc alhier des Cartes van de wille feght , 
hynictabfoluitverftaat , maarby coniparatie van andere krachten der 
xiele 5 bevindende geen foo volkomen te wefen, als de kracht vaiï 
de wille. Dit alfoo aangemerckt hebbende feght hy verder, datter 
gecne kracht is in fijn fiel y die meerder gelyckheit met Godt heeft, als 
wel de kracht van fijn wille r alfoo die oock eeniger maatenVim onein- 
digh gefc^ht vjordcn ; in welcke geen fvvarigheit fchynt te fteken, 
ivant in dier voegen oock eenige andere dingen eeniger maaten onein- 
digh plegen genaamt tc worden. Soo wort eenc linie eeniger maaten. 

O ^ onejndig^ 



iïo ABRAHAMI HEIDANI 

oneindig genaamt , gelyck oock in dien fm 't woordt oneindigh dick-^ 
ivylsindeMathematycquciste vinden. Maar de fwarigheit , die aan 
des Cartes hier gemaackt vvort , fchynt hier op aan te komen , dat des 
Cartesgefeght heeft y datonfen wille hem kan upjlreiken tot alle' t gene 
een voor mrp van Gods oneindigen wille kan wefen^ en deshalven eeniger 
tnaaten oneindigh kangefeght worden : maar aifoo des Cartes wel duide- 
lick in dc vierde Meditatie aanmerckt,. dat de wille Gods tot meer 
dingen haar uytftrecktak welde wille des menfchcn, foomerckthy 
immers oock felfs in dit ftiick een grooten onderfcheit aan , ruflchen 
Gods vyille en den onfen.Want behalven dat hy feght,dat de willeGods 
oneindigh grooter is als onfe wille , ten aenficn van de kennifle , cndc 
de macht, die daar mede fijn verknocht, foo feght hy oock, datf« 
haar tot meerder voorwerpen uytftreckt als den onfe , *t welcke ooclt 
uyt 't voorgaande nootfakelick moet volgen, alfoo dekenni/TeGods 
fich tot onvergelyckelyk meerdere voorwerpen uytftreckt,als wel onfe 
fwacke kennifle. Wanneer hy dan fcght, dat de Vv'ille des mcnfchen 
hem ^'4«uytftrecken tot alle 't gene een voorwerp van Gods oneindi- 
ge wille kan wefen , vcrftaat hy 't felve onder die conditie , in dien 't 
hem oock door *t verftandt eenigfins wort voorgeftelt : want volgens 
V bekende fpreeckwoort iflergeene begeerte van 't gene onbekentis^ 
Defaack, die des Cartes bcooght, komt dan eygentlijckhieropaan:. 
Dat onfe wil voor fo veel alsfe wil is, dat is, voor fo veel alsfealleen- 
lijck affirmeert of negeert, een en de felve is, en een en de fclfde werc- 
king oefïent , omtrent wat voor faacken datfe oock mocht befich zijn- 
IT IS wel een andere faackc te ftellen dattcr een Godt is , eenander^ 
dat de drie hoccken van een driehoeck fo groot zijn als twee rechte, 
maar al het onderfcheyt , dat hierin is , beftaat alleen in de verfcheyden 
faacken daar van ycts geaffirmeert wort , niet in dc affirmatie ofte in de 
toeftemminge felfs, die in beyde defe faacken gelijck oock in alle 
andere een cn de felfde is. Waar uyt dan blijckt het onderfcheyt > 
>welck des Cartes ftelt tuflcben de wil en het verftant, ten aanhen 
van haar uytftrekking. Ons verftandt heeft maar in fich twee denck- 
beelden van fiacken » waar van de eene denckt , de ander uytgeftreckö 
&. De wil beftaande in een kracht van te konnen affirmeren cn ncgc- 
cea , ftrecktfichdien voleens oock niet verder als tot defe twee faac- 
ken uyt ; welcke bepalingh evenveel eygentlijck niet voortkomt uyt de 
wil > maar uyt het verftandt. Want indien men ondcrftclde, dat Godt 

het 



CONSIDERATIES fn 
liet vcrflandt mee noch een derde denckbceldt geliefde M'^ifmccrdc- 
ren, de wille latende de fel fde diefe nu is, fou dan niet de wille om- 
trent defe derde faacke mede konnen vvercken? Is niet de manier vaa 
toe of af te ftcmmcn de felfde , wat voor faacke men oock confidc- 
rcert? zouw dan oock niet nootfaackelijck uyt fijn natuur, die fêlfdc 
kracht van toe of af ftcmmcn , die wy u?il noemen , en die nu werckt 
alleen omtrent die twxc faacken, die 'c verftant begrijpt, dan mede om- 
trent dit derde wcrcken, met welcke W7 ondcrftellen het verftandt van 
Godt begaafttezijn. Zo dat het verftandt na dc mecningh van des 
Cartes uyt fich felven , de vAl niet uyt fich fel ven maar alleen door foü- 
tcvan't verftandt bepaalt is, welck verftandt indien 't meer faacken 
begreep, dan foude oock defe felfde wiU die nu in ons is , felfs onvcran- 
dert blyvende , fich daatlijck mede tot verder faacken uytftrecken, 
Dc wille des mcnfehen kan dan al 't gene willen, dat hem eenigcr 
maeten door 't verftandt wort voorgeftelt, 't fy dan, dat hy 'tfclvc 
net begrypt, *t fy dat hy daar van maar een confufc gedachte is heb- 
bende, maar alfoo 'er veele dingen fijn, daar hy geenc oock de min- 
fte kenniffe van heeft , daar van hy geen noch klaare cndc nette noch 
oock confufe gedachten is hebbende , fbo is 't fcker , dat daar door 
des menfchen wille feer w^ordt ingebonden end-c bepaalt; En foo 
komt dan alles daar op uit, gelijck trlifer in de vierde Meditatie ge- 
feght wordt, dat de nature van de wille voor foo veel alfle een wille 
is , daar in beftaat, dat men om 't felve voorwerp te begeerenoftc 
te vlieden aUoo wordt getrocken , dat men niet bevindt daar toe ge- 
dwongen noch van binnen gcperft ende gedetermineerttefijn, ofte 
gelijck 't andere uytdrucken, dat men al 't ^ene men wilt fonder 
dvi^angh ofte eenigc binncnfte nootfakelickheidt komt te willen , *t 
vvelcke van alle Theologanten moet toegeftaan vvorden ; ende daar in 
isdaneene nette over- een- kom ft e tulTchen onfen ende Godes wille, 
anders foude ofte den onfen ofte Gods wille den name van wille niet 
Iconnendraagen. Bernardus heeft dit te fijner tijdt wel uitgedruckt, 
aJs hy feght in frjn Boeck van de vrye wille in 't begin : T>cvry]mdt 
van de ndodfukel^chheidt komt Godt cn alle creaturen geHjckclyckju [072- 
der onderfcheidt toe , en is foo geheel nae baar wj[e in de creature als 
in den Schepper NB. maar fy is in hem krachtiger. Wy mecncn , dat 
uyt dit alles fal blljckcn , datter geen de minfte fwarighcidt , in 't 
^cne alhier van des Cartes is gefprokcn, kan wcfcn, tenwaarcmcn 

woor- 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by courfesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 11] 



tl^ ABRAHAMI HEIDANI 

woorden wilde fiften , *t welcke gefchiedende feer veel foudc te 
doen vallen , ende dan fouden aan onfe tegenpartyders niet alleen 
20. maar veel meer andere ftellingen moeten verboden worden. 
Wy merckcn tot 't befluyt noch aan , dat ot al des Cartes een ma- 
niere van fpreken gebruickt hadde, die wat hardt fchijnt^ dat daar 
mede noch niet is bewefen , dat ymandt in defe Univerfiteit defe ftel:- 
linge heeft geleert , *t wekkc nochtans onfe Aanwyfers moeften heb- 
ben bewefen, 

%^efefiiendeTofitH. 

De feftiende ftellinge raeckt de Heer Wohlzogen ^ die immers 
tioyt op defe Academie geleert heeft. Die heeft gefeidt , ixt Godt 
fou kannen bedriegen j indien hy wilde j maar hy heett oock meteenen 
aeflem daar by gefeidt , ddt hy niet en wil. Hy heeft daar over 
fich foo verklaart , dat 't Franlfe Synode volkomene fatisfaftic 
in fijn verklaringh heeft genomen , ende hem van alle Hetero- 
doxie, waar over hem Labadie befchuldight hadde, heeft vry ge- 
lcent , ende 't fou wel konnen wefen , dat yemant van de gene » 
van deweicke defe Aanwyfingen fijn uytgegeven ^ een Kdtmaedt 
van defelvc Synode geweeft was. Hy conudereert dan in 't bedrie- 
gen twee dingen , eerft een quaden wil en genegenthcidt , om 
ymant te bedriegen, daar nae oock een macht en wijsheidt , omfulcks 
in *t werck te konnen ftellen ; hy oordeelt van de macht Gods , voor 
foo veel aKTe in haar felven werdt aangemerckt , fonder datter re- 
flexie gcmaackt werdt op de wille , dat het Godt aan macht niet Ibu-» 
de ontbreken j indien hy wilde bedriegen, maar dat Godt fulcks niet 
cn wil. lek weet niet , wat voor quaads hier in kan fteken , indien *C 
tlfoowort verklaart 5 in allen gevalle, wat raackt dit de Profefforert 
vap de Academie van Leyden , die defe ftellinge noyt hebben ge- 
leert? De Aanwyfers beroepen haar wel oock op een feker Difnuit 
van eenPhIlofooph, in 't welcke defe ftellinge mede foude geuelc 
zijn ; maar fy en feggen niet, noch waar , noch wanneer , noch van wien 
dit foude gefchict ^ijn , ende*t is ons niet wel te raden , op wienfe al- 
hier fücn. 



De 



co NS ID ERATIEN/ nj 

De feventiende Pojitie. 

gaan voort tot de feventiende ftellinge , DM wy macht hebben om dm tc 
WAchten , dat w] mjt divaUn > enie dat de divalinge maar in de iviüe bejhiat. Dc 
Aanwijiers brengen alhier wederom by deTIieologiamPaciticam van Wit- 
tichius , alhoevvelfe feggen , dat hy de woorden uyt des Cartes heeft gheci- 
teert. Maar alfo men 't op hem foo feer geladen heefteen niet anders locckc 
als hem by alle gelegenheyc fwart te maecken , gelijck wy by de elfde ftci- 
linge hebben aangemerckt , moeft hy al wederom te pas gebracht worden* 
Wittichius dan brenght dc woorden van des Cartes by , oni te toonen , dat 
des Cartes van alle Pelagianifterye is vry geweell, waar over hem Marefius 
hadde befchuldight , ende fijn defe woorden by des Cartes te vinden in de 
vierde Medicatie pag. 25. IcKbcvinde in my een feeck^re macht om te oordeelen^ 
welcke ickjt gcHjck^oock^ alle andere dingen van Godt gekregen heb \ en alfoo hj my 
. mt en wil bedriegen , heeft hy my voorwaar fodantge macht niet gegeven , dat ickf 
eock wanneer ick defelve recht gebruycke.fou konnen dwalen. Ende aan 't eynde 
van defe Meditatie : Want foo dickwÜs als ick de wille in V oordeelenfoo bedwin^ 
geydatfe haar alleen tot die dingen uytflreckt^die haar vant verjiant l^ilaar en onder-- 
fcheydelijck worden voorgefieltykjn 't niet gefchiedenMt kkdwaleywant al 't klaar 
en onder fchey den begrip ts buyten allen twijfel jets , en kan derhalven van mets niet 
x.ijn , maar heeft Godt nootjaecksluk Auteur , dien Godt fegge tck^, die ten 
hoochjlen volkomen is, met wiens natuyr het jhijdCy bedrieghlijck^te z.tjn,ende derhaU 
yen isfy buyten allen twijfel waar. D jn aandachtigen Lefer kan hier fien , dac 
defe feventiende ftellinge twee leden heeftjzijnde *c ecrfte Mt.dai wj macht 
hebben, om ons te wachten, dat wy noyt dwalen^tn dat de aangetogene woorden 
van des Cartes alleen behooren onVt cerfte lidt te bewijfen/t welcke noch- 
tans met de felve woorden by des Cartes in die plaatfen niet en is te vinden* 
Het gene des Cartes alhier feght is foo klaar , dac 'c contrarie foo eyidcnt 
vals is ende foo abfur J, dat het van niemant kan gefuftineert worden, als al- 
leen van de geene , die alle menfchelicke wetenfchap wil om verre werpen, 
en dieshalven is hetonmogelijck,datde H. Curateuren fouden hebben wil- 
len verbieden te feggen t geene des Carces alhier feght- Wie derf ontken- 
nen, dat wy van Godt eene macht om te oordeelen hebben ontfangen ? Want hoe 
fouden wy anders konnen oordelen, 't welcke wy nochtans dagelicks doen? 
Wie foude durven feggen,(/4^ wy oockjan^wanneer wy defe macht wclgebruyc^ 
kenykonnen dwalen} Wy dwalen, wanneer wy defe macht niet recht gebruyc- 
ken, dat is, wanneer wy ons oordeel vellen over dingen, die wy niet en ver- 
ftaan als wy dit doen, konnen wy niet alleen dwalen, maar wy dwalen dan 
wel feeckerlijck ; maar in dien wy oock konnen dwalen , als wy defe macht 

p wel 



114 ABRAHAMI HEIDANI 

wel gebruycken , foo ifler immers voor ons niet overich als altijdts te dwa^ 
len. Want konnen vvy dwalen als wy ons oordeel niet wel gebruycken , en 
konnen wy oock d\yalen,als wy*t wel gebrLiycken,fo fijn wy noyt verfekert, 
dat wy niet en dwalen , en derhal ven altoos twijffelachtich ; en voorwaar 
konnenwy dwalen wanneer wy de macht om te oordeelen , die wy van 
Godt hebben ontfangen, recht gebruycken, fo moet men dan ons de fchult 
niet toefchry ven, maar Godt alleen , alfoo van hem al 't geene wat omtrent 
fodanige dwalingh te pas komt, namcntlijck, de faculteyt om te oordeelen, 
en 'c rechte gebruyck van de felve af-hanght; 'twelcke immers Godtsla- 
fterlijckistefeggen. Sooenkan'tdannietwefen, dat de H. Curateuren 
defe woorden van des Cartes hebben willen verbieden. Maar dit eerfte 
lidt , foo al5 't in de ftellinge felfs voorkomt , heeft buyten twijftel haar Ed. 
Achtb. alfoo toegefchenen , dat fy gemeent hebben , datter geleert is , dat 
den bedorven menfche nae den val fodamge krachten in de mlle liadde overgehouden^ 
dat hy hem voor alledipalinge ende vervolgens van alle fonden [oude konnen wach-^ 
ten, en in dien fin dit eerfte lidt van defe ftellinge hebben verboden,in wek- 
ken fin wy de felve t eenemaal verwerpen , effbetuygen noyt ghedacht veel 
minder geleert te hebben. Wy maken met alle Theologanteneen onder- 
fcheydt tuflchen de nature van de wille felfs en de macht om te konnen oor- 
deelen , ende tuflchen de bedorvenheyt , die aan de wille en 't oordeel door 
den val van Adam is overgekomen^ De nature is wel bedorven,en fo heeft 
den menfche door de fonde verkregen een genegentheyt tot dwaling(;ende 
tot fondigen, die by fijnen wille gevoecht zijnde hem altijdt aftreckt van dc 
vvaarhey t en 'tgoede, en tot het quaat hem krachtich aanpórt ende prick elt 
maar de wille en 't oordcel fijn in haar felven , voor foo veel als fe krachten 
van de ziele zijn , gebleven j dc menfch heeft nae den val een kracht om te 
oordeelen ende ecnen wille behouden , hoewel de felve door defe by ko- 
mende toegenegenheyt feer fijn bedorven. Het onderfcheyt tuflchen de 
oorfaken, die door de natuyr tot yets feeckers fijn bepaalt ende daarom na-- 
tuyrlijcke ooïhkcn genaamt worden, en tuflchen vrjftpilligeis nae den val ge- 
bleven , ghelijck wy by *t eerfte lidt van de vijftiende ftellinge hebben aan- 
gewefen, 't geen oock alle Theologanten bekennen ; fo dat wy,zijnde vry- 
willige oorfaacken , niet van binnen door ons wefen of fubftantie felfs fija 
gedwongen ende genootfaackt om te dwalen,gelijck 't vyer door fijn eyge- 
iie natuyr bepaelt is om te branden, 

Maar om klaar te toonen,en de feeckerheyt van het feggen van des Car- 
tes jcn de onnofelheyt van defe ver gehaalde verdrayingh defer fyner woor- 
den, falick dit exempel alleen by voegen. Stelt eens dat ymandtgeleert 
heeft alle de gronden en regulenvan 't wel cyferen, foude men van fodanig 

een 



CONSIDERATIE N. nj 

een niet konnen met recht feggcn,dat hy die gronden en regulen hadcwelc- 
ke indien hy wel opvolgde,hy noyt foude konnen milten •, even eens als des 
Cartes fey t, dat wy hebben een macht om te oordelen , de weUke als wy recht ge- 
brunchen ipj niet konnen dtp alen? (o\xAq het niet ongerymt en ver gefbcht zijn- 
dat men tegen die geene,die defe regulen des cyffr-konft hadt gelcerr,ende 
die daar uyt befloot,dat hy die wel opvolgende niet fou misrceckenen , met 
defe exceptie voor den dagh quam:Dat 'twel waar is,dat hy door die regu- 
len niet miflen fou, indien hy noch was in de ftaat der oprechtigheyt , maar 
dat door den val hy fo bedurven was , dat hy felfs defe regels op volgende 
evenwel foude konnen miffen. Welck feggen gelijckals'tonmogclijck 
vallen kan,ten fy in die geene die de gronden van 't cyferen niet verftaan, fo 
kan oock defe exceptie tegen de woorden van des Cartes geen ingangh 
hebben, ten fy in die gene die de kracht van onfe reden,alsfc wel gebruyckt 
wordt, niet en begrypen. Nu gelijck uyt defe ftelUngh dat ymant de regels 
van het cyferen wel op volgende niet kan miflen, met kant te volgen, dat 
ymant,hy fy grooten Reeckcnmeefter als hy wil , tot die volmaacktheyt fal 
komen van noyt te (uilen miflen , zijnde dickwils duyfent oorfaecken , die 
beletten konnen,dat hy die regels niet altijt naukeurich waerneme ,.fo volgt 
oock uyt het feggen van des Cartes, dat wy met konnen dtvdcn-, naameer 
onfe macht die wy hebben om te oordeclen recht gebruycken , in geenderley manic- 
ren,dat wy oyt (oo ver fullen komen.om niet te konnen dwalen-,zijnde feec- 
ker,dat veelderhande fiacken konnen beletten,dat wy onfe reden niet recht 
gebruycken ; bly vende evenwel dit vaft , dat gelijck 't onn.ogelijck , is dat 
een Reeckenmeefter de regels van 't cyferen wel op volgende (oude mif- 
fen, dathetoockonmogelijckisjdatdemenfch fijnreden,fijn oordcel eti 
verftant te recht gebruyckende föude konnen dwalen, 't Welck al het gee- 
ne is dat de Heer des Cartes fcyt. 

Het tweede lidt van de feventiende pofitie , dat de dival'mge maar tn de tml 
fcf/?.wf,gaan de Aanwyfers voor by, ende brengen niemant voor,die dit fou- 
de t^eleert hebben: doch de faecké lijdt in haar fclven geen laft, als wy maar 
de dobbelfmnighey t,die daar in fteeckt,vvech nemen. De wille wordt twee- 
fuis cTenomen,of in een breeden fin,oncler de welcke oock het oordeel wort 
begrepen, alfo in 't oordeel oockeenen wilie plaatfe heeft. Wy fijn niet ge- 
dwongen, om te oordeelen,wy oordeclen dan willens-, en (oo kan niet ont- 
kent vvorden>dat de dwaUnge alleen is in den wille. Want foo vverdt de wnl- 
UgtMnzgtn'tverfiandt'y door 't welcke wy hier verftaan het bloote be- 
crip van eene fake, fonder eenich oordeel daar over te ftnjcken. Maar 't is 
reker,dat in 't begrip alleen.fonder dat het oordeel daar by komt,geea dwa- 
lingefteeckt. Dit merckt des Cartes feer wel aan ni'tcerrte deel van hjne 



11(5 ABRAHAMI HEIDANI 

Px incipien . 3 5. Als wyyen be^rjpen, tn dien wy maar mets daar van ofa$rme 
ren of ontkennen , foo ü hetfeecker datu^ji niet bedrogen worden yghelückoockniet 
wanneer wy dat alleen affirmeren ofte ontkennen , V u^elck^u^y klaar en onder fchev 
dentlijc!^bc'gr;pen, dat men alfoo moet toefiemmen ofte ontkennen • maaralleen 
•fpanneer wy. gelticklnt gebeurt , hoewel u>j yeti mtt recht begrypen , nochtans daar 
van oordeelen. Maar als men dc wille neemt in een nauwer (in voor fo I 
als men daar door verftaat de begeerte tot yets ofde afkeerieheyt willet 
foo IS 't fcccker , dat de dwdmge met lUeen u tn de tptüe , ende in dien fin fou 
den wy defe ftelhnge, foo wel als onie tegenpartij ders, verwerpen. 

De achtiende Pojitie. 

Aangaande de achtiende ftellinge , daar van is foo veel endc foo dickwil* 
gcfchreven, dat de opgevers vandic, door de vveicke fy in handen va 'de 
H Curateureu fyn gekomen. h.ar behoorden te fchamen wederom met de 
fel ve te berde te komen. Dcfe ftellinge is dan,rf.r,«.„ van alle dingen ooZn l 
P'efentltjckheyt ex.ftentia Godts ( 't vvelck qualijck overecfct is twecJ^rlT 
datdoor'twoordt#,..plechtbeteeckittiwordeni 
Mfoo. dat mendu' dmgen daar men aen tw^ffelt , oockyoor valfihZudt Defe 
flelhnac, foo als fc daar leydt, komt clck een, d.efe Jccft , alfoo voor, even of 
daar geleert wierde, dat men van geene dingen , Ccifs van de vvefentliickhevc 
Godts, eemge feeckere ende vafte kennilfe kan hebben, en dat men dieshal 
ven van alle dic, oock vandewcfentlijckheyt Godts, moet twijlïelachtirh 
2ijn, jac dat men alle die dingen ende oock de wefentlijckheyt Godts voor 
vals moet houden. Dit houden wy voor eene godtloofe Leere end^ A 
Jen, dat fulcke mcnfchcn klfs niet als Borgers van eene wcl-c^eftelde Ren.!" 
blijcquebehoorengetolerecrt te worden. Die nufodani^^e t^^viiffpfin!,? 
die geene, wekko fyne Philofophie volgen, derven toe- dfchten dSnen 
jvy voor geen andere, als voor moetwillige ende onbefchaamde Lafteraar" 
houden. Het .s foo verre daar van af, datditfoude van des Cartes c X ' 
worden, datter contrarie noyt van ymandt de feeckere kenniffe van die dfn 
gen, die wy uyt het licht der nature leeren konnen,ende foo oock v.ZTZ' 
fenthjckheyt Godts , foo heerlijck ende foo klaar is aan^vefen IZ. A 
Cartes ende van fulcke, die fyne Philofophie volgen ; en wy durven f! " " 
dat in 't tegendeel eenige van onfe tegenpartyders , die foo verre gffien 
«jn, datfe ontkennen, dat wy hebben eene ,deam,ccri denckbeeldf van 
( metvvel m onfe phanrafie ofte imaginatie , 't welcke corporeel , ende con 
tradidoirfoudcwefen) maannons yerftant ende gedachte, vafte" ronde. 



gronden 
yan 



CONSIDERATIE N. 117 
t^nalle Atheiftery endegodclooslieyt , hoewel fy 'c miffchien niet 
weten, leggen. Maar om klaar aen te toonen , wat defe vermaarde 
twijft'elingh is , daer men foo veel waters eenige jaren hcr^vaarts 
mede vuyl ghemaeckt heeft en noch vuyl maeckt , fal ick defe faack 
wat hooger van lijn beginne ophalen. 

Het is bekendtjdat er t'allen tijden menfchen ghewcefl: zijn , die 
fich niet en hebben ontfien de Goddelijcke natuur , wefcr.tlijck- 
heydt , voorfienigheydt , en wat des meer is, daar alle Religie t*ee- 
iiemaal op fteunt, met ick weet niet wat voor fpitsvinnigheden 
of om verre •:e ftooten,ofte ten minften twijffclachtigh te maacken. 
Soo fijn gheweeft in de oude eeuw een Diagoras , die abfoluyt alle 
Godtheydt ontkende, een Epicurus , die de Godtheydt wel beken- 
nende hem evenwel alle forgh omtrent Wereltfche faecken be- 
nam , de Sceptici zijnde een foort van Philofophen , die haar wcrck 
maackten , van alles wat 'coock foude mogen zijn , intwijffel te 
trecken , meenende dat 'er niet feeckcrs in de gantfche Werelt te 
vinden was. In de jongere eeuw heeft oock niet ontbroocken die 
vermaarden Vanninus , waar vanbekendt is , dat hy om fijn Godt 
verloogeningh te Tholouze verbrandt is. En Godt gave, dat er 
geen meer gevonden wierden , die met dufdanige gedachten fwan- 
ger gingen. Om welck quaadt , foo veel mogclijck is, te ftuyten y 
en die geene die hier aan vaft mochten zijn van haar onredclijck- 
hcydt te overtuygen, hebb^i t'allen tijden veel Geleerden en voor- 
treftelijcke Mannen haar herflenen en pennen ghcfpitft. Wiea 
feecker , foofe eenigh voordeel doen willen y noodtfaackelijck toe- 
komt haar redenen bewijfenniet te halen uyt fondamenten , die 
by partyen ontkeadt worden , hoe feecker datfe oock anders 
fouJen mogen zijn, maar uyt foodanige pofitien , welcke feecker- 
lijck aanghenomen worden van die geene, die men wil overtuy- 
gen. Het welcke Monfieur des Cartes te recht confidererende> 
en willende fulcke feeckere bewij(en van Godts wefentlijckhcydt 
voor-brengen, daar felfs de hartneckighite twijffelaarjfoudc moe- 
ten voor verftommen , wat heeft hy anders konnen doen? als ter 
zy fetten al dat geene , dat hy wift,dat by die Luyden in twijftel ge- 
trocken wierdt. Want foo hy met een Scepticus te doen hebben- 
de op de ordinaire trant begon te raifonncren , en uyc de order, 
gefv;hickth;^ydt en andere volmaacktheden defer Wereldc, diewy 

P 3 Diet 



ii8 ABRAHAMI HEIDANI 

nictonfe finnen bcrdioiivvcn , te deduceeren de volmaaeckthcydt 
en wijshcydt van de Wcrck-ineeftcr , fou dat argument ( hoe 
krachtigh dat het is voor die geene die de finnen gheloof geeft) 
nietbelachclijck fijn voor een Scepticus ? Sou hy niet daa^tlijck 
feggen , myn lieve man , ghy onderftelt dat'er een Weereldt is , en 
daar weet ick niet van , miflchieii ja, mifichien neen , 'tfchijqtmy 
wcl foo , maar ick weet niet of 't foois ; ghy onderftelt niet al- 
leen dat ghy fict , maar oock dat het waar is , 'tgeen ghyfiet> 
maar ick bid u , fiet wel toe , miffchien bcdrieght u uw geficht, 
dat meenighmaal gefchiet , milTchien fietge niemendal , jnaar beelt 
het u maar in , gelijckphantafticke lieden doen , jagclijckfclfsde 
verftandighfte in haar droomen menighmaal gebeurt ; en daar- 
cn -boven wat weet ge of er niet een Bedrieger is foo krach- 
tigh, dat hyu felfs bedricght indat/tgecn alderklaarfte en'tal- 
dcrfceckerfte u dunckt te wefen. Wat nu? wat fil nu ymandt 
die daar op uyt is om dcfe Luyden te overtuygen doen ? fal hy, ghe- 
lijck men ordinarx gewoon is , haar gaan fchdden en rafen , verwy- 
ten datfe met de kop gcquelt zijn , datfe hertneckich zijn , datfe be- 
ter met flagen als raifonnementen behoorden gheleCrt te worden, 
dat men tegen haar, als die de eeiftebeginfelen ontkennen , niet 
behoorde te difputeren , of fal hy liever nae een middel om-fien , om 
defe Luyden te helpen. Hetwclcklefte feeckerlijck Chriftelijcker 
is als het cerRe ; het eerfte is nergens toe bec]uaam,als om defe Luy- 
den hartneckiger te maecken , en haar te perfuaderen , dat ons de re- 
den ontbreeckt , en dat men daarom hacr niet als met fcheldt- woor- 
den tc keer gaat. Maar wat middel nu om haar te helpen ? feecker 
anders geen als defe ; Ghyontkendt datter een Wereltis, dat ick 
üc , dat'ereenGodtisdieallesrcgcert , ghy verfiert een Bedrie- 
ger dicmy overalbedrieght ; Al dcfe dingen doet ghy wel buyten 
alle reden, jaebuyten alle fchyn van dien , maar evenwel , omute 
toonen, dat ick feecker weet, dat er een Godtis , die my niet be- 
drieght, Iaat het foo zijn, ick fal het u alles toegeven. Ick fal,om dat 
ghy het foo hebben wilt , utoegheven dat'ergeen Werelt , geen 
Godt , geen Lichamen zijn ; Ick fal met u in dit onderfoeck der 
waarheyt ftellen , dat ick miflchien droom , dat al dat ickfiemif- 
fchienmaarinbeeldingenzijn , dat ick miflchien van een krachti- 
ge Bedrieger bedrogen wordt. Laat dit alfüo zijn, jae weetje noch 

ycts 



CONSIDERATIEN- 119 

ycts meer,om u tvvijftelende party een coleur te geven , ickfartii 
alles toegeven j niet om dat ick geloof, dat het foo is , dewijl ick 
fecckerlijck weet dat al defe dingen vals fijn , maar om u fwackheyt 
of liartneckigheyt te gemoet te komen , en u evenwel te over- 
tuygen , dat des alles niet tegenftaandc , hoe feer dat ghy oock met 
defe redentjens pronckt,ick 11 demonftreeren fal ontwijtïelbaar, en 
dat'ereenGodtis , en dat de ziel van 't lichaam onderfcheyden is, 
Sal men nu feggen dat defe man foo doende ondertuflchen een 
Atheift , of dat defe twijffelingh, of fchadelijck of onnut is, of oock 
een wegh tot Atheifterye baant ? Offalmen liever moeten be- 
kennen 5 dat defe manier , de eenigc wijfe is5om fckerlijck defe Sce- 
pticus, en al die met hem in een gevoelen mochte fijn, van de waar- 
heydtfeeckertemaecken, en uytallc twijfïelmoedigheyt 5 die hy 
mochte hebben omtrent Godtswefentlijckheyt te redden ? fijndc 
evidentjdat'er niet fekerder kan fijn , als dat foo uyt de eerftc gron- 
den werdt gededuceert. Een Chriften die met een Heyden te doen 
heeftjomdietot het Chriftelijck Geloof O ver te brengen , fal hy 
niet genootfaackt fijn de H. Schriftuur , in dit onderfoeck met den 
Heyden , en de waarheyt der Chriftelijcke Religie , aan een lijde te 
fetten , endiein fijn raifonncmcnten , daar hy defe Heyden mede 
convinceeren wil ^ niet meerder te gebruycken , danalsofhy felfs 
een Heyden was ^ Want hyde Schriftuyr gebruyckende fal eer 
van defe Heyden, die die niet aanneemt, belacht en bef^>ot worden, 
dan hem bekeeren en tot de waarheyt brengen. Soo oock die 
een Scepticus , die van alles twijftelt , die fielt dat wy miflchien in 
alles bedrogen worden , en dat'cr miffchien noch Godt noch 
Werelt noch wat des meer is , vaneenige waarheyt wil overtuy- 
gen , die kan niet ftellen in dit rviifonnement, dat e'r ofGodt of 
Werelt is , maar moet nootfaack^lijck fijn redens foo dirigeren 
oPergeen van alle defe dingen , die de Scepticus fal ontkennen, 
inder daat waaren , en fich derhalven foo aanftellen in dit onder- 
foeck,of Iiy felfs een Scepticus was. Ende,gelijck het feer kinder- 
achtigh foude fijn , dat men defe Chriftcnfich foo in dit onder- 
foeck met den Heyden aanftellende , als of hy van geen Schrif- 
tuur wift , jae als of hy felfs een Heyden was , foude willen repro- 
cheeren,dathy ten minften voor dien tijdt geen Chriften was , en 
fijn ziel voor foo veel in 't gevaar fteldq , foo fchaamt het oock 

• fich 



^VJ\ AHA MI HEIDANI 
d« Car.cs , fich in At Examen .n« de ^ P« , j,, 

nicervoor lu ^ , , vt^jj^ nien klaar kan licn, 

d taarMt , .n alle faackea van ^^^^^ 
nootfaackelijck is , 't geene vvy , hoewel met -^^^ '^^ l 
peUdat des Cartes gebruyckt van appelen , met ^ierg^^jck^^^^^^^ 
ans van'tonderfoeck van diamanten S^"^"'^" ' ^f^A^^^^^^^ 
van vry meerder aangelegcnthcydt , een vvem.gU f^Jl-^^^^^^^^^ 
Laat ons dan eens ftellen , dat een voorhchtigh J uwelier iieDDcn 
^;::doos indewelckerommigeware ^^^^^ ^ 
n.antenmctftof , aarde . vmhghcyt , S^'^-;""^'"^^ 8 
worden , lijn neerrtighcyt daar op >;1^ ' °"V2vden , en 
tviife des moeelijck d'eene van de ander te onderlchcyaen , tn 
r doos Smaal reyn van valfche en alleenhjck met waare 
t.lnten verv,u te houden. Wat falhy doen i Sal hy yder du- 
,t n voor d amant opnemende , de felfdc n^^^^ke^r.gU onder- 
Wkende na dat hyk voor goet gckeurt heeft , weder m de doos 
^tnl £^^^ > ral h? voor eerll die doos, gedurende 

d;f onderfoeck , met ecnige meerder ofminder valfche diamanten 

een cn de lelfde diamant mcnighmaal in handen te krygen . en ioo 
?vn arbey te vermenichvuldigen. Oftefal hyheveral watmdic 
doos sVfoo waar als valfche , a!le ftof , alle aarde fchoon en netuy t 
dedoo opeen tafelof yets anders gooyende . dan van vooren 
aan naau oolkht nemen, om de ware van de valfche te o"derfchey. 
den , en die geene , diehyna defe accurate proeffal vind n Ic- 
k i ck fiintlfijn , inde voorfz. doos te leggen , eniboalsec» 
^ oofe fchat te bewaren. Met het wclcke te doen fa hy voor 
%T op eenen oogenblick üjn doos net en fuy ver hebben vanal 
w valfch enonreynis , ten tweeden , hy fal geen peryckelloo, 
om de fijne tlytgevonden diamanten of weder te helmetten 
e^nte verduyfteren / Joorde vuyligheyt.daarfem teerftecaswe. 




Consideratie N. ixr 

Jcr onder raackcn, nochtc oock om de felfdc mcnichmaal ia 
handen te krygcn, dcwyl hy de uytgevondene van de andere fc- 
parcert , cn in een doos , die fchoon gemaackt is en van alle vuy- 
lighcyt gefuyyert, neerlegt. Soo oock indien een voorfichtich 
mcnfche nu gekomen tot jaren van bcquaamheid , om foodanigh 
onderfocck te doen , en bevindende dat door de jonckheidt, 
door perfuafien van fijne finnen , als anderfins hy fijne gedachten 
met veel opinien befet heeft , waar van 'er buyten twyftel fommi- 
gewaar, fommige valfch, doch alle onder-een gcmenght zijn, 
fich voorneemt , (en wat voor een redelijck mcnfche fal dit niet 
^ocn ? ) dit mengelmoes eens aen-te-grypen , cn het ware van het 
valfche ,het koorcn van het kaf net te fuy veren, wat fal hy beein- 
lien? fal hy fijn opinien een voor een by 't hooft gry pen , haar 
waarheidtonderfoecken, en onderfocht hebbende ende waar be- 
vindende, wederom aennemen ? Maar foo doende, redthyfich 
felfsnoyt van alle dwalingen , dewylhy fijn gemoedt, hoewel het 
felfde te met wat reynder krygende, nochtans altydt (dewyl hy 
noytop foodanige wijfe, alle fijne opinien om de menighvuldig- 
hcidt van dien^ en de korthcidt van fijn leven onderfoecken kan,) 
met opinien die noch niet onderfocht, dat is , die of valfch of 
ten minften onfeecker fijn befet houdt, fullendc hy oock fich 
fclfs eveneens als defe Juwelier , met een en de felfde opinie uyt 
defc confufie dickwilsaen-te-grypen,in peryckel ftellen van veel 
ty ts onnodigh te verfpillen. Waar in dit ten hoogften te noteren 
is , ^t wclck in de diamanten , ten aanfien dat de een fijn goetheidt 
ran denandernietdependeert, foo geen plaats heeft ; Datmen 
namentlijck foodanigh de eene opinie voor , de ander na onder- 
foeckende, in dit onderfoeck van een eenige opinie, wat voor 
een bet oock foude mogen fijn , een van beyde moet doen ; ofte 
men fal dc waarheidt van dcfe opinie, diemcn nu ondertaft, 
toetfen aen de andere opinien , die in ons gemoedt zijn , en die 
men noch niet nae gedacht heeft, ofte men fal dc felfde foo 
cndertaflen , datmen geen van alle die andere opinien gebruyckt, 
niet meer of fe t'cenemaal uyt ons verftantuytgewid waren; foo 
hy defe fijne opinie aen de andere, 'die noch niet onderfocht en 
voor foo veel onfeecker fijn, toetfl, wat is 'er klaarder, als dat hy 
op 't onfeecker bouwende noyt tot fekere waarheidt fal komen ? 

foo 



lax AB RAHAMI HEIDANI 

foo hy nu dcfe fijne opinie foodanigh van de ccrfte beginfelen af 
deduceert, of alle andere opinien uyt fijn gemocdt uytgewift 
waren: wat is 'er daardcr, als dat hy dat geene doet , dat des 
Cartcs wil dat men doen fal? Dat hy namentlijckgelijckals de 
Juwelier ecrft fijn doos reynight , met*cr alles uyt te werpen, 
foo oock fijnverftant op een bof van alle dwalinge reinigc, met 
in het volgende onderfoeckderwaarheidt, alles als los en onfe- 
kcr ftellende, van den beginne af alles niet aan fijn voorgaende 
opinien, die hy alleen aan een fy ftcldt, maar aan 't helder licht 
der nature foodanigh te beproeven, dat alle fufpicie vandwa- 
lingh en van onfeeckerhcidt t'eenemaal benomen wordt. 'Twclck 
dan klaarblijckclijckdeeenighfteweghis, om fich van alle dwa- 
lingen te vryen , en fijn verftandt niet als met feeckere en on- 
twijffelbare waarheden te ver9ieren. Waar by komt dat, hoe 
(datmen oock defe twijffelingh neemt , het feker is , dat des Cartes 
die limiteert met defe twee conditiën; de cerfte aangaande de 
tijde wanneer, de tweede aangaande defaacken, in welcke dcfe 
twijffelingh ofte dit onderfoeck plaats grypt. Het eerfte bepaalt 
hy expreffelijck eens in ons leven , in 't b'egin naracntlijck van de 
Philofophie, dat is, van alle reden, kenniffc en wetenfchap. "Want 
vaarlijck , of wy fpreecken van ymandt die noch niemendal weet, 
of van ymandt die rccdts eenige feeckere wetenfchap bekomen 
heeft. De eerfte voorwaar noch nergens af wetende, moet hy 
niet alles onderfoecken , fal hy tot eenige kennifle komen ? of fal 
men foo ymant voor een regel voorfchryven ? hoewel ghy ner- 
gens afweet en niet fekcrshebt; foo moetje evenwel fommige 
dingen voor feker aannemen , die ghy niet en weet. *T welcke 
immers de ongerymtheytfelfs is.Soo men nufpreeckt van ymant, 
die reets eenige fekere wetenfchap bekomen heeft, voor die, als 
fijnde nu niet in't begin van alle kenniffc , maar hebbende al 
eenige progreffen daar in gedaan, is defe methode niet, die alles 
onderfocht ^sril hchben. Want waar toe het onderfoecken ? 
Waar toe het twijffelen aan faacken , die my door onderfoeck 
al fecckerlijck bekent fijn? Defaacken, daarmen van twijffelcn 
ofte die men verder onderfoecken moet, want dit is des Cartes 
een en ' t felfde , fijn niet alle , feecker of onfeecker , maar die al- 
leen» ia de welcke eenige fufpicie oi fchijn van dwalinghen on- 
feecker- 



Consideratie N. nj 

fccckcrhcidt kan vallen. En voorvaar indien ick alle mcnfchen 
wil voldoen, indien mijn ooghwit is fulcke feeckcrc waarheden 
te doceercn , dat ick allen alle felfs oock de minftc reden van 
twijfFelingh >3ril benemen, \^at is *er klaarder , als dat ick alles 
moet demonftreren, en voor mijn demonftratie als twifFelach- 
tigh ftcllen , waar oy t ymant , wie dat hy oock fy , fou maar aan 
twijfFclen konnen. ^Twelck oock de oorfaack is, waarom dat 
desCartcs defe foorte van twijfFelingh buytenfpoorigh noemt, 
om datfc felfs oock alstwijffelachtigh, dat is, als vorder bewijs 
van doen hebbende 9 confidereert dat gene , dat by de meefte ver- 
ftandige menfchen voor feecker en klaar werdt opgenomen, om 
foo doende, en niets, hoe helder het oock ymandt mocht fchij- 
ncn, onbewcfen latende, alle uytvlucht te benemen voor foo- 
danige mcnfchen, die fich foo buytenfporigh aanftellen, datfc 
felfs ernitelijck aan die dingen komen te twijffelen. Even gelijck 
als de Mathematici dickwils dingen bewijfcn , die veclen ten eer- 
üen klaar fijn, om aenfwacke herfTcnen , die dieklaarheidt foo 
licht niet fien konnen, t'eenemaal te voldoen. 'T ■^orelck ge- 
lijck niemant haar cjualijck afneemt , datfe uy t vrefe van dwalingh 
foo omfichtigh fijn , foo kan oock defe foort van twyfFelingh , die 
beftaande alleen in 't opfchorten van ons oordeel, om yets niet 
toe te ftcmmen, datmen nochnict wel weet, en waar van men 
niet verfeeckertis,opgcenderley wijfe tegen -gefproken wor- 
den; want fal men yets vaft ftellen, datmen niet wel weet, foo 
machmen hem dan in gevaèr ftellen , om moetwillich te dwae- 
len, ^twelck immers de redelickheidt van geen menfch toe en 
laet? Ende foo onderfoeckt des Cartes de argumenten, waarmede 
de wefentlickheidt Gods op 't aldcrkrachtichfte konde bcwefen 
w orden ; foo lange nu , als hy die onderfochte ende toetfte , koftc 
hy immers de conclufie niet vaft ftellen, en foo lange moeftehjr 
dan fijn oordcel daer van opfchorten. Dit kan immers metgeene 
reden berifpt worden j want watfalmen hierfeggen? machmen 
niet onderfoecken , welcke de krachtichfte argumenten fijn , om 
de wefentlyckheidt Godts te bewijlcn? \rie derf dit ontken^ 
nen? Dc H. Geeft wyft ons immers in de Schriftuure dick- 
wils tot dit onderfoeck j of falmen feggen, datmen de Conclu- 
fie fal ftcllen, eermen dc Argumenren ende Bewys- redenen heeft 

0^2 on- 



124 Abrahami Heidani 

ondcrfocht ? maar door dc Argumenten vort men ran de Con- 
clufie ccrft rcrfccckcrt; indien menfe dan ftcldt fondereenigc 
Argumenten foo ftcltmenfe immers fondcrfeeckerhcidt. Beza 
heeft in fijne Voorrede op fijn Tradaat , dat hy noemt een Boek) en 
Vdn Chriftelijcks vragen ende amwoorden ^ dc faacke wel gevat* 
De reden gevende van dit fijn werck fcght hy : De oorfake tot dh 
Schrift hebben ten deele de V^rienden gegeven , terwijlen fy my van 
V er fcheidene dingen vragen y ten deele hebbe ichfe felven ^elijck als by^ 
gebracht y vanveete faken twijfelende. Want hoewel die onbegrype" 
lickheidt , ivelcks de Academtfche drijven en die met onfe verfekeringe 
t'eenemaal/irijdt 9 uyt deKercks t^eenemaal moet uytgeivorpen -wor- 
den , inde de ydele curieHshetdt feer te beflraffen is, oordeele ick noch^ 
tans , dat het in defefwackheidt van ^t menfchelicke oordeel niet alleen 
toegelaten ii j l>i^.van noodtfakelickc ende nuttige dingen te twijf- 
felen, maerdatmen^t oockdoenNB.moet y indienvfy maar die niet 
geltjch en fijn y vandewelckcickplegete figgcn, datfealtijdt foeckeny. 
op dat fenoyt en vinden. TwyfFelcn is dan by Bezafoecken , endit 
twyffclen feght hy niet alleen toegelaetcn , maer oock noodigh tc 
fijn. Op die manieredan en geheel in den fclven fin , fiïghtdes 
Cartes oock in fijnen lo. Brief in 't tweede deel van fijne Brieven: 
dsit indien fich yemandt V twyfelen vanGod voorflelt als een eyndê 
op dat hy hier op flil fiae , hy fwaerlick fondige , dat hy van eene fakey 
die van foo grooten gewichte is > onfeker wil blyven. Maar fo9 
yemandt' t twy ff elen wil nemen tot een middel y waardoor hy tot een 
hlaerdere l^enniffe van dewaarheidt kpme, die doet een faack t'eene- 
maal godtpilig ende eerlick ; terwylen niemandt 't eynde kan willen, 
ten waerehy oock de middelen wilde, end.e in de Schriftuure felfs 
worden de menfchen dickjvils genoodichtyom de k^nniffe van Godt door 
natHurlicke reden teverkrygen* Waar uyt het blijckt, dat dit twijf- 
f elen alhier by des Cartes niet anders is als onderfoecken , gelyck 
't ookby Beza in dien fin genomen wort. Maar/cggen fy,des Car- 
tes telt onder defe twyftclachtige dingen niet alleen onle finnen, 
maar felfs, ""t welck Godslafterlijck is, Godts wefcntlyckheidt: 
Soo hy alleen ftelden , dat men van alle onfekere dingen behoor- 
den tetwyffelcn, dat foumen licht konnen aannemen, als een 
faack die fich fclfs wyft, maar onder die onfekere dingen te ftellcn, 
dateer een Godt is, datisecrft 't geen waarom wy foo op hem 

fchel- 



Consideratie N. 

fchcldcn cn laftcicn. Maar ick wilde defc luy wel gcvraaght heb- 
ben , 't feeckcr of 't onfeker fijn van een faack, of dat de faackeir 
fclver raackte of niet liever het vcrftant. 'T is waar, dat de drie 
hoecken van een driehoeck foo groot fijn als twee rechten , maar 
ift daarom aan allen feker , of ift maar alleen feker aan die gecne, 
die diewaarheidt klaar hebben bevat door 'tonderfoeck, dat fy 
'er op gedaan hebben , en aan allen anderen onfeker ? Nu dan, de 
kennifle van Godts wefentlijckhcyt , hoe waar datfc oock is' is 
evenw cl niet fekcr als aan de gene , die die waarheidt klaar cn ón- 
derfcheydentlijck bevat heeft j die der oockderhalven niet van 
twijffelen kan , maar onfeeckcr aan allen anderen , die daarom dc 
fclfde nootfakelijck naaukcurigh moeten onderfoecken , en met 
de welcken, indien men handelen fal om haar te recht te brengen, 
men nootfaackelijck foo handelen moet, als of men in haar fchoe- 
ncn ftack, gelijck gctoont hebbe. 'Twelck oock de reden is, 
waarom des Cartes hier van foo fpreeckt, fijndeinderdaat defc 
fijne tvijftclingh niet anders als een ferieufe abftraftic, in fijn 
begrip , ftcllcnde fich in fijn gemoedt alfoo aan , even ofter gecne 
lich amen ende alfoo geen hemel , geen aarde, gcene boomen en 
foo voorts en waren, cndefiende, wat daar uyt volgen fal. Dit 
doende fal hy bevinden, dathier uyt niet en volcht, dathyfelfs, 
die dit alfoo doet , die in dier manierefich gedraaght , als of hy 
van alle lichamelijcke dingen ferieus twijftelde ende defelvc ia 
ernft voor vals hielde, niet cnfoudefijn, maar wel ter contrarie 
Tolgenmoet, dat hy, die alfoo twijfFelt, en die lichamelicke din- 
gen voor vals houdt, felfsis, en dat hy niet yets lichamelicks is^ 
alfoo hy alle lichamelicke dingen fteldt niet te fijn , maar dat hy 
is ""t gene dat twijf¥eldt> datverftaat, dat oordeeldr, wil, cnfoo* 
voorts* Waar door niet alleen feeckerlijck begrepen wordt, dat 
onfe fiele en is, en yets is ^t welcke twijfFelc, oordeelt , wil cn 
foo voorts, maar oock te gelijck 't wefenvan defelve, bcftaandc 
in dencken, alfoo inalle defe werckingen> in ''t twyffelen, in't 
oordeelen, willen &c. het dencken wort gevonden ; Waar na 
onder onfe gedachten bevindende, dat wy oock hebben eene 
gedachte van het aldervolkomenfte wcfen , ""t welcke Godt isy 
wortdan oock fijne wefentlijckheyt door vafte gronden ende d«- 
monflratien bekent en foo bekent datxer ''tgene lichamelick 



ii6 Abrahami Heidani 

is van hem wort afgefcheiden , endc hy alleen als een volkomen^ 
eeuw igh , felfftandigh wefen wort begrepen , door wiens wille wf 
cnde alle 't gene datter is of wefen fal , of dat noch bevinden 
fullen te fijn , beftaat, is, en onderhouden wort* Daarna komt 
men dan oock tot de kenniffe van de natuir van de lichamen en- 
de men leert, hoe datmcn vorders kan komen tot de verfekert-» 
heyt van dc wcfentlijckheyt van lichamen ende andere dingen, 
behalven ons felfs en Godt , die wy al te vooren bekent hebben; 
en foo wort dan de natuur van hemel , aarde endc alles w^at daar 
in is , onderfocht cnde op vafte en onbeweeghlijckc gronden ge- 
timmert. Dit is dc nuttigh^yt van defe uytfporige hyperbolycquc 
cnde Metaphyfifchc twyftelinge, dat daar door vafte beginfelen 
cnde fundamenten van alle fckcrc cnde vafte kennifle geleght 
worden, deweickedan eens geleght fijndc , heeft men defe uyt- 
fporige hyperbolycquc taryffelinge niet meer van noden , en men 
laatfe dan t^'cencmaal varen. Maar des Cartes fcyt wel uytdruc- 
kelijck, dat het oorbaar is, alle dingen voor valfch te houden; 
op vveicke en diergclijcke cxprelTxen , die hier en daar gevonden 
worden, al dit onverfliandign rafcn en tieren tegen defe metho- 
de van des Cartes gefondecrt is. Maar ift mooghlijck dat men 
kan geloven, dat des Cartes fijnde ten minften cenmangeweefl: 
die fijn vyf finnen had en niet t'cenemaalhcrfleloos was, fulckc 
fottc gedachten foude willen roorftcllcn ? datmcn inder daat 
moft in't onderfoeck der vvaarheyt voor valfch houden, aPt 
geen dat cenighfins twyffelachtigh was; datmcn moft ftellcn, 
dat'cr geen Godt , gccnWerelt en is, om dat het by fommigc 
ontkent word ende nadcr-bcwys van doen hadt. Ofte is het vry 
vvat vvaarfchynclijckcr, als hy fich felfs al niet foo klaar ex- 
pliceerden, dat fijn mecningh is gew^ceft, datmcn gelijck men 
in bewyfen noy t yets gebruyckt tot een argument, datmcn meent 
valfch te fijn , dat men foo oock in dit fundamenteel onderfoeck 
der vvaarheyt, in defe bewyfen , die feker en onverwricklijck 
moeten fijn , al vvat cenighfins in twy ffcl kan getrocken worden 
moet voor valfch houden , dat is, niet meer gcbruyckcn dan of 
men meende het valfch te zijn. Ofte oock gelijck ymant , die van 
contrarie fentiment is , alle argumenten van partyen met dc 
hooghfte rigueur examineert, om dat hyfe houdt valfch te zijn, 

dat 



C O N S I D E R A T I E N. rz^ 

dat men foo oockin dit ondcrfocck Om fckere waarheyt te beko- 
men, alles waarmen eenichfinsaentwyfFclen kan , behoort voor 
valfch te houden , dat is , alle argumenten , die defe dingen te be- 
wyfen bygebracht werden, fooie examineren, als of men van 
contrarie gevoelen was. 

'T welck fekerlyckhetgccneis, dat het ooghwitran des Car- 
test eenemael voldoet, hebbende hyfich met defe twyffclineb 
anders niet voorgeftelt, alshet vinden van fekere vaftclyck ge- 
gronde wetenfchap. Maer laet ons daar-en-boven bybrengen 
plaatfcn van des Caries, daer hy dit voorige met duidelickc woor- 
den Iclts feght. Hylcght dan , in de aanmerckingen op 't Pro- 
gramma van Regius in den Artyckel, wiens beginfel is Quip- 
fenemmem &c : lek fal ten tweeden vermaanen , dat ick ooock noyt 
geleert enhebbe» dat men Godt moet verloochenen, ofte dat hy 
ons kan bedriegen, of dat men van alle dingen moet twyffe- 
len, of dat men aen de finnen geen geloot moet geven, of 
dat men de flaap van 't vvaacken niet moet onderfcheiden , ef 
dtergetycke dingen , die van hotte la/feraarf mr fomtjdts fijn voor- 
geworpen; maar dat ick dit aUesmet exprefe woorden verworpen, 
€nde met de kracht ighjfe argumenten , ya ick derf feggen met krachti- 
ger y aljje ojt van jrmandt fijn wederleght gexvorden , wederleght heb- 
te: 'twelcke, opdat ick te be^uaamer ende krachtiger doen foudcy 
hebbe tck tn'tbeginvan myne Meditatiën aUedefe dingen ah twyf- 
fdachtigh voorgeftelt , die van my niet eerfi gevonden ftjn , maar van 
de Scepttfche al lang te vooren fyn gehruickt geworden. Maar wat 
tffer onbtUtckeryals dat men een Scribent toefchryve die opinien,welcke 
hy alleen tot dien einde voort brenght , op dat hyfe wederlegve ? ]Vat is 
9ngerymder als te verdichten, datfe ten minflen voor dien tydt , irt 
dewelcke defe valfche meeningen voorgeftelt en noch niet ivederleaht 
■worden , geleer t iverden , en dat daatom hy , die de argumenten van de 
jithujlen Viortbrenght , voor een tydt een Atheift is ? Wat tt Kin- 
derlijker, als te feggen, indien hy ondertuffchen tjuam te fierven , eer 
hy fijne gehoopte demonfiratie gefchreven ofte gevonden h^dde , hy 
als een uithetft foude flerven , en dat hy te vooren diefchadelijcke leerer 
geleer t hadde, maar dat men geen «^uaadt moet doen , op dattcr 
vets goedts gefchiede , en dier gelij eken. Miffchien fal ymant feg- 
gen , dat tckdefe valfche opinien niet hebbe voorgeftelt als van ande- 




re» 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 [1] 



iz8 Abrahami Heidani 

ren maar als de myne : maar wat 'vs daaraan gelegen ? alfoo ickfe ^^^'J* 
'tfelfde Boeck , in 't welcke ickfe hebbe voorgeftelt , wederleydt hebbe; 
en dat men ttyt den tj tel van' t Boeck heeft konnenverflaan , dat tck, 
t'eenemaal af-keerigh ivas , om die tegeloven , alfoo in 't felve dcmoa- 
ftratien van de wefentlickheyt Gods -worden belooft. Jfer je- 
moftt foo fat y dathj geloove,dat hj ydie een foodanig Boeck maackSt 
niet en ivete , wanneer hy de eerfie bladeren fchryft , wat hj in de vol- 
gende te verhandelen voorgenomen heeft ? Maarick hebbede Objf 
Üien als de myne voorgeftelt y om dat het den flylvan Meditatiën ver^ 
eifchte, die ick^geoordeelt hebbe debecjuaamflete fijn om de redenen 
uytte leggen. Welcke reden indienfe myne veroordelen niet genoech 
en doet , wilde ickjwel ivnen , wat fe van de Heilige Schrift , met 
welcke geene menfchelicke fchriften fynte vergelycken y feggen fuüen, 
wanneerfe in de felve eenige dingen ften , die niet wel en konnen verftaan 
worden, ten waare y datfevaflgeflelt wierden gefeght te fyn van dt 
godtloofiy ofte van eenige andere als van de H. Geeflende Prophe- 
te»* g'fy<^k daar fijn inden Predicktr in' t tweede Capittel de woor- 
den: Is't niet beter te eten en te drinckcn, en aan (ijn fiele te 
vertoonen de goederen van fijnen arbeyt, en dat het is van de hant 
Gods. WieSl alfoo eten en van welluften overvlocycn, gc- 
lijck ick ? en in 't volgende Capittel : lek hebbe in mijn hcrtc gc- 
fcidtvan de Kinderen der Menfchen , opdathaar Godt beproef- 
de ende vertoonde, datfygelijck waren aen deBeeftcn. Daar- 
om is dcfclveondcrgangh vandcnMenfch ende de Bceften , cn 
cene gelijcke conditie aen bcy de , fo datfe fterven gelijck de Meii- 
fchcfyaefmenallegelijck, en de Menfch heeft niet meerder als 
een Beeft &c. Gelooven f} , dat den H. Geeft ons daer leert y dat 
■wj den buyck^fullen dienen en van weHufien overvloeden , ende dat 
enfe ftelen niet meerder onflerfltck^ zijn als die van de beejlen. 
Ick, en meene niet datfe foo dull z^ijn. Maar fy en moeten oockjitet 
lafieren, dat ick^onder 'tfchryven defe voorforgcn met gebrmckt en 
hebbe , die noyt van eenige andere Schryvers . felfs met van den 
H. Geeft gebruickt fijn. Ziet oock het geen hy over defe voorden, 
voorvalfch honden , kg,ht\nüjn^ntvfOOTt op de fevende Tegcn- 
werpinge aen de letter E. JVaer ickgefeit hebbe , datmen de tivyjtel' 
achti<re faken eenige tyt voorvalfch moet houden.ofte defelve als valfch 
verwerpen , daer heb ick foo kjaer uytgeUyt , dat ick alleen vtrftondt, 
^ dat-- 



Consideratie N. 129 

tiatmen om waarheden metaphyftcefeecker (dat is fo feecker , dattcr 
de alderminfte fufpicie van twijffel geen rat op heeft) te onderfoce- 
ken y geen meer acht moet nemen op twyffelachtige als op t'etnemaal 
valfche faacken , dat het my niet mooghlijch fchyntj datymant gefondt 
van herjfenen fjnde myn woorden anders foude uytleggen. 

Hoe kan men nu fceckerder fijn van het fentinient vanfymant, 
als door fuicke klare en duydelijckc woorden , daar hy t'cenemael 
ontkent 't geen hem te lafte geleit wort, daar hy fijn woorden, in- 
de Meditatiën en Principien vaftgeftelt, en van de A«uwyfers by- 
gebracht, foo klaar en hejder uytleght? Maar neen, dit helpt alles 
niet. Hymoet, met wil of onwil , twijfFelen van Godt, van fijn 
finnen, en wat des meer is. Want hoewel het niet ontkent kan 
worden, dat hy hier het contrarie klaarlyck fey t , fo ftaat het even- 
wel in fijn Principia en inde l. Meditatie. Maar vooreerft, is't 
niet notoir, dat al die argumenten, die in de eerfte Meditatie by- 
gebragt worden , niet argumenten (\]n van des Cartes uytge von- 
den, maar van de Sceptici geftelt ? ift niet feker, dat des Cartes de- 
felvige in fijn volgende Meditatiën wederleit ? ot altyt, dat hy dat 
boeckje gefchrevcn heeft omfe te wederleggen.^ Wat reden dan, 
om he m, gelijck hy felfs fey t,te laft te leggen, 'tgeen hy niet alleen 
ontkent, maar dat hy expreffelyck wederleyt,^ Hier nevens is oock 
aen te mercken , dat die redenen van twyftelinge , die in de eerfte 
Meditatie onder de naem van Sceptici ^ gelyckwy te vooren 
hebben aengemerckt, voortgebracht worden, niet en gacn tegens 
de wefcntlijckheit van Godt, maer de ecrften tegens de vaftiigheit 
van de finnen , de tweede tegens 't onderfchcit tuffchen droomen 
cnde waken , de derden tegens de wefentlickheit van de lichamen 
in 'tgemcen,en foo voorts tegens de kenniffe van de natuur der li- 
chaemcn , tegens de kenniffe der flcrren , tegens de geneeskunft, 
cnde andere diergelicke wetenfchappen , de vierden tegens de rc- 
kenkonft,cnde alle Mathematifche wetenfchappen, maar niet 
eene die tegens de kenniffe van de wefentlickheit van Godt aan- 
gaat; en^tisfoo verre af , dat dit foude gefchieden , datterfclfs 
de vierde reden van twyf¥clinge,tegens de Mathematifche weten- 
Ichappen , daer van daen genomen werdt , dat Godt miffchien 
ons alfoo mochte gemaackt hebben , dat wy felfs , in ^t gene wy 
klaar en net begreepcn, fouden komen te dwalen, of, indien 

R Wy 



130 Abrahami Heidani 

wy van Godt niet gcmaackt wacrcn , dai wy dan foo ttcl tc 
lichter foudcn konnca bedrogen worden. Wy NX^illen hier hj 
voegen een plaat^c van des Cartes uit de fevende Rej^onften op 
de fevende OjeSlien tegens ftjne Meditatiën ' j alwaar hy §. T. dus 
feght : Hy ivil een fcrupel voorwerkten ^ Godt aangaande y maar 
alleen in't voorbj-gaan^ mijfchien op dat de gene ^ die weten j hoe 
neerftich ick. ^l^^s , dat, tot de godtfaligheidt ende in 't gemeen 
tot de feden behoort , hebbe uyt-gefondert van dèfe tivj/jfelinge ab- 
dicatie, niet en [ouden meenen^ dat hy laflert. Waaromme dat 
oock expreffelijck noteert, dat defe wegh van twijfFeling en nauw- 
onderfoeck voor alle verftanden, om fijn moeylijckheidt ,niet bc- 
quaamis, als fijnde 'er onder de menfchen vcele fwacke geeftcn, 
die menighmaal niet oordeels genoech hebben, om dcdiepfin- 
nigheden van dit naukcurigh onderfoeck te bevatten. Wienhet 
derhalven beter is op de ordinaire, hoewel loflfer gronden, heen te 
fleuren, als fich in dit onderfoeck, hoewel in fich felver verre 
beft , daar vóórhaar ten refpcde van haar fwackheidt niet licht 
uy tkomft te vinden is , in te laten , fijnde die wegh alleen gebaant 
voor luyden,die en verftant en relolutie en tijt genoech over heb- 
ben, om de felfdc inteflaan , cn tot het uyt-eynde te volgen. Der-- 
haivenfiae ikj'eenemaal toe^ dat die dingen^die in de eerfie^en ook^in de 
everige bedenckingen bevat worden $ niet en fijn gepaft na de bevat-* 
tingh van alle v erflanden y en dat heb ick^oock^overal daar't te pM 
éjuam betPiight 9 en fal^t namaals betuigen. En dit is de eenige reden 
geweefiy ivaarom ick^die dingen in mijn Difcours van de Methodey 
'tgeen in't Frans gefchreven is y niet h^bbe verhandelt y maar be^ 
waart voor defe bedenckingen , waar van ick, te vooren vermaant heb^ 
be, datfe alleen van ver fiandige engeleerde Mannen behoorden geften 
te worden. Cartejius in Jijn antwoort op de 4. Bedenckingen ƒ?• 1 3 5 . 
Hier mede ftryden geenfins de ^3roorden , die van de Aanwyfers 
worden by gebracht. Wy fullcn dcfelve wat breeder voorftellen, 
als't van de Aanwijfers is gcfchiedt, om de fin van dcfelve foo 
veel te beter te vatten. Hy feght in 't ecrfte Artyckcl : Alfoo wy 
Kinderen geboren, fijn en verfcheidene oordelen van de finnelicke din- 
gen eerfl hebben voortgebracht y eer wy't geheele gebruick.van enfe 
reden hadden, worden jvy door veelevooroordeelen afgeh^ertvan de 
kennijfeder -waarheidty van deweUke vby anders nietfcbi)nen te kon^ 
\ nen 

\ 



CONSIDERATIEN. ijl 

Ken hevriidt tverdeny als indien uy ons btvlijttgtn^ cm eens in't 
leven te twijfelen van dte dingen ^ in dnvtlke ivjf deminfie (uj^icit 
van twijfel [uilen vinden. $.1. Ja't fal oock nut lick. xJjn.dat wj 
die dingen > waar van wy twyfeleny voor valfch houden y of dat wy fo9 
veel klaarder, wat het Jeeckerfie ende lichtjie is i om hekent te worden^ 
mogen vinden. $. 7. A^aar alfoo venvnpende alle dingen, van dewelke 
eenichjtns kennen twyffelen , ende oock verdichtende , datfe valsfifn, 
verdichten uy wel licht, datter geenGodt is , geen Hemel , geen Li- 
chamen ; ja dat wy oook felfs noch handen , noch voeten , noch eenigh 
lichaam heb ben, maar daarom niet , dat wy , die fulckt dingen denc- 
kenynietzyn. De mccningc van die woorden , op dewelckc dek 
^snivyjèrs (ïcn , is,dat wy lichter konncn ftcllen, datter geen God 
is, als dat wy, als wy 't fel've ftellen, niet cn fijn ; dat is, dat fchoon 
cenomcn ymandtftelde , datter geen Godt en was, hy nochtans 
dit ftcllendc niet cn foudc konnen fcggcn, dat hy felfs niet en was, 
alioo hy alle dingen voor vals houdende felfs immers moeftc fijn, 
die dclelve voor vals hielde. En 'tisfcker, datmcn eerder ver- 
fekcrt is, dat men felfs is, als dat men veriekcrt is, datter een God 
is. Den Apoftcl Paulus feggcnde, dat 'tgene van Godt kenne- 
lick is in de Heydenen openbaar is Kom. I. 19. ftelt immers alrce 
vaft, dat die gene fijn , in dewelcke 't openbaar is. Hadde nu maar 
in de woorden van des Cartes , in plaatfe vzn factie licht , geftaan 
facilius lichter, loo waflcr immers geene fwarigheidt, (elfs oock in 
de woorden , gewCeft ; doch't 'woort factie licht is bv hem fo veel 
ils facilius lichter, gelijck 't uyt de tegenflellingc klaar blyckf, 
erde't woor dtfupponimni moet overgefct worden , ftellen wy door 
verdichtinge;io dat dan desCartes dat alleen kch.t,wy konnen eerder 
tn lichter verdicht en,datter geen Godt is ,als datwy verdichten fouden 
konnen , dat wy felfs , wanneer wy yets verdichten, niet en fouden j^jn. 
"Wat is hiermede nu mifdaan? fouden de H. Curareuren, in 
dienfc van fiilckc Aanwijfers en Berichtcrs niet waren ^ualijck 
ceinformccrt gewecft, wel ditfeggen hebben willen verdoemen? 
Ten tweeden , het fy foo, laat ons haar eens toegeven , dat des 
Cartes fich (elfs tegenfpreeckt, dat fijn woorden in't begin van de 
Beginlelen, cn inde eerftc Meditatiën klaarlijck defe twijfFclingh 
met fich brengen, (maar ick hoop evenwel niet dat defe luyden, 
om dat ick haar dit toegeef, my fullcn tradeeren als fy des Cartes 

R X doen. 



13^ Abrahami Heidani 

doen,en fuftincren hier uyt,dat ick geen kk haar om haar quaat- 
w illigheyt te tooncn toegeef, inder daat fo gevoel) door wat mid- 
del weten fy nu het gevoelen van de man. In de I. Bcdenckingh 
cn in de Beginfelen feydt hy naar haar oordcel jae, in loo. ander 
plaatfen neen, by gevolge fpreeckt hy fich tegen. Welcke (aken foo 
ftaande , wat my aangaat ick weet geen middel om te weten , wat 
fijn fentiment geweeft is. Want de man doot fijnde , hoe kan ick 
het weten aUuyt fijn Schriften? En daar in hy nu ja nuneenfeg- 
gendc , neemt hy niet alle gelegentheidt wech , om dit nu fcecker 
te weten ? Of fal miffchien de Chriftelijcke Liefde , de Theologi- 
fche moderatie en voorfichtigheidt in defc twijffelbare faack, in 
Itce van de felfde op het befte uyt-te-leggen , hier vereyfchen, 
dat men fe inde alderflimftc vouw flaat , die in 's menfchen ge- 
dachten vallen kan. 

Dit uytleggen, dit fchelden cn lafteren daarop volgende, 
\ geen in alle andere faacken de naam van vuyligheidt , party dig- 
heidt en eigenhoofdigheidt fou dragen, is hier geloof ick , een ef- 
fcd van liefde , van verdraaghfaamhcidt , van infchicklijckheidt. 
^Tgeen in andere een quaadtaardige verdraayingh der woorden 
fou fijn , is hier een hccrlijckc vondt, om met de Cartefianen per 

& ;^<?/^quanfuysteonderdruckcn,dcKerckeen Waarheidt 
een dienft te doen. Ick bekcnnegaarn, dat ick na mijn eenvou- 
digheidt noyt beter hebbe geweten, ofte als ick fach, dat een Au- 
thcur fich t' eenemaal tegenfprack, dat dan beft was van fijn fenti- 
ment in defe of t' eenemaal te fw ijgen , ofte altij dt dat van het ge- 
voelen desAutheurs te prxfumcrcn , dat met fijn andere ftcllin- 
gcn, met fijn fundamenten, met de reden beft quam te accorde- 
ren. Noy t is my in de fin gefchotcn , dat men dan eerft een Au- 
theur te recht verftont, als men de hcele Werelt van hem quadc 
imprefiRen gaf, als men overal , *t fy te pas quam fy niet, op hem 
uyt voer , cn , om hem by de onnofelen verdacht te maacken , ick 
weet niet wat voor fchelm-ftuckcn uyt cenige woorden , naeden 
aart der liefde vcrdraay t , hem focht op te dichten. Die deught is 
tot noch toe mijn verftant te boven gegaan. Ick wil oock veel lie- 
ver inde tegenwoordige Haters van gevoelen van des Cartes 
defe uytfteeckcnde qualiteytcn, die metter tijdt miffchien noch 
wd een ArtjM des Geloofs fullen worden ^ met verwonderingh 

vcne- 



Consideratie N. 137 

venereren , als de felfde of met groote onwctentheyt of met groo-- 
te boosaardigheidt navolgen. 

Eindelijck als 't nu al waar was , dat des Cartes hadde geftelt, 
dat men van Godt moft twyfFelcn > moet dat gevoelen evenwel 
op de reeckeningh van de Cartefianen ftaan, die in andere dingen 
fijn methode volgende in dit expreflclijck van hem afgaan ? Want 
wat is ^er notoirder ? Wat is meer gefchreven en gewreven y van 
al de hedendaaghfe Cartefianen, als dat defe twijffclingh van des 
Cartes maar een naauw onderfoeck der waarheidt is? Dateer 
een fi3ort van twijffelingh is, waar in men met ernft in twijftel 
treckt defcof gecneftellingcn, gelijck men gewoon is van nieu^ 
we tydingen te doen , niet wetende meenichmaal wat te geloven, 
en datmen foodanich aan Godt niet mach twijffclen. Maar dat er 
noch een andere foort van twijffelingh is, waar door men indcr 
daatniet twijfFclende, fich evenwel in ^t onderfoeck derwaaihcyt 
foodanighaanftclt , alles foo naauw overweeght, alsymantdoea 
foudc, die van defaack of twijffelde ot die voor valfch hielt; en 
dat van dcfe foort van twjjffelingh des Cartes fpreeckt, als hy ley t, 
darmen aan alles twijftclen moet. Of defe lieden die dit werck 
op dcfe boven gefeyd^ manier begrypen verftaan de fin van des 
Cartes , of fy verftaan hem niet. Soo defe y die haar w erck maac- 
ken van hem tclefen, fijn raifonnementen na te vorfiihen, fijn 
fentimenten te onderfoecken , en aan de toetfteen der reden 
naaukeurigh te beproeven, fijn fin verftaan , fooisalditrafen op 
fijn twijffelingh niet anders als een vuyic laftcringh, die hem van 
onwetende wert nagegeven . Maar mifTchen fullen defe hem niet 
verftaan, en andere, waar onder 'er fijn, die, niet tegen ftaandc 
fy hem foccken te wederleggen , bekent ftaan fijn Schriften noyt 
gelefen te hebben, die fullen defe fijn meeningh te recht gevat 
hebben- 'T fy foo ; laatfe hem niet verftaan. Soo is't altytfeker, 
datfe in defe faack van hem afwycken. Waartoe dan al dit ger 
raas? waar toe al dit water vuyl gemaackt ? waartoe defekoft, 
die nu wel duyfentmaal gegeten is, weder opgedift? Is't om 
des Cartes van fijn gevoelen te bekeeren ? Maar die man is 
langh doodt , en heeft fich felfs bekeert , foo hy oyt van die mee- 
ningh geweeft is ; dewyl hy als hy 'tal inde eerfte niet gedaan hadt 
fich in fijn laatfte Schriften anders uitleghc, Is 't om fi;n navol- 

^ l gcrs^ 



134 Abrahami Heidani 

gcrs ? maar die roepen enfchryver, dat dit haar meening is, datfc 
niemant fouden raden aan Godts v vefentlijckheidt , de (innen , en 
wat des meer is te t wijffelen , maar alleen die en alle andere iaacr 
ken van importantie accuraat te onderfoecken en te examineren. 
^5C'aar toe dient het dan? Nergens anders toe, als daar^'t toegc- 
bruickt wordt. Niet alleen om de gemeente' op de Predickitocl^ 
maaYoockde Regenten, die defe faackenfoo net niet konnen on- 
derfoecken, door fulcke kunsjens op de fy te krijgen, en met 
fcheldenenlafterendefclve in tc nemen, en haar onnofele Broe- 
der$,die fy felfs in haar hart wel weten , datfe onnofel fijn, op het 
lijf tefchenden, wel wetende, dat de Regel plaats heefc: C^/«/ii- 
niarc Auda^er femper aliquid hdret. 

De woorden, dierandeAanwyfers, uyt feker Difpuyt van den 
tf. Junii i6yi y worden voortgebracht , meenen wy oock geen 
ander verftant te hebben , als de woorden, die wy boven uyt Bcza 
hebben bygebracht , te weten , dat men oock in 't onderfoecken 
Tan Gods wefentlijkheit en in de praöycke niets moet aannemen, 
ten ware men het te voren ter dege hadde onderfocht ; gelyck Bc- 
za feght, dat het niet alleen toegelaten van nootfakelicke ende nut- 
tige dingen te twyjfelenj maar dat men't oo^kdom moet. Die defc 
meeningc tegenfpreken willen, moeten van gevoelen fijn , dat 
men alles blindelincks moet aannemen, Tonder ''t felve te ver- 
ftaan, of ter dege te onderfoeken, ''twelckc hoe't met de na- 
tuurc van redclicke menfchen kan over een komen , bekennen wy 
gaarne niet tc konnen begrypen. 

De negentiende Pofitte. 

In de negentiende ftcllinge worden de Latynfe woorden 
addsjuata van de ylanwjfers overgefet, een denekheeldt , dat Gods 
ivefeny fo als het in Jtch [elven ts^ uytdruckty welcke overlettingc 
'tvvoordt adaquata niet voldoet. 'Tmoeftc overgefet worden 
ien denckjeeldtj dat Godt volkomenilijck ofte in alle fijne on- 
eindige volkomcntheden begrypt; dat is, alfooGodt oneindigh 
is , dat wy hebben een denckbcclc Gods , 't welcke oneindigh is, 
ende dien oneindigcn Godt volkomentlick ofte op eene onein- 
dige wyfebegrypt. Dit foude hem lelfs gefchaamt hebben, en 
men foudc dan (oo onbekhaamt niet hebben durven fijn , om 

de- 



C O N S I D R R A T I E N. 13^ 
«Icfe fVellinge op yemands rekeninge teftellen. Soo heeft mca 
din't v/oordi 4<idqMata undcn moeten ovcrfcttcn , ende foofat- 
foneercn , op dat men de Aanwyfinge doende ecnighfins mochtc 
khyncn bewefen te hebben, dat die ftellinge met dcielve woorden 
van des Cartcs was geleerde. 'Tis feecker , dat des Cartes defd 
ftellinge foo alffc in'tLatyn alhier gevonden ende van de Hec- 
ren Curateuren verboden wordt, t'eencmaal tegen-fprecckt ia 
fijne vyfdc Antwoorden op de Objeöicn over de derde Meditatie 
f. 4. Maar alsghy duMr by doet , dat die ycts oncindigh feght , aan 
de fake, die hy nieten vat , yets tocfchryft , 't \relcke hy niet vcr- 
ftaat, onderfchcidt ghj niet het verfiaan y Mtmet demaate vm ons 
verpandt overeenkomt, 't welcke eenyeder hy pth bevindt , a conccptu 
rcrumadxquato, van' t volkomen begrip der faken ^ tuelcke niemant 
heeft i niet alleen van het oneindige , maar mijfchien oock van geënt 
andere fake , hoe klein fj oock maeh wefen. Al evenw cl moet het d:i 
Cartes gefcidt hebben, ende om 't felve te bojryfcn, feggcn 
itAanwyferSy nac dat fedefepofitie in 't duits, op hare manierc 
hebben overgefct : Dit ugegrontve^ op het klaar en dtftin^begrip^ 
*tV3elch menmaackt tot een regel der waarheydt. Soo dat dan eer ^ 
een faack onget uyfelt waar ts , als menfe wel en diJtinBelick begrepen 
beeft, foo dat men daar van heeft een volmaaektt ideam ofdenkjftelt 
in 't verjiant. 

Daar is onder al de fiellingen i»een , dicte gelyck der Aanwy- 
fers onwctcnthcyt ende ontrouw foo klaar voor oogen ftelt, als 
dcfc. Haar onwetentheyt daar in , dat fy confundecren een klaar 
cndidinö begrip van een faack te hebben met een volmaackt 
begrip. Welcke onderfcheydt op dat yder klaar aanfchouwc, 
foo laat hy , bid ick y cxamineeren de gedachten , die hy heeft van 
een driehoeck , laat hy eens bemcrcken , of hy niet klaar en ver- • 
ftaat, Mratdat een driehoeck is, of hy die niet onderfcheydent- 
lykbegrypt van een vierhoek, cirkel en vat ^er meer voor figuren 
moghten fijn , of hy uyt defe bevatttingh van de natuur des drie- 
Kocck^ niet klaar en helder demonftreert , dat de grootfte fyic 
aootlakelyk over de grootüe hoeck ftaat &c. Sodanige gedachten 
nu noemt des Cartes klaar en diftin<a, vande welcke het foo ver 
af is , datfe de natuur van de driehoeck volmaackt fouden verto- 
nen mctallefyne cygenlchappcn, dat hetonmooghelyck is , dat 

ymaat 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by coortesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 11] 



136 Abrahami Heidani 

ymant , felfs niet de aldergrootftc Mathematicus, foodanigh een 
begrip van dc driehocck kan hebben om een driehocck , enfoo 
is 't oock met alle andere faacken , klaar en diftinft te begrijpen: 
ioo is maar van nooden, datmen een eenige cygenlchap des faacks 
bcgrypt en verftaat, maar om dc felve volmaacktlijck te begry pen, 
fo is 't van nooden, datmen alle de eygenfchappen die in een drie- 
hocck zijn,kenne met dc felfde helderheyt,alsmen die eene bcgrypt 
en bevat. Welcke twee foorten van bcgrypen , fonder de groot- 
fte ongerymtheidt des Wcrelts, niet konnen vermenght, en voor 
een gehouden worden. Des Cartes feyt dan, 't is waar, dat wy 
hebben een klaar en onderfcheyden begrip van God,maar hy ont- 
kent wel exprefl'cHjck , dat wy hebben van Godt een volmaackt 
begrip. Art. 54.!. i.Vxmc.Vt etiamhabere pojfummideamclaram 
Cr difUnHam fuhfiantU cogitantü increatd ati^ue independent is y id 
efiy Dei , modo ne illam adaquate omniay qu^^ in Deo /funt exhtbere 
fupponamus. Gelijck.ity oock^ hebban konnen een klaar en onder- 
fcheyden begrip , van een denchende , ongeschapene , en on- af -hangen^ 
defelfsiandigheytydat is van Godt^als wy maar niet onderflellenydat dit 
denkbeelt addquatè dat isyVolmaacktelijkvertoont al 'tgeen in Godt is. 

Dc ontrouw van defe luyden blijckt middagh klaar uyt dc 
woorden,die fy hier uyt des Cartes ter quader trouwe aantreckcn. 
Monlieur des'Cartcs feydt , totaque vts argumenti in eo eft , quod 
dgnofcam fieri non voJfc.Mt exifiamtalis natura qualis fum, nempc 
ideam Dei in me habens , nifi revera Deus etiam exifieret , Deus , in- 
quam , ille idem cpijhó idea in me eft , hoe eH, habens omnes illa^ perfe- 
thoneSyquo/s ego non comprehendere.fed quocunque modo attingere cogi- 
tattone poffUm , Cr müts plane defeBibus obnoxius. De hecle kracht 
van mijn argument flaat hier in , dat ick verjtaa , dat het onmooghltck^ 
yy dat ich joude fijn foodanigh van natuur als ick^ben , een Denck: 
beeltGodts name?nli)ck^in mj hebbende ^ ten fy oock^Godt uw. Die 
felfde Godty fe^ ick,y wiens begrip tn mj is , datPSy dte Godt , de- 
welcke heeft aldievolmaacktheden , die ick, ivel niet omvatten , maar 
ep eeme^er wyfe met myn gedachten kan bereycken , en die ganfch 
feen gebreken ts onderworpen. Uyt >x-elcke woorden foodanigk 
am^ehaalt , als fe leggen, de vuylfte ontrouwighcidt, die men be- 
dencken , kan klaarlijk blijckt. Voor cerft,dat fy dc voorfte woor- 
den uytlatende, dc achtcrftc,die alleen geen volkomen fin maken. 



Early European Books, CopyrigfiK© 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 [1] 



C O K 8 I D I R A T I E N. 137 

by brengen. Ten tweeden, datfy, om die woorden, die ^artfch^eem 
gebreken onderworpen is , met kracht op het denckbeelt te ver- 
draayen, daarfedes Cartes op Godt duyt, expreffelijk in het mid- 
den uy tlaten defc woorden, dat is. Waar dat by komt, dat de vuyl- 
aardigheit van defe luy haar de oogen fo verblint heeft, dat fy niet 
hebben ge(ien,dat de natuur van de Latijnfchc taal, volgens de re- 
gelen diemen jongens in't eerfte fchool leert, niet toelaat, datmea 
defe woorden, nullis pUne defeSlihus obnoxius^ganfch geengebreeck^n 
ênderivorpen,op het woort Idea Dei begrip van Godt duyt , macr al- 
leen opGodt felfs.Defc luy den fouden fekcr beter gedaan hebben, 
dat fy eerft uyt Hulfii Rhematologia wat beter Latijn gelcert had- 
den , als (ich te moeyen met het verftaen van foodanige Autheur, 
die Lefers vercy ft, die meer verflant in haar pink hebben , als defc 
Aenwyfers in haar heele lijf. Maar wat fal men van de Aenwyfers 
feggen , als des Cartes in defe eygen woorden , die hy aantreckt, 
claar het contrarie feght van defe pofitie? Seythyniet duidelijck, 
dat hy die volmaektheden, die ia Godt fijn, niet kan omvatten, dac 
is , gclijck de Philofophen gewent fijn te fpreken , niet volmaack- 
telijck kan begrijpen, maar alleenigh op eeniger wyfe kanbereyc- 
ken. Waar in weder de ontrouwe verklaring van defe Aenwyfers 
uytblinkt, die de woorden, quocunqiiemodoy op eeniger wyp^ uytleg- 
gcn op alle wjffè. Sy brengen nevens Cartefius , om defe pofitie te 
bewylen, oock by eenDifpuit den 27. Januarii 167 1. gehouden 
Coroll.41. Die d' ingeboren Idea, of denckbeeldt van Godt ver^ 
werpt of ver ivaar/oojl j die Jtort Jich nootfakelick in de Atheijlerye. 
Maar is dat te Tcggen , dat wy hebben een denckbeeldt , dat Godt 
volkomen begrijpt ? is dan een denckbeeldt van een fake hebben, 
de felve volkomen begrijpen ? Is nu alfoo defeftellinge bewefen 
met woorden van ecnigh Authcur , daer die gene , die bygebracht 
worden, noch in woorden noch in dc fake met defe ^tellingeo- 
yer een komen. Het CoroUariumfelfsisfoofckeren wacrachtig, 
dat wy niet en fien , hoe ^t van ymant,die ^t maar verftaet,cnde mei 
geen woorden fpeelt , kan ontkent worden. Door het ingeboorea 
denckbeelt wort anders niet verftaan, als 't gene van Godtken- 
lick is,Rom.I.5p. gelijck het den Apoftel Paulus noemt. Dit is im- 
mers van nature in den menfche, alfoo den Apoftel leerdt, dat 
het de Heydenen Tan naturen gehadt hebben. Die dit verwerpt 
rerwaarloo(l,die verwerpt immers alle kennifTe vaa Godt>endc 

S ' die 



138 Abrahami Heidani 

die alle kcnniffe van Godt ver werptjhoe kan hy lich Jan voorA- 
thcillcrye w^achtcn ? want wat is doch een Atheift anders , als een 
vcrloochenaer van de wefentlijckheit van Godc? en die moet 
nootlakelick verloochent worden, als men de kenniffe van Godt 
komt te verloochenen. 

De tmntichfte Pofitie. 

Dc twintichfte (IclHngc is, dat de Philofophieis ee?i uytlegflervan 
de H. Schrift, Defe ftellinge moeftnu bewefcn worden alhier 
in de Academie geleert te fijn, maar hier vint men niemant, die 
men kan ten voorfchijn brengen, als den onbekenden Autheur 
van't TracSact De Philofophie is de ujtUgfler van de Schriftmrt. 
Heeft dan die oyt op de Academie tot Leyden geleert? Derf y- 
mant wel foo onbefchaemt fijn, om dit te feggcn ? Wat raackt dan 
defeftellingedeUniverfiteyt van Leiden? Maar heeft dcfe ftelün- 
gc wel ymantfooyv'rich tegengefproken , en die foo hccrUck 
wederleght, als dc genaamde Cartefianen ? die fe te la(l wort 
geleidt , om dat den Autheur van dit Traöaat een Cartefiaan 
praetendeert te fijn. Sict daar over Velthuifen en Wolzogen. Dat 
defen Autheur van fich felfs feght, dat hy een Cartefiaan is, daarop 
is weinich Itaatte maken. Hy feght oock,dat hy \ met deautori- 
teytvan Gods Woord houdt, is ''t daarom waar , en ftelt hyniet 
fodanige dingen, waar door hy dc autoriteyt van de Heilige 
Schrift teenemaal om verre werpt, wanneer hy leert, datmen niet 
moet aannemen van Godt in de Schriftuire gcopenbaart te fijn, als 

gene men uit dc Philofophie kanbewyfen, dat waerachtigh is? 
waar mede dan alle de myfterien van de Drie-ecnheyt , van de In- 
carnatie , &c, vervallen, en daar nevens oock al gene alleen van 
Gods wil afhangt, als daar is de wech tot de (alicheit, en al wat daar 
toe behoort ; alfoo 't feker is> dat men geen van defe faken uit dc 
Philofophie ofte reden kan bewyfen. Waarom fal hy dan voor 
een Cartefiaan gehouden worden ? Immers hy en volght niet dc 
maximen van de$ Cartes , die hcmnoyt heeft \rillen bernocyen 
met deTheologie,hy doet tegen dien hcerlickcn regel van desCar- 
tes, welcke leert,dat alfoo God oneindig is, en wy eindige creatu- 
ren,wy niet moeten meenen , dat wy alles met ons eindig verftant 
konnen bcvattenjfoo dat wy daarom niets van't gene ons van God 

ge- 



C O N S I D E R A T I E N. i^^ 

geopcnbacrt is, verwerpen moeten,om dat wy niet verftaan kon- 
ncn. Siet des Cartes in (tjn Principicn in ^t ecrfte Deel $: 24, 2 5. 
Maar nu^ om dat G odt nlleen de ware oor fake is van alles dat isy of fijn 
kan^foo is 't hlaary dat ivj de befle wegh om te Philofopheren fuUen op 
volgen y indien wy onder /fa en fuUenyde kennijfe van de faken ydie van hem 
gefchapen f jn^uit fjne kennijfe uit te balenyOpdat ivy alfo de volkomenjte 
'ivctefifchap y die beflaat inde kennijfe der ejjeclen door hare oorfaken^ 
verkrygen, ^Twelckey om feher enUefonder gevaar van te dwalen te 
beginnenymoeten wy defe waarfchomvinge gebruyckenydat wy altoos ten 
hoochfien indachtig fijny dat G odt den auteur van de faken oneindigh^ 
maar wy teenemaal etndtgh f jn. ^Ifoo, indien ons mtjfchten God van 
hem felfs of van anderen y ets openbaart ydat fch beven de krachten van 
9ns verftandt uitjireckt y gelijck^daar fjndeverborgenthedenvan de 
Jldenfchwerdinge en Drie-eenheyt ; moeten wy niet weygerich f jn , om 
dte te geloven , alhoewel wyfe niet klaar li ckjverfiaan. En uy fullen ons 
oockgeenfns verwonderen ^ datter vele dingen fjn ^foo wel in Jyne onein^ 
dige nature , als in die dingeny die van hem gefchapen f jn , die ons ver^ 
fandt te boven gaen. Ot lalmen leggen 3 dat dien Auteur daarom 
voor een Carrcliaan kan paiïerenjOm dat hy de reden in ""t licht der 
nature foo welopvolght ? maar ''t contrarie hebben die beyde bo- 
vengenoemde Hceren Velihuyfen en Wohlzogen genoech aenge- 
wclen. Soo dat het de grootfle onbillickheit foude fijn, 'tgeen 
den een of ander fchrijh , feggcndc 't felve te doen op de gronden 
vandes Cartes, aen hem of aen die, welke fync Philofophic volgen, 
op te dichten. Dc Univerfiteit van Leiden heeft dan geenfins met 
dien Auteur te doen , en moet men fyne opinien in geen manierc 
op de rekcningh van de Profcfforen van dc felve Univerfiteit ftel- 
len. En'tisfi3o verre van haar, dat fy van dit gevoelen fouden 
fjn, dat op 't verfoek ende bevel van de H.H. Staten van Hollandt 
een advijs op dat Tvz&i^ctde Philofophie uytlegflcrvan de Schrtftu- 
is uitgebracht, onderteeckent van Heydanus en Coccejus , 
waar in fy ''t felve met veele reden tegenfpreken ende ver\x>'crpen; 
gelijck ^t felve onder de uitgegcvene wercken van Coccejus is te 
vinden. Soo heeft oock Wittichius by alle gclegentheit de felve 
fentcntie in fyn CoUegien ende Leflen wederleyt , gelijck fulcks 
nit het getuigeniffe van fyn dilcipulen tot allen tijden kan verno- 
men worden. 

Den onpartijdigen Lefer,defc onfc confidcraticn hebbende met 

S z een 



140 Abrahami Heidani 

ccn aandachtigh gcmoet overwogen, fal lichten hoochflcn moe- 
ten verwonderen, over het B^jlujt y dat de jienwjfers maken, 
AAtfe meenen hare belofte voldaen te hebben ; en datfe van een 
ênhefchaemde ajfeurantie durven befchuldigcn foodanige luj- 
deny de wclckc de Gemeente dorven wijs maeckeny dat foaa^ 
nige Pofitien nergens te vinden zyn. Laet ons hier over een ^eynigh 
ftille ftaan. Die Luyden , welcke fy hier befchuldigcn , nocmcnfc 
^zg g. Hoofden ende Dryvers van defe NieHwicheden,dic in \ bewu- 
fte Decreet fijn verboden; het fijn dan , na hare meeninge, dege- 
naemdeCoccejanenenCarteftanen; ende alioo't Decreet van de H. 
Curateuren ende Borgermcefteren , die 20. Pofiticn verbiedende 
in 't hoofc ftelt, dat defe Poft ien van tijdt tot tijdt in de Vniverftteyt 
van Ltjden Jtjngeventileertj die in de Formulieren van Eenicheyt alfoê 
niet fijn te vinden dci^ Autheurspag. 41- in haer Bejluyt dit op 
defe 20. ftellingen toepaffen, foo is 't dan klaer, datfc hadden moe- 
ten aenwyfen, dzthct dc genaemde Coccejanen ende Cartejianen 
ren, die alle defe 20. ftellingen leerden; en oock,dat de felve waren 
Profefforen van de Univerfitey t van Leyden,en dan noch, datfe dc 
felve geventileert en geleert hadden op de Univerfitcyt fijnde , en 
wel met de felve woorden, (oo alffe in-'t Decreet fijn geexpref- 
feert. Want dit is her, dat dielnyden^wacv opfy het hebben ^wil- 
len feggen, indien fy de Gemeente ^\\\cn perfuadcren, dat fodanige 
Poft tien nergens te vinden fijn. En \ry hebben in't voorgaendc 
oockklaerfijckaengewefen,datdemeefte Pofitien noyt in deU- 
«iverfiteyttot Leiden, en feer weinige fijn , die met die woorden, 
cn geenc, welcke in dien fin, dacr mede fy opgegeven worden , fijn 
geleert. Wy willen hier gaerne aen den onpartijdigcn Lefer,/;;/; 
fcleert of ongeleertyV tïh\yycï)y wie van beydcn met een onbefchaemdc 
afeurantie (preeckt,of die gene,welcke roemen , datfe de Autheu- 
ren, boecken, pagien, van de felve hebben aengewefen , daerfe in 
foogrootengebrcckblyven , of, de welcke dit alles in de boven- 
gefeydc maniere or.tkennen ? Het is oock feer ongefondeert, dat 
defe Aenwyfers voor vaft ftcllen,dat niet in confideratie behoor- 
de te komen,dat het die Auteuren of Profefforen van de Academie 
fan Leiden, die nu al ecnigc van defe ftellingen met defelve woor- 
den, alfte op 't tonneel fijn gebracht,mochten geleert hebben, an- 
ders gemeent ende haere meeninge op andere plaetfen verklaert heb- 
beni feggende, dat dit de vraege hier ntet en is ,QndQ ^ hebben fy't 



Consideratie N. 141 

éindersgemeentyfoo moeflen jy anders hebben gefproken i vant op die 
wyfc foude men oock met dc woorden van dc Schrifture konncn 
omfpringen, cndc uit de felveExtraÖen niaken,en dieafgefondert 
van \ voorgaendeende volgende voor jchadeltjcke Niemvichedm 
uitroepen; ende, als dan yemant de fake voor de Schriftuire op- 
nam, feggende, dat het de Heilige Schryvers anders gemeent ende 
haere meeninge op andere plaetfen verklaert hadden , foude men 
op defelvc maniere konnen ant w oorden,(^^r dit de vrage hier niet en 
isy ende, indien fy 't anders gemeent hebben^ (y oockjinders moejten heb-* 
ben gefproken. Op die wyfe handelde eertydts den afvalligen Key- 
fer Julianus met de heilige fchry vers , en focht fpotfgewijfe fijn 
Decreet tegens de Chriftenen genomen , (door ""t welckc hy dc 
Kercken alle haere middelen ende goederen, alle haere vryheden, 
Terecringen ende inkomften , dacr mede Conftantinus de Grootc 
defelve begaeft hadde, benam, )te bcwyfen uit dc woordenChrifti: 
Saligftjn deArmen^^vant haeris UKoningrijkderHemelen.Dc woor- 
den waren daer; indien nu ycmand gefegt hadde , dat Chriftus 
fulcks anders gemeent ende fijne meeninge op andere plaatfen 
verklaart hadde, foude hem Julianus, indien hy defefchone regel 
van de Aenwyfcrs hadde geweten , met felvc recht niet konnen 
feggen? dc vrage is hier niet , hoe 't Chriftus gemeent heeft, in- 
dien hy ''t anders gemeent hadde , foo moefte hy anders ge- 
fproocken hebben. Volgens defe regel hebben de Mennoniten 
het grootfte gelijk van de wcreldt, wanncerfe uit dc woorden 
van Chriftus Matth. 5, 39, bewyfen, dat men hem fel ven niet 
mach verdedigen ; want Chriftus feght daar immers ; Ick^feggeu^ 
dat ghy den booten niet en wederftaat : maar foo wie uw op d$ 
rechter wange Jlaat y keert hem ookde andere toe. Want indien dit 
yemandt met de Kantteeckenaers wilde verklaaren, dat men dit 
liever foude doen als hem felven wreken , en dat het blykt uit het exem- 
pel Chrifti loh. in 't afhttende vers i]. dat dit niet fimpelick^ te 
verftaan is , fal daar op licht konncn gerepliceert worden , dat dc 
vragc hier niet is , hoe ''t Chriftus gemeent , maar hoe hy gefpro- 
kert heeft, en dat hy anders moftc gefproken hebben, indien hy 
anders hadde gemeent. Honderden van exempelen fouden hier 
konnen bygebracht worden»Wat danPde woorden fijn om de mee- 
ning ende fin van de menfchen uit te drucken , en de fin is ^t waar- 
om de woorden gevonden fijn; indien nu defelvc een goeden 

S 3 fm 



i^z Abrahami Heidani 

fin konnen hebben, en dat 't blijkt, dat de Auteuren van die 
woorden een goeden fin door defelve hebben uitgedrukt, (al 
men haar dan daarom op 't hjt vallen , indienle niet defcIve woor- 
den daar tocgebruikt hebben, diewy naa onfcfantafic meencndc 
befte cnde bequaamfte daar toe te wefen ? wat mecfterfchap foude 
dit doch fijn? moet dan elck een juift foo fpreccken, als wy 
willen dat hy fpreekt? wat recht hebben wy hier meer overeen an- 
der, als hy over ons hceh? ^: Is w^aar, alffer fulckc woorden ge- 
bruikt worden , die volgens de natuur van de tale, ende ''t gebruik 
van alle rcdelijcke menfchen , geen anderen fin konnen hebben, 
als die vals ende fchadelijk is , dan loude het niet konnen helpen, 
indien die gene, welke die heeft gefproken, foude fe^^gen , dat 
hy 'er geen quaeden fin in heeh beooght ; want dan foudc 
gelden, dat fijn proteftatic met fijn daat quam te ftry den; maar 
hier is aangewefen, dat de woorden van eenige ftellingen een 
goeden fin konnen hebben, volgens ""t rechte gebruick van alle 
redelijke menTchen en de natuire van de taaie , en dan is t' eene- 
maal nodich , dat men niet alleen op de woorden, maarvoor- 
naamlik op de fin van de woorden komt te letten, indien men fich 
niet w il Ichuldig maken aan fondcn tegen ''t negenfte gebodt, ende 
voor geen verdraeycr van woorden ende lafteraar wil gehouden 
worden. Dat tde Heeren Curateuren fouden alleen geftcn hehberiyhoe 
d' Auteurenhehbengefproken ende niet hoe fj 't gemeen t hebbe?7 , fullcn 
ons defe Aen w yfers niet licht wys maeken ; de goedaardichcit van 
die Heeren belooft ons van haar vry wat anders; de reden, dat 
defeJtellingen({yCpvckQnv^n {tellingen, niet van manieren van 
{preken, gelijk ons de Aenwyfers gaern wouden diets maeken) 
in de Formulieren van Eenigheidt foo niet en Jijn te vinden , vinden 
wy in Haer Ed, Achtb. Decreet geexprelfeert , maar de andere 
reden, die hier werc voorgegeven, datle d' Academie e-nde de geheele 
Kercke in troubel ende onruüe fielden^ lefen wy in haarc relolutic 
niet» Hebben haar de Aenwyfers dit konnen perfuadccren , foo 
hebbenfc die Heeren fchandelijck mifleir,cndefullen 't voor Godt 
verantwoorden moeten. Dat de Kercke cnde Academie beroert 
werdt door fodanige procedueren , die nu een jaar of drie her- 
waarts fijn gehouden geworden , willen wy niet ontkennen; maar 
wy willen defe onfe aanklagers tot antwoort geven 't gene Elias 
certydtstot Achabfeide. Wj en hebben Ifrael met beroert y maar 



C O N S I D K R A T I E N. 143 
ghy lieden y daarmede dat ghy lieden de geboden des Heeren verlaaten 
hehrj uwe Broeders vervolgende, haar willende overhecrkhen, 
haar valfcheliklafterende ende befchuldi^ende van HeterodQxicn 
cn fchadelijcke nieuwigheden. Dit heeft gebleken u)t de Brief 
van de ClalTis van ter Goes , uy i het Bericht cndc Nader- herichty 
cndc andere diergelijke boecken. En waar toe dient dcfegehecle 
ophef, dat gylieden de Heeren Curaieuren gaat wys maken, dat- 
ter ik weet nicc wat voor monftcrs uyt de Academie voortkomen, 
cnde wanneer gy fe lult aanwyfen, van wien, wanneer, endc 
waar fy fijn gebaart , blyft men in gebreck, om fe te vertoonen, 
hoewel ghy ^tfelve prsetendeert tc fullen doen, ende rtoutelijk 
derft roemen, het gedaan tc hebben. Waar toe dient het , dat men 
fijn Hoocheyt, de Heere Princc van Oranjen, focckt by alle gele- 
genheit,met de grootfte laÜcringe cnde onwaarheden, in teboefe- 
men, dat de genaemdc Coccejanen ende Cartefiancn lijn vyanden 
ran^t Illuftre Huis van Oranien en Naflbuw,datfe verlaten de ou- 
de Orthodoxe Theologie; waar toe is het, dat men in ^t Bericht 
Hoogh-aenficnelijckcHeeren heeft foecken op tc hitfen,datfe Ha- 
gar, dat is,de Coccejaanfcbe en Cartefiaanfche Theologie,gclijck- 
fe de Berichters gelieven te noemen, moeften uitwerpen , anders, 
als om fcheuringen, ende alfoo beroerten in de Kercke ende Poli- 
tie uit te wercken > Hier door hebt gy immers uwe Broeders 
gcterght , om tegens u lieden extraden te maecken, welc- 
ke lichtelijck veel meer dingen hadden konnen vinden , dicfe u 
hadden konnen, met meerder recht te lafte leggen, ende u dan van 
heterodoxie gaan befchuldigen; fy hadden immers oock haar werk 
daar van konnen maken , om fijne Illuftre Hoogheydt en andere 
Hooch-aanfienlicke Heeren dagclijcksmoeyelick te vallen ♦ endc 
haar over uwe cjuade procedurcn te informeeren. Dit hebben fe 
niet gedaan, willende liever alles lyden ende haar met voeten laten 
rrappen , als oock de minfte gelegentheyt tot fcheuringe ende on- 
rufte in de Kercke ende Politie te geven. Sy hebben tegens uwe 
fcandaJeufe maximen fichniet anders als defcndf gedragen, Timo- 
theus Verinus heeft op de Briet van de ClalTis van ter Goes , cnde 
daarnaeop de Verdediginge van Dn.Barentloon in alle modeftie 
geantwoort; foo hebben ook de Tegen-Berichters gedaan; cnde is 
van dien allen aangewefen, dat van uwe Broeders niet gefocht 
wort,als waarheyt ende vrede^Qn dat het valfche befchuldingen fijn, 

die 



144 Abrahami Heïdani Consideratien. 

die Pytceens haar hebt opgenomen, vertoonende haerrcchtfin- 
niehcidt in alle deden. Hier fyn de Bcrichters in gebrcck gcblc- 
Tcn, ende hebben de fake verlaten , miffchicn hierop ileuncndc, 
dat ccncn Ryffenius is opgeftaan, die de felvc op 't nieu v hcctt op- 
gevat, ende fijne niedemackers in laftcren ende fchelden verre 
heeft te boven gegaan, dien oock van Dn. Allinga ende andetcn 
iseeantwoort , ende verder falgcantwoort worden. En wie weet, 
oPt niet oock defclve Hjn, die niet fiendc, hoe fe de fake met fchry- 
▼cn fouden te boven komen, nu hebben de H. Curateurcn gaande 
cemaackt, ende alfoo gefocht, door den Politycken arm hare 
Broederen te onderdrucken ; 't welke wy vertrouwen haar al we- 
derom niet fal gclucken , alfo wy hopen , hare Ed: Achb. nu beter 
fijnde ccinformeert.in't toekomende dit flach van mcnfchcn geen 
eelove meer fullcn geven, maar de beklaeghdc partyc het ander 
oor verkenen, en, foodit woelen van onfc tcgenpartyders met 
ophout, forgedraegen, dat deler lieden drift magh ingctoomt 
worden , om hare Broeders in gcruftheidt toe te laten , dat fe in de 
kenniffeen waarheit mogen waffen en toenemen, ende andere 
oock daarin onderwyfcn. De goede Godt w il hem over fijn Ker- 
ke ontfermen , hy geve ons verlichte oogen des verftands , dat wy 
hoe langer hoe meer fien mogen de wonderen vanl.jnWet, hy 
yerwccke in ons een yver ende luft totdewaarheidt dienaedc 
Godtfalieheidt is , hy verwarmeonfe herten m de liefde , dat wy 
malkanderen opwecken tot kenniOe ende vreefe des Hecren, 
malkandcren verdragen, is yemandt gevallen, hem te rechte bren- 
gen met den geell der fachtmoedigheidt , dat wy in t gene , daar 
toe wy gekomen f.jn , na den felven regel wandelen ende het felvc 
cevoelen, verwachtende met lydtlaamheidt; indien ymandt 
yet anderfins gevoelt, dat het hem Godt oock openbare ; hier 
mede cyndigen >^y , en feggen uyt gront des hertenden dric- 
eenigcn Godt fy lof, prys , eer en danckbaarheidt van nu aan tot 
i« der ceuwigheidt. Amen. 



Early European Books, Ccjpyright© 201 1 ProQuest LLC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Hoog. 

445 C 19 [1] 



Hier op volght nu het Ex- 
trad der Fd; Heeren Curateuren 

van de UniverGteyt tot Leyden , mitfgadcrs de 
Nodige Aanwyfingen , fooals het tefamentot 
Haarlem is gedruckt by Michiel van Leeuwen, 
en waar op defe voorgaande Confideratien ge- 
maakt, en ingeftelt (yn, en om dat den Haer- 
lemfe druck, op dewelcke in de Confideratien 
wordt gcfien, in Odavo is gedruckt, hebben 
wy tot geryf van den Lcfer depaginas in mar- 
gine volgens dien Druck willen ftellen. 

EXTRACT 

Uyt de Refolutien van de Curateuren over dc 
Univerfiteyt en Buigermceftercn dcrStadtLey- 
den, genomen tegen defchadelijcke 
Nieuwigheden. 
Den i6. lamary ^ ^nno 16^6. 

MET 

Aenvoyfinge van d' Authcurcn , Boeckcn, Pagien^ en de eygene 
Woorden ^ gejlelt in't Latyn^ en in Dujtfeh vertaelty 
in ende hy de wclche de verhodene Pofnien 
fyn te vinden* 



Early European Books, Copyright © 201 1 ProQuest IIC. 

Images reproduced by courfesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. 

445 C 19 [IJ 



Early European Books, Copyright© 201 1 ProQuesf liC. 

Images reproduced by courtesy of Koninklijke Bibliotheek, Den Hoog. 

445C 19[1]